Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7096

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3391
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens zelfredzaamheid

Verzoeker heeft meerdere malen een aanvraag ingediend voor toelating tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015, welke door het college is afgewezen wegens zelfredzaamheid. Verzoeker woont met zijn partner en minderjarige dochter en verkeert sinds maart 2026 feitelijk in een situatie van dakloosheid, waarbij tijdelijke opvang via het Rode Kruis en een tuinhuisje werd geregeld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker zelfredzaam is omdat hij in staat is om met behulp van zijn sociale netwerk en eigen inkomen tijdelijke huisvesting te regelen. Er zijn geen bijkomende hulpvragen op andere leefgebieden vastgesteld en er zijn geen zorgen over het welzijn of de opvoeding van het kind. De krapte op de woningmarkt vormt geen grond voor maatschappelijke opvang.

Hoewel verzoeker en zijn gezin in een lastige situatie verkeren, is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die een positieve verplichting tot opvang op grond van artikel 8 EVRM Pro opleveren. Het college heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van het minderjarige kind en alternatieve huisvestingsmogelijkheden zijn beschikbaar.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens zelfredzaamheid van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3391

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

mede namens zijn partner en hun minderjarige dochter [dochter] (2025),
(gemachtigde: mr. M. Kaplan),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. W. Breure).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over verzoekers aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker zelfredzaam is. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college en wijst in deze uitspraak het verzoek af
.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft zich op 26 maart 2026 gemeld met een aanvraag voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker (1993) heeft zich op 9 juli 2024 voor de eerste keer gemeld bij [opvang] met een huisvestingsvraag. Hij woonde op dat moment nog bij zijn moeder en zijn broer. Verzoeker gaf aan dat hij door de thuissituatie psychische klachten heeft gekregen en zich niet meer op zijn werk kan concentreren. Zijn broer is verslaafd aan verdovende middelen en veroorzaakt met zijn verslavingsgedrag veel problemen (in huis). De aanvraag is afgewezen met het advies om naar woonruimte te zoeken in andere delen van Nederland waar de druk op de woningmarkt lager is.
2.1.
Op 4 november 2024 heeft verzoeker zich opnieuw gemeld voor huisvesting. Daarbij heeft verzoeker aangegeven dat zijn partner en hij een baby verwachten en daarom graag een eigen woning willen. Op 27 december 2024 heeft verzoeker zich nogmaals gemeld. Verzoeker verbleef op dat moment bij een vriend en had het ouderlijk huis verlaten terwijl hij daar wel nog kon en mocht blijven. De verzoeken zijn afgewezen wegens zelfredzaamheid en verwijtbare dakloosheid.
2.2.
Op 3 januari 2025 heeft verzoeker zich nogmaals gemeld met een huisvestingsvraag. Verzoeker is gewezen op de eerdere afwijzing en zijn zelfredzaamheid en geadviseerd naar huisvesting buiten (de regio) [regio 1] te kijken of een tijdelijke oplossing te zoeken in een hostel of hotel, of bij familie. Verzoeker gaf aan in [regio 1] te willen blijven, omdat hij in [plaats] werkt.
2.3.
Op 15 september en 18 september 2025 heeft verzoeker zich wederom gemeld met een huisvestingsvraag. Daarbij heeft verzoeker aangegeven dat hij met zijn gezin bij een kennis inwoont. Zij moeten deze woning verlaten omdat de hoofdhuurder gaat vertrekken. Verzoeker mag van [woningcorporatie] niet met zijn gezin in de woning blijven wonen. Volgens [stichting] komt verzoeker ook niet in aanmerking voor urgentie.
2.4.
Op 19 maart 2026 heeft verzoeker zich opnieuw gemeld met een huisvestingsvraag. De hoofdhuurder van hun woning gaat nu daadwerkelijk vertrekken en verzoeker en zijn gezin kunnen niet mee. Zij hebben [woningcorporatie] gemaild om hen uitstel te verlenen vanwege de baby. Verzoeker is geadviseerd om zich ook als woningzoekende in te schrijven in [regio 2] of in de [regio 3] . Op 26 maart 2026 heeft verzoeker zich nogmaals gemeld omdat zijn gezin vanaf die dag feitelijk dakloos is geworden. Vervolgens heeft het college het bestreden besluit genomen.
Waar gaat deze zaak om?
3. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat het college vindt dat verzoeker zelfredzaam is. Verzoeker wordt geacht in staat te zijn om zich op eigen kracht, desnoods met hulp vanuit zijn sociale netwerk, te handhaven in de samenleving, en dus zelf voor onderdak voor zichzelf en zijn gezin te kunnen zorgen. [1] Verzoeker is het hier niet mee eens en wil met zijn verzoek bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat hij alsnog met zijn gezin tot de maatschappelijke opvang wordt toegelaten.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als er sprake is van ‘onverwijlde spoed’, waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
4.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij feitelijk dakloos is, samen met zijn partner en hun kind van negen maanden oud. Na de melding op 26 maart 2026 hebben verzoeker en zijn gezin elf dagen opvang gekregen via het Rode Kruis, in een hotel. Voordat deze elf dagen waren verstreken heeft verzoeker via een kennis een tuinhuisje kunnen regelen, waarin hij tijdelijk met zijn gezin kan verblijven. Een tuinhuisje is echter geen passende oplossing voor de langere termijn. Het is niet toegestaan een dergelijke woning voor langere tijd te huren. Dit is bovendien voor verzoeker ook financieel niet haalbaar. Daarbij kan verzoeker zich op dit adres niet inschrijven in de basisregistratie personen. Verder is onzeker hoe lang het gezin in het tuinhuisje mag blijven wonen. Verzoeker kan niet terug naar de woning van zijn moeder omdat het contact met haar op dit moment niet goed is.
De voorzieningenrechter neemt op grond hiervan het spoedeisend belang wel aan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
5. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Een inwoner van Nederland komt – kort gezegd – in aanmerking voor opvang op grond van de Wmo 2015 als hij of zij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn of haar veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn of haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. [2]
Zelfredzaamheid
7. Verzoeker kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als hij geen onderdak heeft door de problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam. [3] Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren.
8. Uit het dossier, en wat op de zitting nog is aangevoerd, komt naar voren dat verzoeker zelfredzaam is. Verzoeker heeft zich op 26 maart 2026 gemeld met een hulpvraag gericht op huisvesting. Het college heeft nader onderzoek gedaan naar de hulpvraag van verzoeker. Daarbij heeft ook een (intake)gesprek met verzoeker en zijn partner plaatsgevonden. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzingen dat het onderzoek niet zorgvuldig of volledig genoeg is geweest.
9. Uit het gesprek met verzoeker is gebleken dat hij met name hulp vraagt bij het vinden en verkrijgen van huisvesting. Niet is gebleken dat sprake is van bijkomende hulpvragen op andere leefgebieden. De betrokken Wmo-adviseur heeft geen signalen geconstateerd van problemen op financieel gebied (problematische schulden), van verslavingsproblematiek of van problemen bij het psychosociaal functioneren, het werk of de dagbesteding. Verzoeker woont al 20 jaar in [woonplaats] en heeft nog nooit een beroep op (de) hulpverlening hoeven doen. Hij is werkzaam als analist in een laboratorium in [plaats] . Daarmee verdient hij naar eigen zeggen ongeveer € 2.600,- bruto per maand. Daarnaast heeft verzoeker zelf kinderbijslag en een kindgebonden budget aangevraagd en gekregen. Verder is het hem op eigen kracht gelukt om tijdelijke huisvesting (eerder bij een kennis en nu in het tuinhuisje) te regelen. Dat dit geen duurzame oplossing is en dat vooralsnog onzeker is hoe lang verzoeker en zijn gezin in het tuinhuisje kunnen blijven wonen, maakt niet dat verzoeker niet zelfredzaam is.
10. Verder zijn er geen zorgen over het welzijn of de ontwikkeling van het kind, noch over de opvoedsituatie. Er is geen sprake van een onveilige of instabiele opvoedomgeving. Verzoeker en zijn partner hebben geen opvoedkundige vragen.
11. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker zelfredzaam is en feitelijk alleen een huisvestingsprobleem heeft. Dat het hem tot op heden niet is gelukt om een woning te krijgen is vooral het gevolg van de krapte op de woningmarkt, meer specifiek in de regio [regio 4] , maar niet van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. De Wmo 2015 is niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.
Bijzondere omstandigheden en de belangen van het kind
12. Ondanks dat verzoeker niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoort kunnen er toch redenen zijn om het college op te dragen hem met zijn gezin tot die opvang toe te laten in verband met de zwaarwegende belangen van verzoeker of zijn partner en met name hun minderjarige dochter.
12.1.
Uit vaste rechtspraak [4] van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat artikel 8 van Pro het EVRM [5] geen recht op woonruimte garandeert. Het college is dus niet al op voorhand op die grond verplicht om verzoeker, ondanks zijn zelfredzaamheid, opvang te bieden. Slechts in bijzondere omstandigheden kan een verplichting om onderdak te verschaffen aan bijzonder kwetsbare personen voortvloeien uit artikel 8 van Pro het EVRM. [6]
12.2.
Van zulke omstandigheden is in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter ziet wel dat verzoeker op dit moment in een lastige situatie verkeert, zonder vast verblijfadres. Dit betekent echter nog niet dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van verzoeker en zijn gezin door de aanvraag om maatschappelijke opvang af te wijzen. Uitgangspunt is dat verzoeker zelfredzaam is en inkomen heeft. Zijn zelfredzaamheid maakt dat het primair de verantwoordelijkheid is van verzoeker om in onderdak voor zichzelf en zijn gezin te voorzien. Verzoeker is hierin in zekere zin ook geslaagd. Eerder heeft verzoeker geregeld dat hij met zijn gezin bij een kennis kon inwonen en nadat het gezin de woning die zij onderhuurden in maart 2026 heeft moeten verlaten, is het verzoeker gelukt om tijdelijk onderdak te vinden in een tuinhuisje. Zoals gezegd doet de omstandigheid dat dit geen duurzame oplossing is en dat vooralsnog onzeker is hoe lang zij in het tuinhuisje kunnen blijven aan de zelfredzaamheid van verzoeker niet af. Daarbij is op de zitting gebleken dat er nog alternatieven zijn. Verzoeker is aangemeld voor de pilot flexwonen (tijdelijke huisvesting voor bankslapers). Op de zitting heeft het college verklaard dat er (nog steeds) een flexwoning voor verzoeker beschikbaar is. De partner van verzoeker kan met hun minderjarige kind in aanmerking komen voor opvang voor ontheemde Oekraïners. Dat verzoeker geen gebruik wil maken van een flexwoning, omdat hij dan (tijdelijk) gescheiden zou moeten wonen van zijn partner en kind, is de keuze van verzoeker. Verder zou verzoeker ook naar woningen kunnen kijken in (krimp)regio’s buiten de regio [regio 4] , [regio 2] of de [regio 3] .
12.3.
Het college heeft zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van het minderjarige kind van verzoeker. Bij de intake op 26 maart 2026 was ook een Loketspecialist Jeugd aanwezig. Deze heeft onderzoek gedaan naar de gezondheid, ontwikkeling, dagbesteding, opvoeding en aanwezige opvoeders van het kind en geconcludeerd dat er geen zorgen waren over haar directe veiligheid. Verzoeker en zijn partner lijken over voldoende opvoedcapaciteiten te beschikken. Ze zijn rustig, zorgzaam en liefdevol naar hun dochter toe en maken (oog)contact met haar. Verzoeker is kostwinner en zijn partner zorgt voor hun kind. Bij de intake en op de zitting zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die maken dat het kind niet met haar moeder in de opvang voor ontheemde Oekraïners zou kunnen verblijven.
12.4.
Het college heeft daarom geen positieve verplichting hoeven zien om verzoeker en zijn gezin wegens zwaarwegende belangen alsnog tot de maatschappelijke opvang toe te laten.
13. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen maatschappelijke opvang krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
2.Zie artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
3.Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1339.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Zie de uitspraak van de Raad van 23 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1087.