ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6889
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Nietigheid pensioenontslagbeding en voortzetting arbeidsovereenkomst na 62-jarige leeftijd
De zaak betreft een arbeidsovereenkomst tussen een werkneemster en een vennootschap binnen een groep, waarbij de werkneemster aanvankelijk in dienst was bij een dochtervennootschap en later loon ontving van de holding. De arbeidsovereenkomst bevatte een pensioenontslagbeding dat de arbeidsovereenkomst liet eindigen bij het bereiken van de 62-jarige leeftijd.
De werkneemster stelde dat de arbeidsovereenkomst was overgegaan op de holding en dat het pensioenontslagbeding nietig was wegens verboden leeftijdsdiscriminatie. De werkgever betwistte de overgang en stelde dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2011 was geëindigd. De kantonrechter oordeelde dat uit loonstroken, jaaropgaven en gedragingen kon worden afgeleid dat de arbeidsovereenkomst op de holding was overgegaan en dat de werkneemster daarmee stilzwijgend had ingestemd.
Het pensioenontslagbeding werd als ongeldig beoordeeld op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd (WGBl/a). De arbeidsovereenkomst was derhalve niet geëindigd op de 62-jarige leeftijd en de loonvordering vanaf die datum werd toegewezen. De vordering wegens kennelijke onredelijkheid van ontslag werd afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst voortduurde. Daarnaast werd een vordering tot vergoeding wegens het afbreken van onderhandelingen over een beëindigingsvergoeding afgewezen wegens het ontbreken van een schriftelijk convenant.
De kantonrechter veroordeelde de holding tot betaling van het loon, wettelijke verhoging en rente, en wees de overige vorderingen af. Het verstekvonnis werd vernietigd en de kosten werden aan de werkgever opgelegd.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is overgegaan op de holding, het pensioenontslagbeding is nietig en de loonvordering vanaf 1 april 2011 wordt toegewezen.