ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0213
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.G. Vermeulen
- M.M. Lorist
- P.L. Alers
- Rechtspraak.nl
Vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit vrouwenhandel vastgesteld op €611.360
Veroordeelde is eerder door de rechtbank Utrecht veroordeeld voor mensenhandel en deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk mensenhandel. De rechtbank behandelt de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze strafbare feiten.
De rechtbank stelt vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft op de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 september 2007, een periode van 32 maanden. Hierbij wordt uitgegaan van 868 gewerkte dagen, rekening houdend met dagen waarop het slachtoffer niet werkte wegens vakantie en ziekte. De rechtbank hanteert een daginkomen van €800,- dat het slachtoffer aan veroordeelde moest afdragen, gebaseerd op telefoontaps en verklaringen.
De gemaakte kosten worden gesteld op €2.595,- per maand, bestaande uit huisvesting, levensonderhoud en bedrijfskosten. Na aftrek van deze kosten komt de rechtbank tot een bedrag van €611.360,- als wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank wijst het verweer van de raadsman af dat slechts de helft van het bedrag kan worden vastgesteld vanwege huwelijksgemeenschap, omdat het geld uitsluitend aan veroordeelde ten goede is gekomen.
De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen, gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De beslissing is genomen na meerdere openbare terechtzittingen en in aanwezigheid van de raadsman en officier van justitie.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €611.360,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit vrouwenhandel.