Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7468

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
ROT 23/7551
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:4 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:19 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen gedeeltelijk handhavend besluit college over kappen bomen en onderbeplanting

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen, dat een handhavingsverzoek tegen het kappen van bomen gedeeltelijk afwees. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat het college niet heeft gemotiveerd waarom voor het vellen van de onderbeplanting geen omgevingsvergunning nodig is.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek om handhaving is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de oude Wabo-regels van toepassing zijn. Het college had het handhavingsverzoek deels toegewezen en deels afgewezen, onder meer op basis van een deskundigenrapport. De rechtbank volgt het college grotendeels, maar vernietigt het besluit voor zover het niet gemotiveerd is over de vergunningplicht voor de onderbeplanting.

De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat het college in de beroepsfase heeft toegelicht dat de onderbeplanting onder de uitzondering van de Bomenverordening valt. Verder oordeelt de rechtbank dat het college terecht geen dwangsom heeft opgelegd en dat de waarschuwing voldoende is. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor het motiveringsgebrek, en het griffierecht wordt aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over vergunningplicht voor onderbeplanting, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/7551

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen,

(gemachtigden: mr. I. Neubauer en mr. T. Ketting).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het handhavingsverzoek van eiseres tegen het kappen van bomen gedeeltelijk af te wijzen. Het college heeft de bezwaren van eiseres gedeeltelijk afgewezen. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. Dit betekent dat het college niet handhavend hoeft op te treden op de locaties waar hij dat niet heeft gedaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 21 maart 2023 (het primaire besluit) heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres gedeeltelijk afgewezen.
3. Met het besluit van 5 oktober 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college gedeeltelijk bij het primaire besluit gebleven.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4.1.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
5.1.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan voor 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiseres heeft op 31 augustus 2022 online melding gemaakt van het feit dat de beplanting rond de Meerpaal te kort is gemaakt, waardoor zij nu veel geluidsoverlast van de Holysingel ervaart.
6.1.
Naar aanleiding van contact met de gemeente is deze melding een verzoek om handhaving geworden, dat eiseres op 30 januari 2023 nader heeft aangevuld. Daarnaast heeft eiseres een melding van de illegale kap in februari 2023 van twee Italiaanse populieren gedaan. Hierop heeft het college het primaire besluit genomen.
6.2.
Het college heeft aan de hand van de aanvulling van eiseres van haar handhavingsverzoek een kaartje gemaakt met nummers van locaties en een beoordeling gemaakt per locatie. Deze is als volgt.
Locatie 1 betreft een bosplantsoen in eigendom van Argos Zorgcentrum, de Meerpaal. Het bosplantsoen betreft voornamelijk Italiaanse populieren (Populus nigra ‘Italica’) en schietwilgen (Salix alba) met onderbeplanting van heesters zoals kornoelje en hazelaar. Hiernaast staan in het bosplantsoen ook meidoorns, berken en één eik.
Locatie 2 betreft een bosplantsoen in eigendom van de gemeente Vlaardingen. Het bosplantsoen betreft voornamelijk veldesdoorns (Acer campestre) en meidoorns (Crataegus monogyna) met onderbeplanting van heesters zoals kornoelje en hazelaar. Hiernaast staan in het bosplantsoen ook berken (Betula penduta) en acacia (Robinia pseudoacacia).
Locatie 3 betreft een deel bosplantsoen en een deel bomen in heesterbeplanting in eigendom van Argos Zorgcentrum, de Meerpaal.
Locatie 4 betreft het gazon aan de voorzijde van [adres]. Het terrein is eigendom van Argos Zorgcentrum, de Meerpaal. In dit gazon is een stobbe aangetroffen van een ruwe berk (Betula penduta).
Locatie 5 betreft bomen in eigendom van Argos Zorgcentrum, de Meerpaal. De bomen hebben een solitaire standplaats of staan in groepen langs het parkeerterrein aan de achterzijde van het terrein aan de [adres]. Het bomenbestand betreft één gekandelaberde populier, enkele geknotte schietwilgen en enkele niet vrij uitgroeiende bomen.
De melding van februari 2023 ziet op twee Italiaanse populieren (Populus nigra ‘Italica’). De bomen staan op het terrein van Argos Zorgcentrum, de Meerpaal en vallen binnen locatie 3.
6.3.
Met het primaire besluit heeft het college het verzoek om handhaving ten aanzien van locatie 4 en de melding van eiseres van februari 2023 toegewezen en ten aanzien van de locaties 1, 2, 3 en 5 afgewezen, om de navolgende redenen:
Ten aanzien van locatie 1 (particulier eigendom) heeft het college geen overtreding geconstateerd, omdat de gesnoeide heesters geen bomen of boomvormers zijn in de zin van de Bomenverordening. Er is geen omgevingsvergunning nodig.
Ten aanzien van locatie 2 (openbaar terrein) heeft het college geen overtreding geconstateerd, omdat de bomen minder dan 20% zijn gesnoeid. Er is geen sprake van vellen en geen omgevingsvergunning nodig.
Ten aanzien van locatie 3 (particulier eigendom) heeft het college ten aanzien van de bomen en heesters geen overtreding geconstateerd.
Ten aanzien van locatie 4 (particulier eigendom) heeft het college ten aanzien van één boom een overtreding geconstateerd. Het college heeft een waarschuwing gegeven.
Ten aanzien van locatie 5 (particulier eigendom) heeft het college geen overtreding geconstateerd. Alle bomen waren aanwezig, er zijn geen stobben aangetroffen, ook is geen sprake van overmatige snoei.
Het college heeft met het primaire besluit ook nog gereageerd op de melding van eiseres van februari van 2023. Ten aanzien hiervan heeft het college een overtreding geconstateerd. Er is een boete opgelegd.
6.4.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ten aanzien van de locaties 2 en 3 gegrond verklaard en ten aanzien van de locaties 1, 4, 5 en de melding van februari 2023 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college het deskundigenrapport van De Boominspecteurs van september 2023 ten grondslag gelegd. Het college heeft ten aanzien van de locaties en de melding van februari 2023 het volgende besloten.
Het college stelt dat er geen overtreding is geconstateerd waartegen handhavend kan worden opgetreden. De onderbeplanting is in augustus 2022 gesnoeid. De populieren en schietwilgen op deze locatie worden al jaren periodiek geknot of gekandelaberd. Daarvoor is volgens het college geen omgevingsvergunning nodig op grond van artikel 2, vierde lid, onder g, juncto artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening.
Ten aanzien van locatie 2 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard dat ziet op het vellen van meer dan 20% van het kroonvolume van bomen met een stamdiameter van 10 en 30 cm. Volgens het college lopen deze bomen echter weer uit. Voor het vellen van één boom in 2015 zal het college één boom herplanten. Bij de grootste bomen is minder dan 20 % van de kroon gesnoeid, zodat het college geen overtreding heeft geconstateerd.
Ten aanzien van locatie 3 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard dat ziet op het vellen van twee bomen. De boomdeskundige heeft geconstateerd dat in 2018 twee bomen zijn gekapt. Het college heeft een herplantplanplicht opgelegd aan de eigenaar. Ten aanzien van de bomen in het bosplantsoen is geen overtreding geconstateerd.
Ten aanzien van locatie 4 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft de eigenaar gewaarschuwd.
Ten aanzien van locatie 5 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. De bomen op deze locatie worden al jaren periodiek geknot of gekandelaberd. Daarvoor is volgens het college geen omgevingsvergunning nodig op grond van artikel 2, vierde lid, onder g juncto artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening.
Ten aanzien van de melding van eiseres van februari 2023 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college ziet geen aanleiding om een last onder dwangsom op te leggen aan de overtreder, maar vindt de opgelegde boete volstaan.
Toetsingskader
7. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
8. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5759, een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geding. Dit brengt met zich dat de rechtbank niet zal ingaan op het betoog van eiseres dat er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming en of sprake is van nieuwe overtredingen. Eiseres heeft het college met het handhavingsverzoek van 31 augustus 2022, aangevuld op 30 januari 2023, niet verzocht om hiertegen handhavend op te treden.
8.1.
Ten aanzien van de gronden die gericht zijn tegen het primaire besluit overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit ter beoordeling voorligt en niet het primaire besluit. Ook gronden die zijn gericht op verleende omgevingsvergunningen vallen buiten de omvang van de procedure.
8.2.
De beroepsgronden die zien op het vellen van de in totaal drie bomen op locatie 2 en 3 behoeven geen inhoudelijke bespreking meer. De rechtbank stelt vast dat deze bomen zijn herplant. Hiermee is aan de bezwaren van eiseres volledig tegemoet gekomen. Dat eiseres betoogt dat het college aan de gemeente (locatie 2) een last onder dwangsom had moeten opleggen en zich niet kan vinden in de wijze waarop de bomen zijn herplant, doet hier niet aan af. De overtreding zag op het kappen van de betreffende boom en deze overtreding is via herplant hersteld. Verder volgt uit artikel 9 van Pro de Bomenverordening niet dat de bomen op exact dezelfde plek dienen te worden herplant.
Ontvankelijkheid
9. Het college betoogt dat eiseres ten aanzien van de overtreding van het zonder omgevingsvergunning vellen van één boom op locatie 2 in 2015 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat eiseres destijds nog niet woonachtig was op het adres. Zij is dus ook geen belanghebbende.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres momenteel woonachtig is in de omgeving waar betreffende boom is geveld. Zij is dan ook belanghebbende bij deze overtreding. De rechtbank ziet gelet op wat het college daarover heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het college eiseres ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar.
Overtreding locatie 1 en 5
10. Eiseres betoogt dat ten aanzien van het vellen van het bosplantsoen op locatie 1 en 5 wel sprake is van een overtreding, omdat meer dan 20% van het kroonvolume van de houtopstand is gesnoeid. Zij verwijst daarbij naar foto’s opgenomen in haar beroepschrift. Eiseres volgt verder niet de stelling van het college dat er gesnoeid mag worden, omdat de omgevingsvergunning voor de eerste keer snoeien en het bijbehorende beheerplan ontbreekt. Dit volgt volgens eiseres uit de toelichting op artikel 2 van Pro de Bomenverordening.
10.1.
Het rapport van De Boominspecteurs is een deskundigenrapport. De deskundige heeft de locatie bezocht en aan de hand daarvan en aan de hand van streetview-foto’s geconcludeerd dat de bomen al jaren periodiek geknot of gekandelaberd worden. Dit valt volgens de deskundige onder de uitzondering genoemd in de Bomenverordening van artikel 2, vierde lid, onder g, van de Bomenverordening.
De enkele - niet onderbouwde - stelling dat meer dan 20% van het kroonvolume is gesnoeid, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de deskundige. Eiseres heeft weliswaar foto’s overgelegd, maar niet valt vast te stellen wanneer deze foto’s zijn gemaakt en of deze foto’s op dezelfde plek zijn gemaakt.
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat niet is gebleken dat voor de eerste keer knotten en kandelaberen volgens de toelichting bij de Bomenverordening een omgevingsvergunning is vereist en dat niet is gebleken dat er in het verleden een omgevingsvergunning is verleend, is de rechtbank van oordeel dat dit slechts uit de toelichting volgt en dat er geen rechtsregel is die daartoe verplicht. Bovendien ziet het handhavingsverzoek van eiseres hier niet op en valt dit standpunt dus buiten de omvang van het geding.
10.2.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening is het verboden zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen. De rechtbank overweegt dat de onderbeplanting (heesters) op grond van artikel 1, onder b, van de Bomenverordening onder het begrip houtopstand kan vallen als zijnde struweel. De boomdeskundige heeft enkel geconstateerd dat de onderbeplanting in augustus 2022 is gesnoeid. Het college heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom voor het vellen van de onderbeplanting geen omgevingsvergunning nodig is. Reeds hierom is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd.
10.3.
De rechtbank zal ten behoeve van finale geschilbeslechting eerst onderzoeken of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij betrekt zij de overige overwegingen in het bestreden besluit en wat het college in de beroepsfase (in het verweerschrift en op zitting) heeft toegelicht.
10.4.
Op zitting heeft het college toegelicht dat ook de heesters van de onderbeplanting worden gezien als knotbomen en dus onder de uitzondering van artikel 2, vierde lid, onder g, van de Bomenverordening vallen. Met deze gegeven toelichting heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding ten aanzien van het vellen van de onderbeplanting op locatie 1 en 5 en daarmee heeft het college het hiervoor onder 10.2 vermelde gebrek in het bestreden besluit in de beroepsfase hersteld.
Wijze van handhaven
11. Ten aanzien locatie 4 betoogt eiseres dat het college bestuursrechtelijk en strafrechtelijk had moeten optreden. Een enkele waarschuwing is volgens eiseres onvoldoende. Bovendien ontbreekt de waarschuwingsbrief bij het bestreden besluit. Ten aanzien van de geconstateerde overtredingen van de melding van februari 2023 betoogt eiseres dat het college naast de boete ook een last onder dwangsom had moeten opleggen.
11.1.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
11.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
11.3.
Het college heeft op zitting toegelicht dat het geen beleid heeft vastgesteld op welke manier handhavend wordt opgetreden ingeval van overtredingen van de Bomenverordening. Wel volgt het college een vaste gedragslijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, mag een bestuursorgaan een vaste gedragslijn volgen, ook als die niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, mits de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit opnieuw wordt gemotiveerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1413). Centraal staat de vraag of de opgelegde maatregel noodzakelijk is om het doel te bereiken. Als het antwoord op die vraag is dat het gewenste doel, namelijk dat artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening niet meer wordt overtreden, ook kan worden bereikt met een minder ingrijpende maatregel dan een last onder dwangsom, dan is deze laatste niet noodzakelijk (zie de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067).
11.4.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van locatie 4 en de locatie waar de melding van februari 2023 op ziet (locatie 3) sprake is van dezelfde overtreder. Het college heeft ten aanzien van locatie 4 een waarschuwing aan de overtreder gegeven. Het college heeft toegelicht dat het gelet op de tijd die is gelegen tussen de overtreding en de constatering niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer de overtreding precies heeft plaatsgevonden en door wie. Het college zag om deze reden geen aanleiding om een boete op te leggen omdat het punitieve karakter van een boete terughoudendheid vereist. Verder acht het college van belang dat het de overtreder niet eerder heeft gewezen op de overtreding. De overtreding ten aanzien van locatie 4 is geconstateerd nadat ten aanzien van de overtreding op locatie 3, waar de melding van februari 2023 op zag, een strafbeschikking was opgelegd. Het college vindt de boete die is opgelegd al een duidelijk signaal. Om deze reden heeft het college volstaan met een waarschuwing. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft toegelicht waarom een herstelsanctie dan wel een punitieve sanctie niet noodzakelijk was. Dat betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.
Herhalen en inlassen bezwaargronden
12. De rechtbank merkt op dat de algemene verwijzing van eiseres in het beroepschrift dat het door haar ingediende bezwaarschrift als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, voor zover zij daarbij geen redenen heeft aangevoerd op grond waarvan het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Bevoegdheid bestreden besluit
13. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, omdat wethouder Van Kalken geen portefeuillehouder is van Toezicht en Handhaving. Er is ten onrechte geen scheiding tussen vergunningverlening en handhaving. Dit is in strijd met het beginsel van vooringenomenheid.
13.1.
Het college stelt dat het bestreden besluit bevoegd is genomen, omdat wethouder Van Kalken “het groen” in haar portefeuille heeft. Het college verwijst naar het beslismandaat. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat is gehandeld in strijd met artikel 2:4 van Pro de Awb.
Dwangsom wegens niet tijd beslissen
14. Eiseres betoogt dat het college niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar en ten onrechte geen dwangsom heeft vastgesteld.
14.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de eerste ingebrekestelling van 15 augustus 2023 van eiseres prematuur is. Het college heeft bij de ontvangst van het bezwaar medegedeeld dat het gebruik maakt van de verdagingsmogelijkheid (artikel 7:10, derde lid, van de Awb). Uit CRvB 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1459, volgt dat de onmiddellijke verdaging van een besluit op bezwaar na ontvangst van het bezwaarschrift, niet betekent dat de verdaging onrechtmatig is.
14.2.
De ingebrekestelling van 24 september 2023 (zondag) heeft het college gelet op artikel 1 van Pro de Algemene termijnenwet op 25 september 2023 (maandag) ontvangen. Het college had tot en met 9 oktober 2023 om een besluit op het bezwaar van eiseres te nemen. Met het bestreden besluit (van 5 oktober 2023) heeft het college tijdig een besluit genomen. Uit de stukken blijkt bovendien dat deze tijdig is verzonden. De rechtbank is dus van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het geen dwangsom is verschuldigd omdat het college tijdig op het bezwaar van eiseres heeft beslist.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij niet gemotiveerd is of ten aanzien van locatie 1 gevelde onderbeplanting sprake is van een overtreding. Maar de rechtbank laat onder verwijzing naar rechtsoverweging 10.4 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand.
15.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 oktober 2023 voor zover daarin niet is gemotiveerd of ten aanzien van locatie 1 gevelde onderbeplanting sprake is van een overtreding;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzitter, en mr. T.M.J. Smits en mr. J.J. Turenhout, leden, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2:4

Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.
[…].

Artikel 4:17

[…].
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
[…].

Artikel 4:19

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
[…].

Artikel 6:7

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

Artikel 6:8

3. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
[…].

Artikel 7:10

Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is Pro ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
[…].
Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.
[…].

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
[…].
Algemene termijnenwet

Artikel 1

Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
[…].
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Geldend van 19-04-2023 t/m 31-12-2023

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
houtopstand te vellen of te doen vellen,
[…],
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
[…].
Bomenverordening Vlaardingen 2010
Geldend van 21-10-2010 t/m 14-12-2023 met terugwerkende kracht vanaf 01-10-2010

Artikel 1 Begripsomschrijvingen Pro

In deze verordening wordt verstaan onder
boom: een houtachtig, opgaand vitaal gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 cm op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. Indien het betreft houtopstand in privaat eigendom op percelen van minder dan 750 m2, geldt in afwijking van het in vorige zin bepaalde een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 35 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen of een struweel;
[…];
dunning: een velling, die uitsluitend als verzorgingsregel ter bevordering van de ontwikkeling van de overblijvende houtopstand beschouwd moet worden;
vellen: rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kan hebben;
[…].

Artikel 2 Omgevingsvergunning Pro voor het vellen van houtopstanden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstand in privaat eigendom op percelen van minder dan 150 m2, tenzij het houtopstand betreft als bedoeld in artikel 3.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstand die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze wordt geëxploiteerd als bedoeld in artikel 15 van Pro de Boswet.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor:
houtopstand die moet worden geveld bij of krachtens de Plantenziektenwet gestelde bepalingen;
houtopstand die moet worden geveld krachtens een aanschrijving van het college;
houtopstand die moet worden geveld vanwege iepziekte;
dode of afgestorven bomen;
het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;
het vellen in de zin van het treffen van noodzakelijke voorbereidingsmaatregelen, zoals ondermeer het op zodanige wijze aanpassen van de wortelkluit, teneinde op een later moment de boom te kunnen verplanten;
het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud.

Artikel 9 Zelfstandige Pro herplant- en instandhoudingsplicht

Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.
Onder de in lid 1 bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.
Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële bijdrage gestort in het gemeentelijk Bomenfonds op basis van nader door het college te stellen regels.
Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.
De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 1 genoemde Pro minimummaat.