ECLI:NL:RBROT:2026:7165

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/10096
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Besluit geslachtsnaamwijzigingArt. 2:4 AwbArt. 3:2 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen toewijzing geslachtsnaamswijziging meerderjarige dochter

De zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om de aanvraag van zijn meerderjarige dochter tot wijziging van haar geslachtsnaam van die van haar vader naar die van haar moeder toe te wijzen. Eiser betwist de toewijzing omdat hij meent dat zijn belangen en het algemeen belang van vaders zwaarder wegen en dat de staatssecretaris niet onpartijdig heeft gehandeld.

De rechtbank oordeelt dat aan de formele vereisten van het Besluit geslachtsnaamwijziging is voldaan en dat de staatssecretaris een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. De belangen van verzoekster, die meerderjarig is en de naamswijziging goed heeft overwogen, wegen zwaarder dan de persoonlijke belangen van eiser. Er is geen sprake van vooringenomenheid of schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank wijst erop dat het verzoek van een meerderjarige in beginsel doorslaggevend is en dat het belang van de vader niet kan prevaleren tenzij er aanwijzingen zijn dat de naamswijziging niet in het belang van de verzoekster is. De emotionele gevolgen voor eiser worden erkend, maar zijn onvoldoende om het besluit te wijzigen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 23 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van de vader tegen de toewijzing van de geslachtsnaamswijziging van zijn meerderjarige dochter wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10096

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats 1] , eiser

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).
Als belanghebbende neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit [woonplaats 2] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Roerdink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van verzoekster (de dochter van eiser) tot wijziging van haar geslachtsnaam. De staatssecretaris heeft de aanvraag toegewezen. Eiser is het niet eens met de toewijzing onder meer omdat hij daarmee in zijn belangen wordt geschaad, de positie van de man in algemene zin in het geding is en de naamwijziging uiteindelijk ook niet in het belang is van verzoekster en haar kinderen. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de toewijzing van de aanvraag tot naamswijziging van verzoekster.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag van verzoekster tot geslachtsnaamwijziging heeft kunnen goedkeuren, omdat haar belangen bij de naamswijziging zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van eiser. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 juli 2024 waarin de staatssecretaris de aanvraag van verzoekster goedkeurt om haar geslachtsnaam van haar vader ( [naam 1] ) te wijzigingen in de geslachtsnaam van haar moeder ( [naam 3] ).
2.1.
Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 is de staatssecretaris bij het eerdere besluit gebleven. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft ook gereageerd op het beroep.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van de staatssecretaris, verzoekster en de gemachtigde van verzoekster.
2.3.
Op 10 april 2026 heeft eiser na het sluiten van het onderzoek verzocht tot wraking van de rechters Heijne en Adriaansen. De wrakingskamer heeft op 13 mei 2026 het verzoek tot wraking afgewezen. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Op grond van het Besluit geslachtsnaamwijziging wordt de geslachtsnaam van een meerderjarige op zijn of haar verzoek gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, als die ouder gedurende de minderjarigheid het kind enige tijd heeft verzorgd en opgevoed. [2] Uit rechtspraak volgt dat de staatssecretaris in die situatie een belangenafweging moet maken. Daarbij moeten alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen worden meegenomen. Daaronder vallen naast de belangen van de persoon die zijn of haar naam wil wijzigen, ook de belangen van de persoon van wie de geslachtsnaam is die wordt gewijzigd. [3]
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris niet bevoegd was tot het nemen van de beslissing op de aanvraag, omdat de staatssecretaris aantoonbaar partijdig is in het nadeel van vaders in het algemeen en van eiser in het bijzonder. Eiser voert in dat verband – kort samengevat – aan dat de staatssecretaris onderdeel uitmaakt van het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie in verschillende hoedanigheden betrokken is geweest bij de voor hem na de echtscheiding negatief uitgepakte besluitvorming over zijn kinderen. Ook stelt eiser dat het ministerie ten onrechte niet is opgetreden tegen de door hem gestelde kinderontvoering door moeder en haar ouders. De aanvraag tot naamswijziging is volgens eiser het vervolg daarop zodat de staatssecretaris daar niet onpartijdig op kan beslissen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat deze beroepsgrond moet worden geplaatst in de context van het verbod op vooringenomenheid. Eiser stelt dat daarmee het beginsel van
fair trialis geschonden en het bestreden besluit als zodanig onzorgvuldig tot stand is gekomen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van het verbod op vooringenomenheid als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [4] Uit rechtspraak volgt dat voornoemd verbod zo moet worden opgevat dat het bestuursorgaan niet is verboden vanuit bepaalde beleidskeuzes te handelen. Wel moet het bestuursorgaan daarbij de nodige objectiviteit in acht nemen en zich niet door persoonlijke belangen of voorkeuren laten leiden. [5] Dat eiser in het verleden is geconfronteerd met verschillende procedures die volgens eiser hebben geleid tot verwijdering van het contact tussen eiser en verzoekster, maakt niet dat de staatssecretaris bij de aanvraag tot naamswijziging vooringenomen heeft gehandeld. De rechtbank wijst in dat kader op het feit dat – zo heeft eiser ter zitting ook erkend – aan de formele voorwaarden voor de naamswijziging uit het Besluit geslachtnaamwijziging is voldaan. Vervolgens heeft een belangenafweging plaatsgevonden. Dat die belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt, betekent niet dat de staatssecretaris vooringenomen heeft gehandeld. De staatssecretaris heeft zich in dat verband (ter zitting) op het standpunt kunnen stellen dat die beoordeling losstaat van de eerdere procedures over de echtscheiding en regelingen voor de omgang met de kinderen. Daarbij is het de rechtbank niet gebleken dat bij de belangenafweging in het kader van naamswijzigingen specifiek beleid wordt gevoerd dat gericht is op de benadeling van vaders of dat anderszins persoonlijke belangen of voorkeuren van de staatssecretaris een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming. Eiser heeft dat verder ook niet aannemelijk gemaakt.
4.2.
Ook ziet de rechtbank in dit kader geen grond voor het oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. [6] De staatsecretaris heeft eiser betrokken bij de besluitvorming over de naamswijziging en eiser heeft zijn zienswijze kenbaar kunnen maken voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de toewijzing en is in dat verband ook gehoord door de staatssecretaris. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de staatssecretaris de belangen van eiser voldoende meegenomen?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn persoonlijke belangen en het algemeen belang van de positie van de vader zwaarder wegen dan de belangen van verzoekster bij de naamswijziging. Eiser stelt in dat verband dat de naamswijziging een vorm is van ernstige geestelijke mishandeling van hem en de aanvraag het gevolg is van negatieve beïnvloeding door de moeder van verzoekster en daarmee uiting geeft aan ouderverstoting. Over het algemeen belang stelt eiser dat met de toewijzing van de aanvraag tot naamswijziging het vertrouwen in de overheid en de rechterlijke macht ernstig wordt geschaad, het ontwrichten van gezinnen wordt beloond en vaders nog steeds het nakijken hebben. In dat verband wijst eiser op artikel 8 van Pro het EVRM dat juist opdraagt om het familieleven te beschermen tegen schendingen van dat familieleven.
5.1.
Hiervoor is al gebleken dat eiser niet betwist dat aan de vereisten van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit geslachtnaamwijziging wordt voldaan. Zoals volgt uit de Nota van toelichting bij artikel 4 van Pro het Besluit geslachtsnaamwijziging is in dat geval het verzoek van de meerderjarige in beginsel doorslaggevend. Dit betekent dat de staatssecretaris een verzoek om naamswijziging van een meerderjarige toewijst, tenzij er aanwijzingen zijn dat het verzoek om naamwijziging niet in het belang van de meerderjarige is. [7] Daarbij worden ook de belangen van eiser bij de afwijzing van het verzoek meegenomen (zie onder 3). In deze belangenafweging is – anders dan eiser stelt – geen ruimte voor het algemeen belang of belangen van anderen dan eiser. De stellingen van eiser hierover blijven daarom verder onbesproken. Voor zover eiser zich beroept op artikel 8 van Pro het EVRM [8] (familieleven) geldt dat een geslachtsnaam weliswaar raakt aan het familieleven, maar dat deze belangen zijn verdisconteerd in de bepalingen die de wijziging van die geslachtsnaam mogelijk maken. Als daaraan wordt voldaan, is geen ruimte meer voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. [9]
5.2.
Ten aanzien van de (andere) persoonlijke belangen van eiser, begrijpt de rechtbank dat de geslachtsnaamswijziging emotionele gevolgen heeft voor eiser. Tegelijkertijd oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar heeft betrokken en op goede gronden heeft overwogen dat de belangen van eiser niet aan de naamswijziging in de weg kunnen staan. Daarbij speelt mee dat verzoekster ruimschoots meerderjarig is en dat zij – zo is ter zitting opnieuw gebleken – de aanvraag en de gevolgen daarvan voor zichzelf en voor haar kinderen (de kleinkinderen van eiser) goed heeft overwogen. Zoals hiervoor is overwogen komt aan de wens van verzoekster, als meerderjarige, groot gewicht toe en wordt die wens in beginsel ingewilligd. Verzoekster heeft ook aangegeven dat zij al jaren met de door haar gewenste naam door het leven gaat. Anders dan eiser stelt, is het de rechtbank niet gebleken dat verzoekster bij de aanvraag onder druk is gezet door derden of anderszins niet uit vrije wil een aanvraag heeft ingediend. Volgens vaste rechtspraak, spelen de omstandigheden die in het verleden hebben geleid tot verwijdering in het contact tussen eiser en verzoekster verder geen rol. Dat geldt ook voor eisers verwijzing naar de oorsprong en impact van ouderverstoting in zijn concrete situatie. [10] Anders dan eiser stelt, rust op verzoekster geen verplichting om eerst te werken aan de familierelatie of de achternaam van haar man te gebruiken, omdat dit minder impactvol is voor eiser. Dit zijn ook geen persoonlijke belangen die kunnen leiden tot een ander oordeel.
5.3.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris aan de belangen van verzoekster bij de naamswijziging een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan de belangen van eiser.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit en daarmee de toewijzing van de aanvraag van verzoekster tot naamswijziging in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026 door mr. F.P. Heijne, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A. Dingemanse, leden, in aanwezigheid van A. Ay, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:6019).
2.Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamwijziging.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1999), onder 4.1.
4.Het verbod op vooringenomenheid is opgenomen in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1), onder 7.2.
6.Dit is neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Awb.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3233).
8.Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9.Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:3973) en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 februari 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:621).
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:638), onder 4.