ECLI:NL:RBSHE:2012:BV3853

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10-2897
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.10 WroArt. 44 WoningwetArt. 3.3.4 Verordening ruimteArt. 3.3.6 Verordening ruimteArt. 7:12 Awb
Verwijzingen
22 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bouwvergunningen intensieve veehouderijen wegens gewijzigde gemeentelijke ruimtelijke inzichten

Eisers dienden bouwaanvragen in voor uitbreidingen van intensieve veehouderijen op twee percelen in een verwevingsgebied. Verweerder weigerde deze vergunningen omdat zij in strijd waren met het bestemmingsplan “Buitengebied ‘96” en de Verordening ruimte Noord-Brabant, fase 1, die beperkingen stelde aan uitbreidingen boven 1,5 hectare. Eisers stelden dat de Verordening niet van toepassing was omdat deze na de aanvraagdatum was vastgesteld en dat de Verordening in strijd was met de Reconstructiewet concentratiegebieden (Rcw).

De rechtbank oordeelde dat de Verordening weliswaar in strijd is met de Rcw omdat de waarborgen voor wijziging van reconstructieplannen niet zijn nageleefd, maar dat verweerder terecht de bouwaanvragen toetste aan het geldende bestemmingsplan en de Verordening. De rechtbank stelde dat de Verordening buiten toepassing had moeten blijven, maar dat dit niet tot vernietiging van het besluit leidde omdat de tweede weigeringsgrond, de gewijzigde gemeentelijke ruimtelijke inzichten, stand hield.

De gewijzigde inzichten hielden in dat de gemeenteraad geen uitbreidingen boven 1,5 hectare wilde toestaan vanwege onduidelijkheid over gezondheidseffecten en lopend maatschappelijk debat. De rechtbank vond dat verweerder in redelijkheid tot weigering van het projectbesluit kon besluiten en dat het beroep daarom ongegrond was. De rechtbank wees ook op de beperkte toetsingsruimte bij projectbesluiten en het belang van beleidsvrijheid van de gemeente.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de bouwvergunningen wordt ongegrond verklaard vanwege gewijzigde gemeentelijke ruimtelijke inzichten.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 10/2897
Uitspraak van de meervoudige kamer van 14 februari 2012
inzake
[eiser A] en [eiser B],
te [plaats],
eisers,
gemachtigde: mr. dr. J.J.J. de Rooij,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaren,
verweerder,
gemachtigde mr. drs. S.M.W. Verouden.
<b>Procesverloop</b>
Bij afzonderlijke besluiten van 19 januari 2010 heeft verweerder geweigerd een achttal bouwvergunningen eerste fase te verlenen voor het oprichten van: een zeugenstal, sleufsilo’s en een vleesvarkensstal op het perceel [adres 1] te [plaats], respectievelijk een voerkeuken, opslagruimte, drie sleufsilo’s, een vleesvarkens-, een biggen- en een zeugenstal op het perceel [adres 2] te [plaats].
Tegen deze besluiten hebben eisers op 2 maart 2010 bij verweerder een achttal bezwaarschriften ingediend.
Bij besluit van 27 juli 2010 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 januari 2012, waar eisers zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde, vergezeld door [...].
<b>Overwegingen</b>
1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 27 juli 2010 (verder: het bestreden besluit) strekkende tot handhaving van de weigering van de gevraagde bouwvergunningen eerste fase, in rechte stand kan houden.
<u>Feiten en omstandigheden</u>
2. Eisers zijn eigenaar van de percelen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] (verder: de projectlocaties). De projectlocaties zijn gelegen in een verwevingsgebied in het plangebied van het reconstructieplan “Meijerij, correctieve herziening” (verder: het reconstructieplan). Op 9 juli 2009 heeft de raad van de gemeente Haaren (hierna: de gemeenteraad) het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. Dit bestemmingsplan, voor zover hier van belang, voorzag in een uitbreiding van bouwvlakken voor twee intensieve veehouderijen tot 2,2 en 2,5 hectare op de locaties aan respectievelijk de [adres 1] en [adres 2]. Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Bovendien is, hangende de beroepstermijn, een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
3. Op 22 december 2009 hebben eisers bij verweerder de thans voorliggende aanvragen tot het verlenen van een bouwvergunning eerste fase ingediend.
4. Op 19 januari 2010 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) met betrekking tot de projectlocaties.
5. Bij uitspraak van 25 januari 2010, LJN: BL1781, heeft de voorzitter van de Afdeling het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied”, voor zover dit betrekking heeft op de projectlocaties, geschorst.
6. Bij besluit van 19 maart 2010 hebben provinciale staten van Noord-Brabant een voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 4.1, vijfde lid, van de Wro genomen, dat op 20 maart 2010 in werking is getreden. Met ingang van 1 juni 2010 is de Verordening ruimte Noord-Brabant, in de praktijk ook aangeduid als Verordening ruimte, fase 1 (verder: de Verordening) in werking getreden.
<u>Standpunten partijen</u>
7. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan “Buitengebied” niet in werking is getreden en dat de bouwaanvragen terecht zijn getoetst aan het bestemmingsplan “Buitengebied ‘96”. De bouwaanvragen zijn in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied ‘96”. Verweerder heeft de bouwaanvragen geweigerd wegens strijd met artikel 3.3.4, derde lid, van de Verordening en heeft geweigerd een projectbesluit te nemen vanwege strijd met artikel 3.3.4, eerste lid aanhef en onder d, van de Verordening. Verweerder heeft geen ontheffing aangevraagd als bedoeld in artikel 3.3.6, eerste lid en onder a, van de Verordening omdat op voorhand duidelijk is dat eisers niet voldoen aan de voorwaarde van verplaatsing van een intensieve veehouderij. Daarnaast heeft verweerder geweigerd een projectbesluit te nemen omdat de gemeentelijke ruimtelijke inzichten ten aanzien van schaalvergroting van intensieve veehouderijen zijn gewijzigd.
8. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het bestemmingsplan “Buitengebied ” het geldende bestemmingsplan is en niet het, door verweerder toegepaste, bestemmingsplan “Buitengebied 96”. Volgens eisers kon niet worden getoetst aan de Verordening omdat de bouwaanvragen nog zelfs voor het provinciale voorbereidingsbesluit zijn ingediend. Volgens eisers is de Verordening in strijd met de Reconstructiewet concentratiegebieden (Rcw) en het daarop gebaseerde reconstructieplan. Eisers voldoen wel aan de voorwaarden die worden gesteld aan verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.3.6, eerste lid en onder a, van de Verordening.
<u>Wettelijk kader</u>
9. Het wettelijk kader ten tijde van de bestreden besluiten, voor zover van belang, luidt als volgt.
10. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef onder c en onder f, van de Woningwet (Ww) mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien
c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan (…);
f. het bouwen in strijd is met de regels, gesteld bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wro. (…) ;
11. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.
12. In de Verordening, zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit, is onder meer het volgende bepaald:
Ingevolge artikel 1.1.2, eerste lid aanhef en onder c, van de Verordening wordt, tenzij de aard van de bepaling zich daartegen verzet dan wel tenzij in de Verordening uitdrukkelijk anders is bepaald, bij de toepassing van de Verordening onder bestemmingsplan tevens begrepen een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro.
Artikel 3.3.4 van de Verordening ziet op regels voor verwevingsgebieden en luidt, voor zover van belang, als volgt:
1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied bepaalt dat: (…)
d. uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij is toegestaan tot ten hoogste 1,5 hectare op een duurzame locatie (…).
3. Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is met het eerste lid onder c en d, in werking is getreden, geldt de regel dat (…) vergroting van de bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij welke op 20 maart 2010 aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd mag worden krachtens een onherroepelijk verleende wettelijke vergunning, uitsluitend is toegestaan voor zover dit niet leidt tot een bouwblok dat groter is dan 1,5 hectare waarbij ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.
Ingevolge artikel 3.3.6 van de Verordening kunnen gedeputeerde staten in het geval van een lopende zaak tot verplaatsing van een intensieve veehouderij tot uiterlijk 1 januari 2011 ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.3.4, eerste lid onder d, van de Verordening voor een bestemmingsplan dat voorziet in de uitbreiding van een bouwblok tot ten hoogste 2,5 hectare in een verwevingsgebied.
<u>Beoordeling</u>
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht opgemerkt dat het door eisers van toepassing geachte bestemmingsplan “Buitengebied ” voor wat betreft de projectlocaties nimmer in werking is getreden. Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied”, voor zover het betrekking had op de projectlocaties, zijn meerdere beroepen ingesteld en bovendien is in de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De omstandigheid dat de indieners van dit verzoek om voorlopige voorziening later hun beroep hebben ingetrokken, laat onverlet dat de bij uitspraak van 25 januari 2010 getroffen voorlopige voorziening haar geldigheid blijft behouden hangende de behandeling van de door anderen ingestelde beroepen. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 6 september 2010, LJN: BN6977. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder de bouwaanvragen terecht getoetst aan het bestemmingsplan “Buitengebied ‘96”.
14. Niet in geschil is dat de bouwaanvragen in strijd zijn met het bestemmingsplan “Buitengebied ‘96”. Verweerder heeft daarom de bouwaanvragen tevens beschouwd als een verzoek om een projectbesluit te nemen.
15. Aan het besluit heeft verweerder mede ten grondslag gelegd dat de bouwaanvragen in strijd zijn met de Verordening. De Verordening is in werking getreden na de primaire besluiten tot weigering van de bouwaanvragen en voorafgaand aan het bestreden besluit. Naar aanleiding van de beroepsgrond van eisers dat verweerder derhalve in het geheel niet aan de Verordening had mogen toetsen, overweegt de rechtbank het volgende.
16. In de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011, LJN: BU3123, is overwogen dat, in lijn met de vaste rechtspraak over de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan, bij het nemen van een besluit over de aanvraag om bouwvergunning en het besluit op bezwaar, in beginsel het recht dat op dat moment geldt, moet worden toegepast. Bij wijze van uitzondering mag het college van burgemeester en wethouders, wanneer bij het nemen van het besluit een provinciale verordening wel geldt, maar bij het indienen van de aanvraag nog niet, het recht toepassen zoals dat gold bij het indienen van de aanvraag. Conform de vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraak van 6 februari 2002, LJN: AD9423, is voor het maken van een uitzondering geen plaats als het bouwplan tevens in strijd is met het ten tijde van het indienen van de bouwaanvraag en het nemen van het primaire besluit nog geldende bestemmingsplan. Gelet op de aangehaalde rechtspraak heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat er in dit geval geen ruimte is voor het maken van de door eisers gewenste uitzondering op de hoofdregel, omdat de bouwaanvragen van eisers in strijd zijn met het bestemmingsplan “Buitengebied ‘96”. Dat betekent dat in beginsel het recht dat ten tijde van het bestreden besluit gold, moet worden toegepast.
17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op zichzelf terecht vastgesteld dat het door eisers voorgestane projectbesluit ten behoeve van de vergroting van de bouwvlakken op de projectlocaties in strijd is met artikel 3.3.4, eerste lid onder d, van de Verordening en dat verlening van de bouwvergunningen op basis van een dergelijk projectbesluit in strijd is met artikel 3.3.4, derde lid, van de Verordening en daarmee tevens met artikel 44, eerste lid aanhef en onder f, van de Woningwet.
18. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder deze weigeringsgrond niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, omdat de Verordening in strijd is met de Rcw en dus onverbindend is. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
19. In het reconstructieplan is ten aanzien van intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden de beleidsuitspraak vastgelegd dat in verwevingsgebieden uitbreiding tot maximaal 2,5 hectare is toegestaan op een duurzame locatie, voor zover nodig, gezien de beoogde bedrijfsomvang en -opzet (Bouwblok op Maat). Deze beleidsuitspraak heeft geen rechtstreekse werking als bedoeld in artikel 27 van Pro de Rcw. Verweerder dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met deze beleidsuitspraak.
20. Artikel 3.3.4 van de Verordening, bezien in samenhang met de ontheffingsmogelijkheid ten behoeve van uitbreidingen van bouwblokken in verwevingsgebieden van artikel 3.3.6 van de Verordening, wijkt naar het oordeel van de rechtbank af van de hierboven genoemde beleidsuitspraak in het reconstructieplan. In het reconstructieplan wordt immers niet de eis gesteld dat sprake moet zijn van een lopende zaak. Evenmin wordt in het reconstructieplan de eis gesteld dat uitbreiding van bouwblokken in verwevingsgebieden slechts kan plaatsvinden, indien sprake is van een verplaatsing van een intensieve veehouderij.
21. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het mogelijk is om door middel van een provinciale verordening af te wijken van een geldend reconstructieplan. Deze afwijking heeft in materieel opzicht dezelfde gevolgen als een wijziging van het reconstructieplan. Deze vraag is eerder aan de orde geweest in de uitspraak van deze rechtbank van 1 december 2011, LJN: BU6561, met dien verstande dat deze uitspraak betrekking had op de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011. De rechtbank acht van doorslaggevend belang dat bij de totstandkoming van de thans aan de orde zijnde Verordening, zoals ook het geval is bij de totstandkoming van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011, niet die waarborgen in acht zijn genomen waarmee de totstandkoming en wijziging van reconstructieplannen in de Rcw zijn omkleed. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt dit zich niet met de Rcw. Daarom is de Verordening in strijd met de Rcw. Om deze reden is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van 1 december 2011, in het bijzonder rechtsoverweging 20 tot en met 27 van deze uitspraak, van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit de Verordening buiten toepassing had dienen te laten.
22. In hetgeen ter zitting in reactie op voornoemde uitspraak van 1 december 2011 door verweerder is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
23. Anders dan verweerder heeft bepleit, is de status van het reconstructieplan bij de inwerkingtreding van de Wro niet gewijzigd. Dit volgt niet uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Wro. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 22 en 25 van de uitspraak van 1 december 2011.
24. Verweerders verwijzing naar rechtsoverweging 2.10 van de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011, LJN: BU7097, berust op de onjuiste veronderstelling van verweerder dat de rechtbank in de uitspraak van 1 december 2011 de Verordening buiten toepassing heeft gelaten wegens strijd met het daar geldende reconstructieplan. Het is niet het reconstructieplan, maar de Rcw waarmee de rechtbank de Verordening in strijd acht. De rechtbank acht de Verordening immers in strijd met de uit de Rcw voortvloeiende waarborgen terzake van de totstandkoming en wijziging van reconstructieplannen. Verweerders verwijzing naar rechtsoverweging 2.12 van de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011, LJN: BU7097 wordt door de rechtbank evenmin gevolgd. De Afdeling heeft in deze rechtsoverweging geoordeeld dat sprake was van strijd met het in paragraaf 11.6.1, onder b, van het reconstructieplan opgenomen beleid, terwijl verweerder in het bestreden besluit niet heeft gesteld dat de door eisers voorgestane uitbreidingen in strijd zijn met de beleidsuitspraken van het reconstructieplan.
25. Verweerder heeft ook gewezen op de mogelijkheid om bij de vaststelling van een bestemmingsplan af te wijken van in het reconstructieplan geformuleerde beleidsuitgangspunten. Uit de rechtspraak van de Afdeling, zie de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2012, LJN: BU7074, volgt dat een gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan slechts rekening dient te houden met niet rechtstreeks doorwerkende beleidsuitspraken in het reconstructieplan. Naar het oordeel van de rechtbank is dit van een andere orde dan de zich in de huidige zaak voordoende impliciete wijziging van het reconstructieplan door middel van een provinciale Verordening. Allereerst is de bestemmingsplanprocedure met meer rechtswaarborgen omkleed dan de totstandkoming van de provinciale verordening. Bovendien strekt de werking van de, door provinciale staten vastgestelde Verordening zich uit over de gehele provincie en is de werking van een, door de gemeenteraad vastgesteld,bestemmingsplan slechts beperkt tot het betreffende plangebied binnen een gemeente. Daarmee is de werking van de Verordening meer verdergaand dan de werking van een bestemmingsplan. Verweerders verwijzing leidt daarom niet tot een ander oordeel.
26. Verweerder heeft eerst ter zitting het standpunt ingenomen dat eisers geen rechten kunnen ontlenen aan het reconstructieplan, omdat geen sprake zou zijn van een duurzame locatie als bedoeld in het reconstructieplan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011, LJN: BR6907 inzake het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied”. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Daargelaten dat de aangehaalde uitspraak dateert van na het bestreden besluit en dat verweerder in de betreffende procedure heeft verdedigd dat wel sprake was van een duurzame locatie, heeft de Afdeling in de genoemde uitspraak slechts geoordeeld dat het onderzoek naar de gevolgen voor de nabijgelegen Natura 2000 gebieden onvolledig is. Naar het oordeel van de rechtbank valt op basis van de uitspraak van de Afdeling niet uit te sluiten dat sprake kan zijn van een duurzame locatie als bedoeld in het reconstructieplan.
27. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat artikel 3.3.4 van de Verordening, in samenhang met de in artikel 3.3.6 van de Verordening geboden ontheffingsmogelijkheid verbindende kracht missen wegens strijd met de Rcw. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend bij het nemen van het bestreden besluit. Verweerder heeft de strijd met de Verordening daarom niet ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit op bezwaar.
28. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd, hetgeen zich niet verdraagt met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op dit oordeel kan in het midden blijven of, zoals eisers hebben gesteld, er sprake is van een verplaatsing.
29. Ten aanzien van verweerders tweede grond om het voor verlening van de bouwvergunningen benodigde projectbesluit te weigeren, te weten de gewijzigde gemeentelijke ruimtelijke inzichten, overweegt de rechtbank het volgende.
30. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het gebruik van de bevoegdheid om al dan niet een projectbesluit te nemen, beleidsvrijheid heeft. Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, LJN: BQ1051, dient de rechtbank zich te beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.
31. De wijziging van de gemeentelijke ruimtelijke inzichten komt tot uitdrukking in het voorbereidingsbesluit van 19 januari 2010 voor de projectlocaties, waarnaar wordt verwezen in het bestreden besluit. In het voorbereidingsbesluit wordt overwogen dat na de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied” discussie is ontstaan over het beleid in dit bestemmingsplan. De bouwblokken op de projectlocaties in het bestemmingsplan “Buitengebied” zijn de enige bouwblokken in verweerders gemeente die rechtstreekse uitbreidingsmogelijkheden boven de 1,5 hectare bieden. De gemeenteraad wenst deze uitbreidingsmogelijkheden niet langer in stand te houden, omdat er nog te weinig bekend is over de gezondheidseffecten bij grootschalige varkenshouderijen en dat een maatschappelijk en politiek debat over de wenselijkheid en oprichting van grotere intensieve veehouderijen gaande is.
32. De rechtbank stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, in het bijzonder het argument van eisers dat het reconstructieplan voor een belangrijk deel leidend is geweest bij de totstandkoming van het bestemmingsplan, vast dat het beleid van het bestemmingsplan “Buitengebied” ten aanzien van de projectlocaties niet afwijkt van de in rechtsoverweging 19 genoemde beleidsuitspraak in het reconstructieplan.
33. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de gemeentelijke ruimtelijke inzichten buiten beschouwing moeten blijven omdat de Verordening verbindende kracht mist. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet gebonden door de, in rechtsoverweging 19 genoemde beleidsuitspraak in het reconstructieplan. Wel dient verweerder hiermee rekening te houden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 7 december 2012, LJN BU7074, rechtsoverweging 2.7, die naar het oordeel van de rechtbank tevens van toepassing is op het nemen van gemeentelijke projectbesluiten. In het voorbereidingsbesluit is de bewuste keuze gemaakt om het beleid in het bestemmingsplan “Buitengebied”, dat voorzag in bouwblokken van meer dan 1,5 hectare te herzien. Met de verwijzing naar het voorbereidingsbesluit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aldus voldoende rekening gehouden met de beleidsuitspraak in het reconstructieplan. Van strijd met de Rcw is ten aanzien van deze weigeringsgrond derhalve geen sprake.
34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de onduidelijkheid over de gezondheidseffecten bij grootschalige varkenshouderijen en het maatschappelijke en politieke debat over de wenselijkheid en oprichting van grotere intensieve veehouderijen voldoende argumenten opleveren om van het nemen van een projectbesluit af te zien. Dat nadien geen inventarisatie is gemaakt van de maatschappelijke bezwaren tegen grootschalige intensieve veehouderijen binnen verweerders gemeente, leidt niet tot een ander oordeel.
35. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen projectbesluit te nemen en daarom in bezwaar de weigering van de bouwaanvragen heeft kunnen handhaven op de grond dat er sprake is van gewijzigde gemeentelijke ruimtelijke inzichten.
36. Zoals uit het vorenoverwogene blijkt is de rechtbank van oordeel dat de Verordening verbindende kracht mist en dat het bestreden besluit op bezwaar voor wat betreft de eerste, door verweerder gehanteerde weigeringsgrond inhoudend dat sprake is van strijd met de Verordening, onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit op bezwaar echter niet wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb vernietigen. Immers, de door verweerder gehanteerde tweede weigeringsgrond, inhoudend dat er sprake is van gewijzigde gemeentelijke ruimtelijke inzichten, kan de rechterlijke toetsing wel doorstaan, zodat het bestreden besluit op bezwaar in rechte stand kan houden. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard.
37. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
38. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als voorzitter en mr. E.H.B.M. Potters en mr. C.A.F. van Ginneken als leden in tegenwoordigheid van mr. J.F.M. Emons als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2012.
<HR>
<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>
Afschriften verzonden: