ECLI:NL:RBSHE:2007:BA2126
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Nietigheid en uitleg van non-concurrentiebeding in koopovereenkomst wegens mededingingswet
In deze zaak staat centraal de geldigheid van een non-concurrentiebeding opgenomen in een koopovereenkomst tussen Heijmans en de voormalige aandeelhouder [gedaagde]. Het beding verbiedt [gedaagde] gedurende vijf jaar na beëindiging van zijn dienstverband concurrerende activiteiten te verrichten. Heijmans vordert onder meer betaling van boetes wegens overtreding van dit beding en een verbod op concurrerende activiteiten.
[gedaagde] betwist de geldigheid van het beding en stelt dat het in strijd is met artikel 6 Mededingingswet Pro, waardoor het nietig zou zijn. De rechtbank onderzoekt of het beding een 'overeenkomst tussen ondernemingen' vormt die de mededinging merkbaar beperkt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een 'strekkingsbeding' en een 'gevolgbeding'.
De rechtbank oordeelt dat het beding een legitiem doel dient, namelijk het beschermen van de goodwill en bedrijfsdebiet van de overgenomen vennootschappen, maar dat de beschermingstermijn van vijf jaar niet proportioneel is en een termijn van twee jaar redelijkerwijs voldoende zou zijn. De merkbaarheid van het beding op de markt is echter nog onvoldoende vastgesteld, zodat de procedure wordt voortgezet met een comparitie om nadere informatie te verkrijgen.
Daarnaast wordt vastgesteld dat het beding een verbintenisrechtelijk beding is, niet een arbeidsrechtelijk concurrentiebeding, en dat [gedaagde] als ondernemer persoonlijk aan het beding is gebonden. De rechtbank wijst erop dat conversie van het beding niet mogelijk is vanwege het beschermingsdoel van de Mededingingswet. Het vonnis staat open voor tussentijds hoger beroep.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en gelast een comparitie om de merkbaarheid van het non-concurrentiebeding nader te onderzoeken.