ECLI:NL:RBUTR:2009:BH6572
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg contractuele verjaringstermijn van twee jaar geen misbruik van recht
In deze zaak vordert eiser betaling van ruim tien miljoen euro wegens niet-nakoming van vier overeenkomsten die op 8 januari 2002 zijn gesloten tussen Wisselink en gedaagden. De overeenkomsten betroffen onder meer de overname van activiteiten van Wisselink door gedaagde sub 1 en sub 2, en bevatten een contractuele verjaringstermijn van twee jaar voor schadevorderingen.
Gedaagden voeren verjaring aan en stellen dat de vordering van eiser verjaard is per 9 januari 2004. Eiser betwist dit en stelt dat het beroep op verjaring misbruik van recht is en onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede vanwege het faillissement van Wisselink en de ontkenning van aansprakelijkheid door gedaagden.
De rechtbank stelt vast dat de contractuele verjaringstermijn van twee jaar uitdrukkelijk geldt voor schadevorderingen wegens niet-nakoming van de overeenkomsten, ook indien het beroep op het financieringsvoorbehoud onterecht was. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende motiveert waarom deze termijn niet zou gelden. Ook is niet gebleken dat de verjaring is gestuit binnen de termijn.
Verder oordeelt de rechtbank dat het beroep op verjaring niet als misbruik van recht kan worden aangemerkt, omdat eiser en Wisselink de rechtsgevolgen van hun stellingen hadden kunnen beheersen en de vordering tijdig hadden kunnen instellen. De vordering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van eiser wordt afgewezen wegens verjaring van de schadevordering op grond van de contractuele verjaringstermijn.