ECLI:NL:RBUTR:2011:BP5190
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mensenhandel en deelname criminele organisatie
Verdachte werd beschuldigd van mensenhandel en deelname aan een criminele organisatie in verband met het uitbuiten van een prostituee, [betrokkene 36], in de periode 2005-2007. De tenlastelegging omvatte onder meer het dwingen tot prostitutie, controle en het innen van beschermingsgelden. Daarnaast werd hem deelname aan een criminele organisatie verweten die zich bezighield met mensenhandel, mishandeling en andere strafbare feiten.
Tijdens het proces ontkende verdachte de tenlasteleggingen en verklaarde hij slechts als bodyguard te hebben gewerkt, zonder betrokkenheid bij dwang of uitbuiting. Getuigenverklaringen en tapgesprekken ondersteunden zijn verklaring. De rechtbank stelde vast dat het bewijs onvoldoende was om medeplegen of medeplichtigheid aan mensenhandel te bewijzen. Ook ontbrak het bewijs voor deelname aan de criminele organisatie, aangezien verdachte niet op de hoogte was van het criminele oogmerk.
De rechtbank benadrukte dat veel van de in het requisitoir genoemde gruwelijkheden niet ten laste waren gelegd of niet bewezen konden worden. Dit leidde tot vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten. De uitspraak onderstreept het belang van concrete en voldoende bewijs voor zware strafrechtelijke beschuldigingen zoals mensenhandel.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van mensenhandel en deelname aan een criminele organisatie wegens onvoldoende bewijs.