ECLI:NL:RBROT:2026:8259

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/1875
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 6.1 WhtArt. 8:72, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing hardheidsclausule bij te late aanvraag compensatie Wet Herstel Toeslagen

Eiseres diende een aanvraag in voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (Wht), die door de Dienst Toeslagen werd afgewezen wegens te late indiening. De rechtbank beoordeelde dat de aanvraagtermijn van 1 januari 2024 dwingend was, maar dat de hardheidsclausule afwijking toestaat bij onbillijkheid van overwegende aard.

De rechtbank stelde vast dat eiseres vanaf mei 2023 ziekgemeld was met een burn-out en pas in augustus 2024 hersteld was, waardoor zij redelijkerwijs niet in staat was tijdig de aanvraag in te dienen. Ook was de deadline pas eind 2022 ingevoerd, waardoor eiseres niet eerder op de hoogte kon zijn. De termijnoverschrijding van negen maanden werd gecompenseerd door de bijzondere omstandigheden.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit, en bepaalde dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken een inhoudelijke beslissing moet nemen. Tevens werd de Dienst Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de compensatieaanvraag wegens te late indiening en beveelt inhoudelijke behandeling binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1875
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. van Baaren),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (hierna: Wht).
1.1.
De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag met het besluit van 30 oktober 2024 zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen, omdat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend.
1.2.
Met het bestreden besluit van 3 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat het bestreden besluit bekend is gemaakt op 16 januari 2025 en dat tussen partijen niet in geschil is dat het beroep van eiseres tijdig is ingesteld. De rechtbank zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
3. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen op de grond dat deze te laat is ingediend.
4. Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. [1] Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanvraagtermijn te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.
5. Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. [2] Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [3] Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, is een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [4]
6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het geval van eiseres bijzondere omstandigheden die afwijking van de aanvraagtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De rechtbank zal dit toelichten.
7. Op basis van wat eiseres naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag door persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende met stukken onderbouwd dat zij zich vanaf 15 mei 2023 heeft ziekgemeld met een burn-out en dat zij in augustus 2024 weer beter is gemeld. Uit de medische gegevens blijkt dat bij eiseres sprake was van een langdurige overbelasting, die uiteindelijk heeft geleid tot de ziekmelding op 15 mei 2023. Het is daarom aannemelijk dat zij voor haar daadwerkelijke ziekmelding op 15 mei 2023 ook last had van burn-outklachten. Dit wordt ondersteund door het feit dat zij haar taak bij de gemeente, waarin zij toeslagenouders bijstond, per december 2022 heeft neergelegd en zich afsloot voor alles wat met de toeslagenaffaire te maken had. Uit de medische stukken blijkt verder dat zij gedurende haar herstel ook nog een terugval heeft gehad als gevolg van familiaire problemen. Eiseres heeft, naar het oordeel van de rechtbank, voorts terecht naar voren gebracht dat in de periode waarin zij bij de gemeente haar taak uitvoerde er nog geen sprake was van een deadline voor het indienen van een aanvraag voor compensatie op grond van de Wht. De deadline van 1 januari 2024 is immers pas ingevoerd op 2 november 2022. In die periode kon zij daarom ook niet op de hoogte zijn van de wettelijke termijn. Logisch gevolg van de invoering van de deadline van 1 januari 2024 eind 2022, is dat overwegend in 2023 meer (media)aandacht is gekomen voor deze deadline. De verklaring van eiseres dat zij in haar functie bij de gemeente in 2021 en 2022 zich vooral met hele heftige gevallen bezighield en daarom niet direct begreep dat de compensatieregeling mogelijk ook voor haar zou kunnen gelden, acht de rechtbank eveneens aannemelijk. Hier komt bij dat, zoals ter zitting is besproken, de Dienst Toeslagen met name beoordeelt of in het jaar 2023 sprake is van omstandigheden die een geldige reden zijn voor de te late aanmelding. Nadat eiseres in augustus 2024 was hersteld en weer aan het werk is gegaan, heeft zij op 4 september 2024 de aanvraag tot herbeoordeling ingediend. Eiseres heeft toegelicht dat zij in augustus/september 2024 na contact met collega’s zich realiseerde dat zij mogelijk ook gedupeerde was van de toeslagenaffaire. De stelling van de Dienst Toeslagen dat de aanvraag laagdrempelig is en dat zij hulp van derden kon inschakelen volgt de rechtbank, gelet op het hiervoor overwogene, niet.
8. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het niet aanvaardbaar dat het eiseres wordt tegengeworpen dat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend. Aan de Dienst Toeslagen kan worden toegegeven dat de termijnoverschrijding relatief lang is (9 maanden). Dit brengt echter tegenover het hiervoor vermelde niet mee dat de termijnoverschrijding in het geval van eiseres niet verschoonbaar is. Eiseres heeft voldoende onderbouwd dat zij tot september 2024 vanwege haar burn-out niet in staat was om een aanvraag voor compensatie in te dienen. Bovendien heeft eiseres binnen een maand na haar betermelding de aanvraag ingediend. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Dienst Toeslagen met toepassing van de hardheidsclausule had moeten afwijken van de uiterlijke aanvraagdatum van 1 januari 2024.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De Dienst Toeslagen heeft ten onrechte de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat zij deze te laat heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank moet de Dienst Toeslagen alsnog een besluit nemen op de aanvraag van eiseres. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het primaire besluit.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de Dienst Toeslagen de aanvraag inhoudelijk moet behandelen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor zes weken.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1). Van kosten in bezwaar die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken, omdat eiseres in bezwaar niet werd bijgestaan door een professionele gemachtigde.
12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 januari 2025;
- herroept het primaire besluit van 30 oktober 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen op de aanvraag van eiseres;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Vernee, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
2.Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023, kenmerk [kenmerknummer] , pagina 3.
3.Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
4.Vergelijk de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15271 en ECLI:NL:RBROT:2025:15272.