ECLI:NL:RVS:2006:AZ9627
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling geen belang bij beroep tegen afwijzing verlenging verblijfsvergunning wegens ongewenstverklaring
De zaak betreft een vreemdeling die een aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd had ingediend, welke door de minister werd afgewezen. Vervolgens werd de vreemdeling ongewenst verklaard bij besluit van 3 februari 2005. De vreemdeling maakte bezwaar tegen beide besluiten, welke door de minister ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de minister werd opgedragen opnieuw te beslissen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog ambtshalve dat een vreemdeling die ongewenst is verklaard geen belang heeft bij een beroep tegen een besluit tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning zolang de ongewenstverklaring voortduurt, omdat dit beroep niet kan leiden tot rechtmatig verblijf.
De rechtbank had ten onrechte het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard, ondanks dat de vreemdeling geen belang had bij het beroep. De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verlenging verblijfsvergunning niet-ontvankelijk. De zaak werd voor het overige terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 22 december 2006 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag verlenging verblijfsvergunning werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.