ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2973
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- D. Allewijn
- E. Weiss
- J.J. van der Helm
- Rechtspraak.nl
Afwijzing civiele vordering wegens onrechtmatige vervolging na vrijspraak op oplichting
De zaak betreft een civiele vordering van [eiser sub 1] en aanverwante vennootschappen tegen de Staat, waarin zij schadevergoeding eisen wegens de strafrechtelijke vervolging van [eiser sub 1] op verdenking van oplichting. [eiser sub 1] was als register-accountant en bestuurder betrokken bij diverse vennootschappen en werd in 2006 door de strafrechter vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
De vordering baseert zich op het standpunt dat de vervolging onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond en omdat uit het strafdossier zou blijken dat [eiser sub 1] onschuldig is (het 'gebleken onschuldcriterium'). Tevens wordt gesteld dat de vervolging de zakelijke en maatschappelijke positie van [eiser sub 1] ernstig heeft geschaad.
De rechtbank oordeelt dat de Staat slechts aansprakelijk kan zijn indien het optreden van politie of justitie in strijd was met publiekrechtelijke normen of indien uit het strafdossier onschuld blijkt. De rechter-commissaris had machtigingen verleend voor het onderzoek, wat duidt op een redelijk vermoeden van schuld. Er is geen bewijs dat de vervolging onrechtmatig is voortgezet. Voorts is niet gebleken dat uit het strafdossier de onschuld van [eiser sub 1] volgt. De civiele vordering wordt daarom afgewezen en [eisers c.s.] worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De civiele vordering wegens onrechtmatige vervolging wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.