ECLI:NL:RBROT:2025:15272

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/11068
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en toepassing van de hardheidsclausule

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 16 december 2025, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) behandeld. Eiseres had haar aanvraag te laat ingediend, wat door de Dienst Toeslagen als reden voor afwijzing werd aangevoerd. Eiseres betoogde echter dat er bijzondere omstandigheden waren die een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen ten onrechte de aanvraag had afgewezen. De rechtbank erkende dat eiseres door persoonlijke omstandigheden, waaronder het overlijden van haar echtgenoot en moeder, langdurig had gekampt met depressieve klachten, wat haar vermogen om tijdig een aanvraag in te dienen had beïnvloed. De rechtbank vernietigde het besluit van de Dienst Toeslagen en bepaalde dat deze binnen zes weken een inhoudelijke beslissing op de aanvraag van eiseres moest nemen. Tevens werd de Dienst Toeslagen veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11068

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam 1] en [naam 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) omdat zij deze te laat heeft ingediend. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor zij niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 22 mei 2024 een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag zonder inhoudelijke beoordeling met het besluit van 23 juli 2024 afgewezen omdat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend.
2.1.
Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
Eiseres heeft bij brief van 19 augustus 2025 haar gronden nader onderbouwd en daarbij twee stukken ingediend. De Dienst Toeslagen heeft hierop in een aanvullend verweerschrift van 16 september 2025 gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de zoon van eiseres, een vervanger van de gemachtigde van eiseres (mr. L. Hofman) en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Overwegingen van de rechtbank

Het standpunt van de Dienst Toeslagen
3. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres zich op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht tot 2 januari 2024 heeft kunnen aanmelden voor een herbeoordeling. Eiseres heeft zich pas op 22 mei 2024 aangemeld bij de Dienst Toeslagen. Dat is te laat. De Dienst Toeslagen heeft zich ingezet om alle mogelijk gedupeerden op de hoogte te brengen van de hersteloperatie en de aanmeldtermijn daarvoor (via televisie, krant, sociale media en de website). Er is geen sprake van een bijzondere situatie die maakt dat eiseres zich niet in 2023 heeft kunnen aanmelden.
3.1.
De Dienst Toeslagen past de hardheidsclausule toe als sprake is van een schrijnende situatie waardoor de aanvraag niet binnen de aanvraagperiode kon worden ingediend. Dit moet blijken uit omstandigheden in het jaar voorafgaand aan de uiterlijke aanvraagdatum. Bij de beoordeling van die omstandigheden sluit de Dienst Toeslagen aan bij vier uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar en beroep. [1] De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat in het geval van eiseres niet is gebleken dat er in 2023 sprake was van een tijdelijke beperking van het doen-vermogen of een zodanige ontwrichting van haar leven dat een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding slaagt. Eiseres stelt een depressie te hebben gehad, maar niet is gebleken dat dit door een arts of een deskundige is vastgesteld en ook is niet gebleken dat eiseres hiervoor in 2023 is behandeld of medicatie heeft gekregen. Eiseres heeft ook gewerkt in die tijd. De Dienst Toeslagen erkent dat het overlijden van eiseres’ echtgenoot en moeder een grote impact op eiseres heeft gehad, maar ziet niet dat eiseres zich in deze omstandigheden niet tijdig heeft kunnen aanmelden. Dat eiseres stress en financiële problemen heeft ondervonden, kan evenmin als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij betoogt dat de Dienst Toeslagen de termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten. In de eerste plaats zijn bij het besluit geen belangen van derden gemoeid. Daarnaast is er sprake van bijzondere omstandigheden: eiseres had geen rechtsbijstand, heeft geen opleiding genoten en is niet zelfredzaam met haar administratie. Eiseres is in 2014 haar echtgenoot en in 2017 haar zus verloren. In 2019 is bovendien haar moeder overleden. Er was sprake van schulden (onder meer aan de Belastingdienst) en na het verlies van haar echtgenoot zijn depressieve klachten ontstaan. Voor de depressieve klachten heeft zij jarenlang periodiek gesprekken gehad met de (praktijkondersteuner van de) huisarts. Ook haar zoon kampt met psychische klachten, waarvoor hij in 2023 een behandeling is gestart. Mede in verband met de schulden is eiseres in 2021 naar Suriname gegaan om tot rust te komen. In september 2023 is zij weer teruggekomen naar Nederland. Vanaf dat moment heeft zij veel (over)gewerkt om haar schulden af te kunnen betalen. Door deze omstandigheden was zij in de periode voorafgaand aan het verstrijken van de aanvraagtermijn niet in staat een aanvraag te doen.
4.1.
Verder voert eiseres aan dat zij niet op de hoogte was van de ontwikkelingen binnen de hersteloperatie. Omdat zij tussen 2021 en 2023 in Suriname heeft gewoond, heeft zij in die periode geen nieuws over de toeslagenaffaire meegekregen. Toen zij weer in Nederland was, werd zij er door haar omgeving op gewezen dat zij tot de groep gedupeerden zou kunnen behoren. Zij was in de veronderstelling dat zij automatisch zou worden aangemeld, omdat gedupeerden uit haar omgeving actief waren benaderd door de Dienst Toeslagen. Zodra zij wist dat zij zelf een aanvraag moest doen, heeft zij contact opgenomen met de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen op de grond dat deze te laat is ingediend.
5.1.
Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. [2] Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanvraagtermijn te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. [3] Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.
5.2.
Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. [4] Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [5]
5.3.
Met de Dienst Toeslagen acht de rechtbank voor de toepassing van de hardheidsclausule mede de in 3.1 genoemde uitspraken van het CBb van 30 januari 2024 van belang. Uit deze uitspraken volgt dat er bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de betrokken aanvrager betreffen. Daarbij valt te denken aan persoonlijke omstandigheden, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval, en aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de aanvrager zorgen. Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, acht de rechtbank een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5.4.
Op de zitting is gebleken dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule in de praktijk niet zeer terughoudend toepast. De Dienst Toeslagen heeft verklaard dat er 3280 aanvragen te laat zijn ingediend, waarvan er 1000 alsnog in behandeling zijn genomen. Tegen de aanvragen die niet in behandeling zijn genomen is in 590 gevallen bezwaar gemaakt. Van deze bezwaren zijn er 177 gegrond verklaard. In bijna 40 procent van de aanvragen die te laat zijn ingediend, is aangenomen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Het ging daarbij om situaties waarin aanvragers in 2023 te maken hadden met een opname in het ziekenhuis, een ingrijpende operatie, dementie, een bewindvoerder die had nagelaten de aanvraag te doen of een toeslagpartner die binnen de aanvraagtermijn een aanvraag heeft gedaan.
5.5.
De Dienst Toeslagen heeft zich op zichzelf terecht op het standpunt gesteld dat de toeslagenaffaire veel in het nieuws is geweest en dat de mogelijkheid om op grond van de Wht compensatie aan te vragen veelvuldig en op verschillende manieren onder de aandacht van burgers is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het geval van eiseres echter bijzondere omstandigheden die afwijking van de aanvraag van de aanvraagtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Op basis van wat eiseres naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag door persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat eiseres, mede wegens het overlijden van haar echtgenoot in 2014, haar zus in 2017 en haar moeder in 2019, langdurig heeft gekampt met depressieve klachten. Weliswaar heeft eiseres geen informatie over behandeling bij een medisch specialist overgelegd, maar eiseres heeft haar stelling dat zij jarenlang periodiek gesprekken heeft gehad met de huisarts onderbouwd met een schermafbeelding van haar afspraken bij de huisartsenpraktijk. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het in haar cultuur niet gebruikelijk en taboe is over psychische problemen te praten en dat zij enkel heeft willen praten met de huisarts, die zij al jaren kent. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat ook eiseres’ schulden een rol hebben gespeeld bij haar depressieve klachten. Ook de stelling van eiseres dat zij in 2021 naar Suriname is vertrokken en pas in september 2023 weer is teruggekeerd naar Nederland, ondanks het feit dat zij zich, zoals verweerder ter zitting in reactie op de toelichting van eiseres heeft gesteld, niet heeft laten uitschrijven uit de basisregistratie persoonsgegevens, acht de rechtbank voldoende aannemelijk. Evenals de omstandigheden dat de schulden na haar terugkeer nog steeds bestonden en eiseres met twee banen heeft geprobeerd haar schulden zoveel mogelijk af te lossen. Over de zorgen om de gezondheidssituatie van haar zoon heeft eiseres informatie in de vorm van een behandelplan overgelegd.
5.6.
De rechtbank acht het voorstelbaar dat eiseres door al deze omstandigheden geen ruimte voelde om zich tijdig te verdiepen in de hersteloperatie. De rechtbank kan de Dienst Toeslagen niet volgen in het standpunt dat, omdat financiële problemen van potentieel gedupeerde ouders zijn meenomen in de afweging van de wetgever bij het bepalen van de aanvraagtermijn, deze omstandigheid niet kan meewegen bij de beoordeling van de hardheidsclausule. In het geval van eiseres is aannemelijk dat financiële problemen er mede toe hebben geleid dat eiseres naar Suriname is verhuisd en dat zij bij terugkomst in Nederland, tegen het einde van de periode waarin het mogelijk was een aanvraag te doen, extra moest werken om haar schulden af te betalen. Anders dan de Dienst Toeslagen acht de rechtbank het aannemelijk dat eiseres, hoewel zij doorlopend werkte, door psychische problemen, in combinatie met haar schulden, in haar doen-vermogen werd beperkt. Van belang is verder dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de schulden mede zijn veroorzaakt door overheidshandelen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het niet aanvaardbaar dat eiseres wordt tegengeworpen dat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend. Aan de Dienst Toeslagen kan worden toegegeven dat de termijnoverschrijding relatief lang is (4,5 maand). Dit brengt echter tegenover het hiervoor vermelde niet mee dat de termijnoverschrijding in het geval van eiseres niet verschoonbaar is. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de Dienst Toeslagen met toepassing van de hardheidsclausule had moeten afwijken van de uiterlijke aanvraagdatum van 2 januari 2024.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De Dienst Toeslagen heeft ten onrechte de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat zij deze te laat heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank moet de Dienst Toeslagen alsnog een besluit nemen op de aanvraag van eiseres. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het besluit van 23 juli 2024.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de Dienst Toeslagen de aanvraag inhoudelijk moet behandelen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt en wegingsfactor 1). Van kosten in bezwaar die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken, omdat eiseres in bezwaar niet werd bijgestaan door een professionele gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het besluit van 23 juli 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen op de aanvraag van eiseres;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, voorzitter, en mr. S. Veling en mr. C.A. Hage, leden, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
De griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.
2.Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
3.Kamerstukken II 2023-2024, 31 066, nr. 1306 (Motie Temmink verzoekt de regering de aanmeldingsdeadline van 31 december 2023 te schrappen (31066-1306), verworpen bij Handelingen Tweede Kamer van 26 oktober 2023, nr. 18, item 80.
4.Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023, kenmerk 2023-0000266331, pagina 3.
5.Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.