ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7013

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/90883
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 Vw 2000Art. 6:6 AwbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000 paragraaf C3/10.13
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij aanvraag verblijfsvergunning asiel

Eiser, een Afghaanse nationaliteit, diende op 10 juli 2001 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat eiser sinds april 2002 niet meer aan zijn meldplicht voldeed en vermoedelijk met onbekende bestemming was vertrokken.

De gemachtigde van eiser had al geruime tijd geen contact meer met eiser, wat door verweerder werd aangevoerd als reden voor het ontbreken van een rechtens te beschermen belang bij de beoordeling van het bestreden besluit. Eiser stelde dat het niet voldoen aan de meldplicht en het ontbreken van contact met zijn gemachtigde niet automatisch betekende dat hij geen prijs stelde op bescherming.

De rechtbank oordeelde dat de gemachtigde wel bevoegd was om namens eiser beroep in te stellen, maar dat het ontbreken van contact en het vertrek van eiser met onbekende bestemming betekende dat hij kennelijk geen prijs stelde op de aanvankelijk gezochte bescherming. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een rechtens te beschermen belang.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Zitting houdende te Zutphen
Registratienummer: Awb 02/90883
Datum uitspraak: 16 november 2004
UITSPRAAK
op het beroep in het geschil tussen:
A
geboren op [...] 1986,
van Afghaanse nationaliteit,
eiser,
gemachtigde: mr. M.J. Verwers, advocaat te Wageningen,
en
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
verweerder,
gemachtigde: mr. R. Jonkman, werkzaam bij de IND.
1. Procesverloop
Op 10 juli 2001 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning
asiel voor bepaalde tijd gedaan.
Bij besluit van 6 november 2002 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Bij brief van 4 december 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is behandeld ter zitting van 11 november 2004, waar de gemachtigde van eiser is verschenen, evenals de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet verschenen.
2. Motivering
2.1 Sinds 8 april 2002 heeft eiser niet meer aan zijn wekelijkse meldplicht voldaan, zo blijkt uit een op 6 mei 2002 door de Korpschef van de Regiopolitie IJsselland opgemaakt formulier model M 100. Verweerder heeft uit deze informatie opgemaakt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en op grond daarvan, gelet op het bepaalde in paragraaf C3/10.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.
2.2 De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 23 augustus 2004 desgevraagd laten weten reeds enige tijd geen contact meer te hebben met eiser. Ter zitting heeft de gemachtigde nader verklaard dat hij ten tijde van de ontvangst van het bestreden besluit al geen contact meer met eiser had en dat het contact sindsdien niet hersteld is.
2.3 Verweerder vraagt zich allereerst af, of de gemachtigde van eiser gerechtigd is namens eiser beroep in te stellen, nu de gemachtigde heeft aangegeven al lange tijd geen contact meer met zijn cliënt te hebben. Verweerder is, mede gezien de kosten van een procedure, van mening dat sprake is van misbruik van procesrecht en verzoekt de gemachtigde van eiser te veroordelen in de kosten van het geding. Verweerder stelt zich voorts, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), op het standpunt dat eiser door zijn handelswijze geen rechtens te beschermen (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden beschikking.
2.4 De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij bij aanvang van zijn werkzaamheden voor een cliënt steeds met de cliënt afspreekt dat hij deze zal bijstaan tijdens de hele procedure, totdat een onherroepelijke beslissing gegeven is. Slechts indien de cliënt hem van deze afspraak ontslaat acht de gemachtigde zich vrij een procedure te stoppen. Ook als het contact met een cliënt verbroken is, acht de gemachtigde zich verplicht de belangen van zijn cliënt te blijven behartigen en eventuele termijnen niet onbenut te laten verstrijken. Immers, wanneer het contact weer hersteld wordt, hetgeen in de praktijk toch geregeld voorkomt, kan en mag de cliënt verwachten dat de gemachtigde op deze wijze voor zijn belangen is opgekomen.
Ten aanzien van het procesbelang beroept eiser zich op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 22 augustus 2003 (LJN-nummer: AL8292), waarin is geoordeeld dat het niet meer voldoen aan de meldplicht niet voldoende is voor de conclusie dat een vreemdeling er geen prijs meer op stelt in Nederland te worden toegelaten. In de Vreemdelingenwet noch in het Vreemdelingenbesluit is deze meldplicht geformuleerd als voorwaarde voor een ontvankelijk beroep. Voorts was de rechtbank in voornoemde uitspraak van oordeel dat ook de omstandigheid dat de gemachtigde van de vreemdeling geen contact meer had met de vreemdeling niet tot het oordeel leidt dat daaruit onmiskenbaar blijkt dat geen prijs meer wordt gesteld op een inhoudelijk beroep. Eiser is derhalve van mening dat hij wel degelijk procesbelang heeft.
Onder verwijzing de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 27 januari 2004 (LJN-nummer: AO6667) stelt eiser zich voorts op het standpunt dat het systeem van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met zich brengt dat de onderhavige aanvraag niet buiten behandeling had kunnen worden gesteld.
2.5 De rechtbank is allereerst met eisers gemachtigde van oordeel dat hij bepaaldelijk gevolmachtigd is namens eiser beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. De rechtbank acht hiertoe redengevend dat, zoals eisers gemachtigde ter zitting heeft toegelicht, het hem ingevolge zijn (brede) machtiging niet vrij staat af te wijken van afspraken met zijn cliënten, tenzij zij dit zelf expliciet aangeven. Gezien het vorenoverwogene is geen sprake van misbruik van procesrecht.
2.6 Verweerder wordt echter gevolgd in het standpunt dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden beschikking. Op grond van verweerders mededeling dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en op grond van de omstandigheid dat eiser het contact met zijn gemachtigde heeft verbroken is de rechtbank van oordeel het ervoor moet worden gehouden dat eiser kennelijk geen prijs stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande en derhalve geen belang meer heeft bij een rechterlijke beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank verwijst hiertoe naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder andere de uitspraak van 10 december 2003 (JV 2004, 64). De door eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amsterdam respectievelijk Zutphen, maken dit niet anders. De rechtbank merkt daarbij op dat de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003 het hoger beroep betreft van de aangehaalde uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam.
In de uitspraak van de zittingsplaats Zutphen zijn overigens de rechtsgevolgen van de beslissing in die zaak in stand gelaten, nu ook in die procedure is geoordeeld dat eiseres kennelijk geen prijs meer stelde op de aanvankelijk gezochte bescherming.
2.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eisers beroep niet-ontvankelijk is. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2004 in tegenwoordigheid van mr. R.M. Teekens als griffier.
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw Pro 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb is niet van toepassing.
Afschrift verzonden op: 23 november 2004