ECLI:NL:RBROT:2026:7661

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/10/720305 / KG ZA 26-501
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 705 lid 2 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke opheffing conservatoir beslag en vrijgave depot na dwaling en ontbinding koopovereenkomst

DRVM ontwikkelingsmaatschappij heeft een appartement verkocht aan eisers, die het vervolgens doorverkochten aan een derde. De rechtbank vernietigde de koopovereenkomst tussen eisers en die derde wegens dwaling en ontbond de koopovereenkomst tussen DRVM en eisers wegens non-conformiteit. DRVM werd veroordeeld tot betaling van de koopsom en aanvullende schadevergoeding, welke zij heeft voldaan. DRVM is in hoger beroep gegaan tegen de schadevergoeding en legde conservatoir beslag op drie onroerende zaken van eisers en hield een bedrag van €120.000 in depot.

Eisers vorderden in kort geding opheffing van het beslag, een beslagverbod en vrijgave van het depot. De voorzieningenrechter oordeelde dat het beslag op de privéwoning van eisers op grond van belangenafweging moest worden opgeheven, omdat eisers een verhuiswens hadden en het belang van DRVM voldoende werd gewaarborgd door het beslag op de beleggingspanden te handhaven. Het gevorderde beslagverbod werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van misbruik van recht door DRVM.

Ten aanzien van het depot oordeelde de rechter dat DRVM de door haarzelf geformuleerde voorwaarden voor de depotstelling had geschonden door eisers niet tijdig te informeren over de definitieve schade, waardoor het depotbedrag aan eisers moest worden vrijgegeven. DRVM werd veroordeeld tot opheffing van het beslag op de privéwoning, vrijgave van het depot en betaling van proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het beslag op de privéwoning wordt opgeheven, het beslag op beleggingspanden gehandhaafd en het depotbedrag wordt vrijgegeven aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720305 / KG ZA 26-501
Vonnis in kort geding van 30 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],

woonplaats: [woonplaats],
eisende partijen,
advocaat: mr. M. Littooij,
tegen
DRVM ONTWIKKELING B.V.,
statutaire vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. Th.C. Visser.
Partijen worden hierna [eiser 1], [eiser 2] en DRVM genoemd. [eiser 1] en [eiser 2] worden samen [eisers] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
DRVM heeft een appartement verkocht aan [eisers] hebben dat appartement op hun beurt doorverkocht aan een derde. Deze rechtbank heeft de koopovereenkomst tussen [eisers] en die derde vernietigd op grond van dwaling, omdat is gebleken dat het appartement (een gemeentelijk monument) zonder de daartoe benodigde vergunningen was verbouwd. Daarnaast heeft deze rechtbank de koopovereenkomst tussen DRVM en [eisers] ontbonden wegens non-conformiteit. DRVM is daarbij veroordeeld om de koopsom voor het appartement (€ 750.000,00) en aanvullende schadevergoeding (€ 367.395,73) aan [eisers] te betalen. DRVM heeft deze bedragen aan [eisers] betaald. Het appartement is inmiddels weer eigendom van DRVM. DRVM is het oneens met de veroordeling tot betaling van de aanvullende schadevergoeding. Daarom is zij in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van deze rechtbank. Als zekerheid heeft DRVM – nadat zij daar verlof voor heeft gekregen – conservatoir beslag laten leggen op drie onroerende zaken van [eisers] Daarnaast staat een bedrag van € 120.000,00 van [eisers] in depot bij de notaris voor door DRVM gestelde gebreken en schade waarvoor [eisers] aansprakelijk zouden zijn. [eisers] vorderen – kort gezegd – dat DRVM onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om de beslagen op te heffen en het depot vrij te geven. Daarnaast vorderen [eisers] een beslagverbod. De voorzieningenrechter veroordeelt DRVM om de beslagen gedeeltelijk op te heffen en om het depot vrij te geven. Voor het overige worden de vorderingen van [eisers] afgewezen. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 5 juni 2026, met bijlagen 1 tot en met 14;
  • de bijlagen 1 tot en met 3 van DRVM;
  • de mondelinge behandeling op 22 juni 2026;
  • de pleitaantekeningen van mr. Littooij;
  • de spreekaantekeningen van mr. Visser.

3.De vorderingen

3.1.
[eisers] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I.
primairDRVM te veroordelen tot opheffing van de door haar ten laste van [eisers] gelegde conservatoire beslagen gelegd op:
a. het object gelegen aan de [adres 1], kadastraal bekend [perceel 1];
b. het object gelegen aan de [adres 1], kadastraal bekend [perceel 2];
c. het object gelegen aan de [adres 2], kadastraal bekend onder [perceel 3];
op straffe van verbeurte van een dwangsom door DRVM van € 1.000,00 per dag voor elke dag na de zevende kalenderdagen na betekening van het vonnis waarop niet integraal aan deze veroordeling zal zijn voldaan;
althans subsidiairDRVM te veroordelen tot opheffing van het beslag op het sub c. genoemde object [adres 2], op straffe van verbeurte van een dwangsom door DRVM van € 1.000,00 per dag voor elke dag na de zevende kalenderdagen na betekening van het vonnis waarop niet integraal aan deze veroordeling zal zijn voldaan;
II.
primairDRVM te veroordelen om binnen zeven kalenderdagen na betekening van het vonnis aan (het kantoor Rox Legal van) notaris [naam] schriftelijk opdracht te geven tot uitbetaling van het volledige door hem gehouden depot aan [eisers], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat DRVM daarmee in gebreke blijft;
subsidiairDRVM te gebieden binnen vier weken na betekening van het vonnis een dagvaarding met overlegging van de eindafrekening aan [eisers] uit te brengen waarin zij betaling van de vermeende schade aan het appartement vordert en, zo zij dat nalaat, DRVM te veroordelen om binnen diezelfde vier weken na betekening van het vonnis aan (het kantoor Rox Legal van) notaris [naam] schriftelijk opdracht te geven tot uitbetaling van het volledig door hem gehouden depot aan [eisers], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat DRVM daarmee in gebreke blijft;
meer subsidiairDRVM te gebieden binnen twee weken na betekening van het vonnis de eindafrekening voor de vermeende schade aan het appartement aan [eisers] te verstrekken en, zo zij dat nalaat, DRVM te veroordelen om binnen diezelfde twee weken na betekening van het vonnis aan (het kantoor Rox Legal van) notaris [naam] schriftelijk opdracht te geven tot uitbetaling van het volledige door hem gehouden depot aan [eisers], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat DRVM daarmee in gebreke blijft, alsmede om DRVM te gebieden om binnen zes weken na betekening van het vonnis een dagvaarding met overlegging van de eindafrekening aan [eisers] uit te brengen waarin zij betaling van de vermeende schade aan het appartement vordert en, zo zij dat nalaat, DRVM te veroordelen om binnen diezelfde zes weken na betekening van het vonnis aan (het kantoor Rox Legal van) notaris [naam] schriftelijk opdracht te geven tot uitbetaling van het volledige door hem gehouden depot aan [eisers], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat DRVM daarmee in gebreke blijft;
III. DRVM te verbieden om voor de door haar gepretendeerde vorderingen ten laste van [eisers] (nieuwe) conservatoire beslagen te doen leggen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding, te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat het beslag na de dag van beslaglegging niet is opgeheven;
IV. DRVM te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de kostenveroordeling is voldaan, alsmede de nakosten.

4.De beoordeling

De beslagen
4.1.
Opheffing van een beslag kan onder meer, maar niet uitsluitend, plaatsvinden als een van de in artikel 705 lid 2 Rv Pro genoemde gronden aanwezig is en een belangenafweging niet tot een ander oordeel leidt, en op grond van een, zelfstandige, belangenafweging.
4.2.
Het meest ver strekkende standpunt van [eisers] is dat DRVM in het beslagrekest niet alle feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd, dat DRVM daarmee artikel 21 Rv Pro heeft geschonden en dat de consequentie hiervan moet zijn dat de beslagen worden opgeheven. De voorzieningenrechter volgt [eisers] daar niet in. [eisers] stellen zich in dit verband in de eerste plaats op het standpunt dat de door DRVM gewenste uitkomst van het hoger beroep (terugbetaling van de aanvullende schadevergoeding met behoud van het appartement) juridisch onmogelijk is. Het is echter niet aan de voorzieningenrechter om in deze zaak een voorlopige beoordeling te geven van de kans van slagen van het door DRVM tegen het vonnis van deze rechtbank ingestelde hoger beroep. [1] Wat DRVM in hoger beroep wil bewerkstelligen, heeft zij voldoende duidelijk aangevoerd. Artikel 21 Rv Pro is in de visie van de voorzieningenrechter op dit punt niet geschonden. [eisers] stellen zich verder op het standpunt dat DRVM in het beslagrekest een eenzijdig beeld heeft geschetst en dat zij het hoger beroep kansrijker heeft voorgesteld dan dat het daadwerkelijk is. Ook dit zijn stellingen die niet tot de conclusie kunnen leiden dat DRVM artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. Een beslagrekest schetst in het algemeen een wat eenzijdig beeld van een zaak. Dat levert niet zonder meer een schending van artikel 21 Rv Pro op. [eisers] wijzen er tot slot op dat DRVM in het beslagrekest niet heeft vermeld dat het appartement inmiddels voor bijna één miljoen euro te koop staat en dat DRVM daarmee een winst verwacht van bijna € 250.000,00 (het meerdere boven de koopprijs van € 750.000,00 waarvoor DRVM het appartement aan [eisers] had verkocht). Daarmee miskent [eisers] echter dat het appartement al lang te koop staat en (nog steeds) niet voor dat hogere bedrag is verkocht. Op dit moment heeft DRVM in ieder geval nog geen winst gemaakt. Alles overwegende ziet de voorzieningenrechter geen grond om tot de conclusie te komen dat DRVM in het beslagrekest artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. De opheffing van (een gedeelte van) de beslagen kan hier dan ook niet op worden gegrond.
4.3.
De omstandigheid dat deze rechtbank heeft geoordeeld dat DRVM de aanvullende schadevergoeding aan [eisers] moet betalen, [2] leidt – omdat tegen het vonnis van deze rechtbank hoger beroep is ingesteld – ook niet zonder meer tot opheffing van de beslagen. Ook in zo’n geval moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak al uitspraak heeft gedaan, moet daarbij wél worden meegewogen. [3]
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging voor wat betreft het object aan de [adres 2] in het voordeel van [eisers] uitvalt. Dit object betreft de privéwoning van [eisers] hebben gesteld dat zij een verhuiswens hebben, omdat [eiser 1] veel van huis is voor zijn werk en de woning te groot is voor [eiser 2] en de kinderen van [eisers] samen. Het belang van [eisers] bij de opheffing van het beslag op hun privéwoning is hiermee voldoende onderbouwd. Van [eisers] kan – anders dan DRVM meent – niet worden verwacht dat zij hun wens om te verhuizen verder onderbouwen, alleen al omdat het zich moeilijk laat voorstellen hoe zij die wens dan meer handen en voeten zouden moeten geven. Het belang van DRVM bij handhaving van het beslag wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende ondervangen door het beslag op de objecten aan de [adres 1] te handhaven. Op deze objecten zit een overwaarde van ruim € 100.000,00. Tegen de achtergrond van het vonnis van deze rechtbank, waarin is beslist dat DRVM de aanvullende schadevergoeding aan [eisers] moet betalen, en de nog onzekere uitkomst van het daartegen door DRVM ingestelde hoger beroep, is de voorzieningenrechter van oordeel dat DRVM met het beslag op deze objecten een in de gegeven omstandigheden voldoende mate van zekerheid heeft voor haar vermeende vordering op [eisers] Het beslag op deze objecten is voor [eisers] op dit moment niet bezwarend, omdat de objecten beleggingen zijn. Voor wat betreft het beslag op deze objecten weegt het belang van DRVM bij handhaving daarvan dan ook zwaarder.
4.5.
DRVM wordt veroordeeld om binnen één week na betekening van dit vonnis het beslag op de privéwoning van [eisers] op te heffen. Als stok achter de deur dat DRVM (tijdig) aan deze veroordeling voldoet, verbindt de voorzieningenrechter aan de veroordeling een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00.
Het beslagverbod
4.6.
Het gevorderde verbod om in de toekomst (nieuwe) conservatoire beslagen voor de vermeende vordering van DRVM op [eisers] te leggen, wordt afgewezen. Voor het opleggen van zo’n beslagverbod is, met het oog op het door artikel 6 EVRM Pro beschermde recht op toegang tot de rechter, slechts bij hoge uitzondering plaats. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de beslaglegger door het leggen van beslag onmiskenbaar misbruik van recht zou maken. [eisers] hebben echter onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat DRVM misbruik van recht zal maken door het leggen van (nieuwe) conservatoire beslagen voor haar vermeende vordering. Van DRVM mag uiteraard worden verwacht dat zij de voorzieningenrechter volledig informeert als zij opnieuw verlof voor beslaglegging zou willen vragen.
Het depot
4.7.
Partijen hebben een depotovereenkomst gesloten, op grond waarvan € 120.000,00 van de koopsom die [eisers] voor het appartement aan DRVM hadden betaald in depot bij de notaris is gebleven voor door DRVM gestelde gebreken en schade waarvoor [eisers] aansprakelijk zouden zijn. De depotovereenkomst zelf vermeldt verder geen voorwaarden, maar de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan het sluiten van de depotovereenkomst wel. De voorwaarden ten aanzien van het depot die partijen (uiteindelijk) zijn overeengekomen, luiden blijkens een e-mail van 2 oktober 2025 van de advocaat van DRVM als volgt:

Cliente is daarom alsnog bereid om de woning in de huidige staat af te nemen onder de volgende voorwaarden:

Er zal een bedrag ad EUR 120.000,- in depot gesteld worden bij de notaris;

Cliente verplicht zich om binnen twee weken na ontvangst van de eindnota van de herstelwerkzaamheden uw cliënten op de hoogte stellen van de definitieve schade, bij gebreke waarvan het in depot gestelde bedrag aan uw cliënten zal worden uitgekeerd.

Tenzij partijen tussentijds alsnog een regeling treffen, verplicht cliente zich om vervolgens binnen een maand na verzending van de eindnota aan uw cliënten een dagvaardingsprocedure te starten terzake de schade, bij gebreke waarvan het depotbedrag aan uw cliënten zal worden uitgekeerd.

Het in rechte toe te kennen bedrag zal uit het depot worden voldaan en voor uitbetaling is niet relevant of uw cliënten deze schade al dan niet kunnen doorleggen aan Vrieselaar.

Over het (gedeelte van het) depot dat aan uw cliënten toe blijkt te komen op grond van de uitspraak in de entameren bodemprocedure zal cliente de wettelijke rente vergoeden vanaf de dag van depotvorming tot de dag dat het depot(gedeelte) aan uw cliënten worden uitgekeerd.”.
4.8.
DRVM heeft zich er dus onder meer toe verplicht om [eisers] binnen twee weken na ontvangst van de eindnota van de herstelwerkzaamheden op de hoogte te stellen van de definitieve schade aan het appartement, bij gebreke waarvan het in depot gestelde bedrag aan [eisers] zou worden uitgekeerd. DRVM heeft [eisers] op dit moment echter nog niet over de definitieve schade geïnformeerd, terwijl het appartement al sinds de zomer van 2025 te koop staat en tijdens de mondelinge behandeling door DRVM is bevestigd dat de herstelwerkzaamheden daarvoor al waren afgerond. Door DRVM is niet weersproken dat zij al veel langer dan twee weken over de eindnota voor de herstelwerkzaamheden beschikt. Door [eisers] desondanks nog steeds niet over de definitieve schade te informeren, zelfs niet na daar door [eisers] op te zijn aangesproken, heeft DRVM de door haarzelf geformuleerde voorwaarde geschonden en niet behoorlijk gehandeld ten opzichte van [eisers] Dit moet ertoe leiden dat het in depot gestelde bedrag aan [eisers] wordt uitgekeerd. Het aanbod ter zitting van DRVM om de eindnota nu alsnog binnen een bepaalde termijn aan [eisers] te verstrekken, is veel te laat gedaan en leidt niet tot een andere uitkomst. [eisers] hebben er een spoedeisend belang bij dat DRVM ertoe wordt gedwongen om de op dit punt gemaakte afspraken zonder verdere vertraging na te komen.
4.9.
DRVM wordt veroordeeld om binnen één week na betekening van dit vonnis aan(het kantoor Rox Legal van) notaris [naam] schriftelijk opdracht te geven tot uitbetaling van het volledige door hem gehouden depot aan [eisers] Als stok achter de deur dat DRVM (tijdig) aan deze veroordeling voldoet, verbindt de voorzieningenrechter aan de veroordeling een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 120.000,00.
DRVM moet de proceskosten van [eisers] betalen
4.10.
DRVM is voor het grootste deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 155,68
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.862,68
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt DRVM om binnen één week na betekening van dit vonnis het door haar ten laste van [eisers] gelegde conservatoir beslag op het object gelegen aan de [adres 2], kadastraal bekend onder [perceel 3] op te heffen;
5.2.
veroordeelt DRVM om aan [eisers] te betalen een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor elke dag dat zij niet aan de veroordeling in 5.1. voldoet, met dien verstande dat DRVM op dit punt maximaal € 50.000,00 aan dwangsommen kan verbeuren;
5.3.
veroordeelt DRVM om binnen één week na betekening van dit vonnis aan (het kantoor Rox Legal van) notaris [naam] schriftelijk opdracht te geven tot uitbetaling van het volledige door hem gehouden depot aan [eisers];
5.4.
veroordeelt DRVM om aan [eisers] te betalen een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor elke dag dat zij niet aan de veroordeling in 5.3. voldoet, met dien verstande dat DRVM op dit punt maximaal € 120.000,00 aan dwangsommen kan verbeuren;
5.5.
veroordeelt DRVM in de proceskosten van € 1.862,68, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
5.6.
veroordeelt DRVM in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
[3349 / 1729]

Voetnoten

1.HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, overweging 3.6.
2.Rechtbank Rotterdam 31 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:7370.
3.HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, overweging 3.6.