Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7374

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
C/10/719257 / KG ZA 26-436
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot gijzeling voormalig deken wegens beroep op verschoningsrecht

In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat voormalig deken gedaagde wordt gegijzeld om een getuigenverklaring af te leggen, nadat gedaagde zich op het verschoningsrecht had beroepen tijdens een voorlopig getuigenverhoor. De rechtbank overweegt dat een vordering in kort geding slechts kan worden toegewezen bij een spoedeisend belang, dat hier ontbreekt.

Eiser baseert zijn spoedeisend belang op de oproeping van gedaagde voor een getuigenverhoor en het belang van voortvarende vaststelling van feiten. Gedaagde voert aan dat het hoger beroep tegen de beschikking waarin het verschoningsrecht werd verworpen, nog loopt en dat de uitkomst daarvan moet worden afgewacht. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt en oordeelt dat eiser de zaak onnodig heeft versneld en de uitkomst van het hoger beroep niet mag omzeilen.

De rechtbank benadrukt dat de beslissing van de rechter-commissaris een eindbeslissing is die door het hoger beroep is geschorst, waardoor uitvoering niet mogelijk is. Ook de afstemmingsregel is hier niet van toepassing. De vordering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot gijzeling van de voormalig deken wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en het lopende hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/719257 / KG ZA 26-436
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in Wassenaar,
eiser,
advocaat: mr. P.H.J. Körver,
tegen
[gedaagde],
wonende in Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. H.T. ten Have.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
De zaak in het kort
Op verzoek van [eiser] heeft deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen en bepaald dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van voormalig deken dient te worden gehoord. [gedaagde] is ter zitting van 20 april 2026 verschenen, maar heeft zich na vragen van de rechter-commissaris op het verschoningsrecht beroepen. De rechter-commissaris heeft dat beroep verworpen, waarna [gedaagde] tegen die beslissing hoger beroep heeft ingesteld. [eiser] stelt in dit kort geding vorderingen in die ertoe strekken dat [gedaagde] alsnog een verklaring aflegt. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 22 mei 2026, met producties 1 tot en met 6,
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5,
  • de akte wijziging van eis,
  • de spreekaantekeningen van mr. Körver,
  • de pleitnota van mr. Ten Have.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 2 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
Op 15 juni 2017 is [eiser] failliet verklaard. Bij de afwikkeling van zijn faillissement werd [eiser] bijgestaan door [naam 1] (hierna: [naam 1]), die op dat moment als advocaat verbonden was aan het [naam advocatenkantoor] (hierna: [naam advocatenkantoor]).
2.2.
Eind 2019 beëindigt [naam advocatenkantoor] de dienstverlening aan [eiser]. [gedaagde] was op dat moment deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag.
2.3.
Bij verzoekschrift van 8 juni 2025 verzoekt [eiser] deze rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Daaraan legt hij het volgende ten grondslag. [naam 1] heeft [eiser] in 2023 verteld dat de dienstverlening aan hem is stopgezet naar aanleiding van een gesprek in 2019 tussen [naam 1], zijn toenmalig kantoorgenoot [naam 2] en twee leden van het Team Insolventie van de rechtbank Den Haag. Tijdens dit gesprek is medegedeeld dat als [naam advocatenkantoor] en/of [naam 1] [eiser] bleef/bleven bijstaan, zij als curator minder of geen faillissementen meer toebedeeld zouden krijgen. [eiser] vermoedt te weten wie één van de personen van het Team Insolventie is die het gesprek heeft gevoerd. Met het horen van getuigen wil [eiser] bewijzen dan wel verduidelijken 1) wie de andere, voor hem onbekende persoon is, 2) wie aan het gesprek hebben deelgenomen of daar anderszins betrokken bij zijn geweest, 3) wat de aanleiding voor en de inhoud van het gesprek waren en 4) wie op de hoogte van de uitkomst van het gesprek waren en wanneer zij dat waren.
2.4.
Bij beschikking van 10 februari 2026 wijst de rechtbank het verzoek toe en bepaalt dat, onder andere, [naam 1] en [gedaagde] als getuigen worden gehoord.
2.5.
Op 1 april 2026 wordt [naam 1] als getuige gehoord. Hij verklaart dat hij eind 2019 met [gedaagde] heeft gesproken over het contact met de leden van het Team Insolventie en het daarop volgende besluit om de dienstverlening aan [eiser] te beëindigen.
2.6.
Op 20 april 2026 worden de verhoren voortgezet en wordt [gedaagde] gehoord. Daarover vermeldt het proces-verbaal, voor zover van belang, het volgende:
“(…)
U vraagt mij wat ik nog weet van een bespreking met mr. [naam 1] die zou hebben plaatsgevonden op of omstreeks 27 november 2019. Ten aanzien van die vraag beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Ik verwijs naar Hoge Raad 17 december 2024 ECLI:NL:HR:2024:1867. Daarin is beslist dat de Deken over een zelfstandig verschoningsrecht beschikt. Het is in het belang van de gehele advocatuur dat wie zich tot de Deken wendt moet kunnen rekenen op geheimhouding. In de zaak die op 17 december 2024 door de Hoge Raad is beslist was een aan de orde een verzoek van het openbaar ministerie aan mij als Deken om het verschoningsrecht te doorbreken. In die zaak heeft de Hoge Raad beslist dat het verschoningsrecht niet absoluut is. In de zaak die thans voorligt is mogelijk een onrechtmatige daad van een ander dan de advocaat of diens cliënt die zich tot mij heeft gewend aan de orde. Ik acht dat geen grond om het verschoningsrecht te doorbreken. Ik zal niet vrijwillig op deze vraag antwoord geven.
Ik hoor u zeggen dat u mondeling beslist dat mij op deze vraag geen beroep toekomt op het verschoningsrecht omdat sprake is van zeer uitzonderlijk omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene wat mij in mijn hoedanigheid is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. In deze zaak is aan de orde of de rechtbank Den Haag en in het bijzonder twee leden van het team insolventies in 2019 een advocaat onder druk hebben gezet om de bijstand aan een justitiabele, die zich in gijzeling bevond, neer te leggen. Daarover heeft [naam 1] een verklaring afgelegd. U houdt mij voor dat dat een omstandigheid is die, zo zij waar blijkt te zijn, niet verborgen dient te blijven. U houdt mij voor dat deze beslissing niet uitvoerbaar is bij voorraad. U houdt mij voor dat van deze beschikking hoger beroep open staat en ik ben van plan hoger beroep in te stellen.
(…)”
2.7.
De mondelinge uitspraak van 20 april 2026 is schriftelijk uitgewerkt (hierna: de beschikking). Daarin is overwogen dat de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard omdat de beslissing, als zij ten uitvoer wordt gelegd, tot het onomkeerbare gevolg leidt dat een eenmaal afgelegde verklaring niet ongedaan gemaakt kan worden.
2.8.
Bij beroepschrift van 27 mei 2026 stelt [gedaagde] hoger beroep in tegen de beschikking.
2.9.
[eiser] heeft [gedaagde] opgeroepen voor een getuigenverhoor op 12 juni 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na wijziging van zijn eis, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis beveelt dat [gedaagde] in gijzeling wordt gesteld totdat hij een verklaring aflegt, al dan niet op grond van een veroordeling daartoe van de voorzieningenrechter en/of een uitspraak in hoger beroep waarin de beschikking wordt bekrachtigd, en al dan niet onder oplegging van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen van [eiser] strekken ertoe dat [gedaagde] alsnog een getuigenverklaring aflegt. In kort geding kan een vordering slechts worden toegewezen als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter dient dit (mede) te beoordelen aan de hand van een afweging van de belangen van beide partijen.
4.2.
[eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, omdat [gedaagde] is opgeroepen voor het getuigenverhoor op 12 juni 2026. Daarnaast vindt hij dat het spoedeisend belang voortvloeit uit het karakter van het voorlopig getuigenverhoor, te weten het voortvarend vaststellen van feiten. Volgens [eiser] belemmert [gedaagde] niet alleen de voortgang van het getuigenverhoor maar ook een eventuele procedure bij de bodemrechter. Als de verklaring van [gedaagde] aansluit bij die van [naam 1], levert deze volgens [eiser] het laatste stukje bewijs op dat nodig is om een bodemprocedure te kunnen starten.
4.3.
[gedaagde] heeft erop gewezen dat het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking gaat over de rechtmatigheid van zijn beroep op het verschoningsrecht. Met dit kort geding vraagt [eiser] de voorzieningenrechter om vooruit te lopen op die procedure en zo alsnog een onomkeerbare doorbreking van het verschoningsrecht te bewerkstelligen. Volgens [gedaagde] verzet de aard van de vorderingen zich juist tegen behandeling in kort geding. Hij vindt dat [eiser] de uitkomst van het hoger beroep moet afwachten.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] onvoldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Voor zover al sprake is van spoedeisendheid, geldt dat [eiser] dit zelf heeft gecreëerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] laten weten dat hij [gedaagde] voor het voorlopig getuigenverhoor op 12 juni 2026 heeft opgeroepen om hem de mogelijkheid te bieden om alsnog een verklaring af te leggen. De oproepingsbrief was vooral bedoeld om [gedaagde] op andere gedachten te brengen en hem te bewegen om toch een verklaring af te leggen. [eiser] heeft het getuigenverhoor echter niet afgewacht en [gedaagde], nog voordat [gedaagde] hoger beroep tegen de beschikking had ingesteld, in kort geding gedagvaard. Daarmee is de zaak onnodig in een stroomversnelling gebracht en probeert [eiser] naar voorlopig oordeel de uitkomst van het hoger beroep te omzeilen.
De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] verder in zijn stelling dat uit de eiswijziging van [eiser] volgt dat [eiser] inmiddels ook zelf meent dat de uitkomst van het hoger beroep kan worden afgewacht. Hij vordert namelijk in meerdere subsidiaire varianten om [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van dat wat het hof in hoger beroep zal beslissen. Overigens houdt [eiser] in zijn eiswijziging geen rekening met het scenario dat tegen de beschikking in hoger beroep ook nog cassatie kan worden ingesteld.
Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft [eiser] er daarnaast op gewezen dat zowel hij als [gedaagde] de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en dat de situatie over een jaar heel anders kan zijn. [eiser] heeft echter geen concrete omstandigheden genoemd die met zich brengen dat een eventueel verschoningsrecht van [gedaagde] met spoed moet worden doorbroken. Leeftijd alleen is in ieder geval onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Het belang van [gedaagde] bij het afwachten van de uitkomst van het hoger beroep weegt zwaarder, temeer nu hij stelt dat deze kwestie raakt aan de kern van het functioneren van de advocatuur en aan de onafhankelijkheid van het dekentoezicht.
4.5.
Inhoudelijk overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De beslissing van de rechter-commissaris – dat [gedaagde] geen beroep op het verschoningsrecht toekomt en dus moet verklaren – is, materieel maar ook formeel, een eindbeslissing. Die beslissing is door het daartegen ingestelde appel geschorst. Die schorsing raakt iedere vorm van uitvoering van de beslissing van de rechter-commissaris. Dat kan niet worden doorkruist met de in dit kort geding ingestelde vorderingen. Op de uitkomst van het hoger beroep kan ook niet vooruitgelopen worden, waarbij de voorzieningenrechter herhaalt dat [eiser] bovendien geen rekening houdt met de mogelijkheid van cassatie tegen de beslissing van het hof.
4.6.
In het kader van de belangenafweging heeft [eiser] nog gewezen op de afstemmingsregel, die inhoudt dat de voorzieningenrechter zijn oordeel in beginsel dient af te stemmen op dat van de bodemrechter. Volgens [eiser] moet de voorzieningenrechter in dit geval uitgaan van de beslissing van de rechter-commissaris. Met de verwijzing naar de afstemmingsregel miskent [eiser] dat de Hoge Raad toepassing van de afstemmingsregel lijkt voor te behouden aan bodemprocedures op tegenspraak. Het gaat hier echter om een beslissing in een voorlopig getuigenverhoor. Nog afgezien van het in 4.5. overwogene , op grond waarvan de vordering sowieso moet worden afgewezen – en daarom ten overvloede – laat de situatie zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter eerder vergelijken met die van een kort geding dat strekt tot de opheffing van een conservatoir beslag na afwijzing van de vordering waarvoor beslag is gelegd, tegen welke afwijzing hoger beroep is ingesteld. In dat geval is de afstemmingsregel niet van toepassing (HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599). Nog afgezien daarvan dient de voorzieningenrechter steeds eerst te beoordelen of de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Dat is, zoals reeds overwogen, hier niet het geval.
4.7.
De slotsom luidt dat [eiser] de uitkomst van het hoger beroep moet afwachten. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling de bereidheid heeft getoond om bij het hof aan te dringen op een spoedige behandeling van het hoger beroep.
4.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten [1]
189,00
Totaal
1.707,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026. [2971/2009]

Voetnoten

1.Plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.