ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9432
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.W.M. van Hoof
- C. Lely - van Goch
- J.J. Catsburg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning wegens ontbreken vluchtelingenstatus en vestigingsalternatief Noord-Irak
Eiser, een Iraakse Arabisch-Shi’itische man afkomstig uit Bagdad, verzocht om vluchtelingenstatus en een verblijfsvergunning wegens klemmende humanitaire redenen. Hij stelde vervolging te vrezen vanwege zijn activiteiten voor de Al-Dawa partij en mishandeling door de Ba’ath-partij. Verweerder wees de aanvraag af vanwege twijfels over de geloofwaardigheid van zijn relaas en het bestaan van een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Zijn verklaringen over zijn politieke activiteiten en ontsnapping worden als ongeloofwaardig beoordeeld. Ook is geen sprake van een schending van artikel 3 EVRM Pro. Het beleid van verweerder dat Noord-Irak als vestigingsalternatief geldt, wordt niet als kennelijk onredelijk beschouwd.
De rechtbank volgt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het oordeel dat ontheemden uit Centraal-Irak, ook zonder familie- of politieke banden in Noord-Irak, daar een menswaardig bestaan kunnen leiden. Het ontbreken van banden is wel een factor van gewicht, maar de bewijslast ligt bij de vreemdeling. Omdat eiser geen concrete omstandigheden heeft aangevoerd die een humanitaire noodsituatie in Noord-Irak rechtvaardigen, wordt zijn beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning wordt geweigerd wegens ontbreken vluchtelingenstatus en vestigingsalternatief Noord-Irak.