Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6304

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/8376
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstandsuitkering wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiser heeft een bijstandsuitkering aangevraagd met een gewenste ingangsdatum van 13 november 2024, de dag waarop hij uit detentie kwam. Het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee kende de uitkering toe per 4 december 2024, de datum van de aanvraag. Eiser betoogde dat vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek en resocialisatieproblemen hij niet in staat was eerder een aanvraag te doen en dat hem daardoor uitkering met terugwerkende kracht moest worden toegekend.

De rechtbank stelt vast dat volgens artikel 44 van Pro de Participatiewet de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht ontstaat, maar niet vóór de dag van melding of aanvraag. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen hiervan afwijken. De rechtbank oordeelt dat eiser geen concrete omstandigheden heeft aangevoerd die rechtvaardigen dat hij zich niet eerder kon melden, mede omdat hij ondersteuning kreeg van Stichting MEE en een bewindvoerder.

Omdat eiser niet op de zitting is verschenen om zijn stellingen nader toe te lichten, concludeert de rechtbank dat het college terecht de ingangsdatum van 4 december 2024 heeft gehanteerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt toegekend per datum aanvraag en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8376

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.L. Kuit),
en

het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee, het college

(gemachtigde: A. Voogt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiser toegekende bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet met die datum eens en voert daarvoor een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ingangsdatum van de toegekende bijstandsuitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering terecht per 4 december 2024 heeft toegekend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 7 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college eiser bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) toegekend met ingang van 4 december 2024.
2.1.
Met een besluit van 23 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: De gemachtigde van het college. Eiser en zijn gemachtigde hebben aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontving eerder al een uitkering die per 1 januari 2023 is beëindigd in verband met detentie. Tijdens deze detentie zijn eisers vaste lasten van de woning (huur en vastrecht) doorbetaald in de vorm van bijzondere bijstand. Eiser heeft op 4 december 2024 bij het college een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Hij heeft daarbij 13 november 2024 als gewenste ingangsdatum genoemd.
3.1.
Het college heeft, met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, de bijstandsuitkering per 4 december 2024 toegekend, dat is de datum van de aanvraag.
Het standpunt van eiser
4. Eiser betoogt - kort weergegeven – dat hij als gevolg van zijn persoonlijkheidsproblematiek (door traumatische jeugdervaringen die niet verwerkt zijn) niet dan wel onvoldoende in staat is om zijn eigen belangen naar behoren te behartigen. Eiser krijgt vanuit Stichting MEE en bewindvoering niet voor niets hulp op velerlei gebied. Eiser was na zijn ontslag uit detentie onvoldoende in staat om zijn belangen naar behoren te behartigen en/of daar hulp voor te zoeken. Eiser had grote moeite met resocialiseren, vooral omdat hem de omgang met zijn dochter werd ontzegd door zijn ex-partner en moeder. Eiser is van mening dat hem de bijstandsuitkering met terugwerkende kracht had moeten worden toegekend per 13 november 2024, dat is de datum waarop hij uit detentie kwam. Eiser betoogt dat de periode waarin hij geen uitkering heeft ontvangen ervoor heeft gezorgd dat hem (voor zijn doen) veel geld is ontzegd. Als gevolg daarvan kon het leefgeld dat eiser ontvangt van zijn bewindvoerder niet verhoogd worden, wat eiser ernstig beperkt in zijn bestaan.
Het oordeel van de rechtbank
5. Het geschil betreft de periode van 13 november 2024, de verzochte ingangsdatum, tot 4 december 2024, de ingangsdatum van de bijstandsuitkering.
6. In artikel 44, eerste lid, van de Pw is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen [2] .
7. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijstandsuitkering per 13 november 2024 wordt toegekend. Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van eiser om zich tijdig bij het college te melden. Eiser heeft zijn aanvraag persoonlijk ingediend op 4 december 2024. Hij heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd die maken dat hij dat niet een aantal weken eerder kon doen. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ondersteund wordt door Stichting MEE en een bewindvoerder, zodat hij hen had kunnen inschakelen als dat nodig was geweest. Uit het aanvraagformulier voor de bijstandsuitkering maakt de rechtbank overigens op dat eiser de bewindvoerder ook heeft ingeschakeld, omdat het e-mailadres van de bewindvoerder is vermeld als e-mailadres van de aanvrager. In de door eiser aangevoerde omstandigheden is geen grond gelegen voor het oordeel dat eiser niet in staat was om zich al dan niet met hulp van een derde eerder te melden. Door zowel in bezwaar als in beroep niet op de zitting te verschijnen heeft eiser die omstandigheden ook niet nader toegelicht. Dat eiser door de ingangsdatum van de bijstandsuitkering drie weken uitkering ‘mist’, komt doordat hij zich niet op 13 november 2024 maar op 4 december 2024 voor een bijstandsuitkering heeft gemeld. Het college kan op grond van de Pw niet worden verplicht een eerdere ingangsdatum te hanteren.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:416.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:159.