ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8269
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Geen belang bij beroep asiel bij gelijktijdige ongewenstverklaring vreemdeling
Eiser, een Afghaanse vreemdeling, werd op 10 mei 2007 tot ongewenst vreemdeling verklaard en zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen. Hij maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening tegen uitzetting. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek tot voorlopige voorziening.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) een vreemdeling die tot ongewenst vreemdeling is verklaard geen belang heeft bij een beroep tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning, omdat dit beroep niet kan leiden tot rechtmatig verblijf zolang de ongewenstverklaring blijft bestaan. Ook de opschorting van de ongewenstverklaring door een voorlopige voorziening leidt niet tot rechtmatig verblijf.
Eiser stelde dat het beroep asiel wel degelijk belang heeft, onder meer vanwege de bescherming tegen uitzetting op grond van artikel 3 EVRM Pro en tegenstrijdige jurisprudentie over de toetsingsvolgorde van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank verwierp deze stellingen en bevestigde dat het beroep niet-ontvankelijk is. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen omdat de rechtbank op hetzelfde moment op het beroep besliste.
De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage op 31 mei 2008. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.