Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6083

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/1244
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 8.7 Wet dierenArt. 8.8 Wet dierenArt. 2.4 Regeling dierlijke productenArt. 4 Verordening 852/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete voor overtreding levensmiddelenhygiëne door verontreiniging met baansmeer

Eiseres kreeg een bestuurlijke boete van €2.500 opgelegd wegens overtreding van artikel 6.2 van de Wet dieren, in samenhang met Europese hygiënevoorschriften, omdat een runderkarkas verontreinigd was met baansmeer. De overtreding werd vastgesteld op basis van een rapport van bevindingen van de NVWA, inclusief foto’s.

Eiseres betwistte de overtreding en stelde dat het rapport onvoldoende duidelijk was en dat zij niet tijdig was geïnformeerd. De rechtbank oordeelde dat het rapport betrouwbaar is en dat de foto’s de bevindingen ondersteunen. Ook was geen verhoor afgenomen, zodat geen cautie of recht op bijstand hoefde te worden gegeven.

De rechtbank verwierp de bezwaren van eiseres, bevestigde de overtreding en de bevoegdheid van verweerder om de boete op te leggen. Het beroep werd ongegrond verklaard, de boete bleef in stand en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €2.500 wegens overtreding van hygiënevoorschriften en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1244

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,

(gemachtigden: mr. S.M. Geerding en mr. D.J. van der Bij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500, - die verweerder met het besluit van 18 oktober 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift [1] .
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder vergezeld door [naam].

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 6 augustus 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
In het rapport van bevindingen [2] staat onder meer het volgende:

Bevindingen:
Datum en tijdstip van de bevinding(en): 22 april 2024, omstreeks 09:30 uur.
Ik ben in naam en functie bekend bij dit bedrijf.
Op 22 april 2024 om ongeveer 9.30 uur bevond ik mij in de slachthal van bovengenoemd bedrijf in het kader van de PM-keuring van de noodslachting van een rund. Ik zag een rund dat de vorige dag geslacht was en die ter keuring werd aangeboden. Ik zag op dit levensmiddel een zwart kleurig materiaal met een vettige consistentie ter hoogte van rechterbil (zie 3 foto's). Ik heb dit herkend als zijnde baansmeer, in dit geval afkomstig van de haak waar de bijbehorende hartslag aan hing en die tegen het betreffende karkas hing. Baansmeer is eensmeermiddel ter bevordering van de geleiding van apparatuur. Het smeermiddel heeft van zichzelf een lichte transparante kleur. Bij gebruik wordt het na verloop van tijd steeds donkerder en zwarter van kleur, door het contact met de apparatuur en de ophoping van vuil. Het smeermiddel op zichzelfkan 'food grade' zijn, echter baansmeer circuleert over een baan en kan daarbij vervuiling meenemen. Op deze manier kan het tevens fungeren als transporteur van ziektekiemen.
Het bedrijf slacht dieren, zodat het geproduceerde vlees afkomstig van deze dieren na de verplichte keuring geschikt is voor humane consumptie.
Ik deed deze constatering in slachthal op het moment dat het betreffende runderkarkas van de noodslachting aangeboden werd voor de PM-keuring. Op dit punt zijn alle slachthandelingen in het kader van de PM-keuring en alle op HACCP gebaseerde controles in dit kader van de exploitant afgelopen.
Na mijn bevindingen heb ik een medewerker gevraagd het baansmeer eraf te snijden, waarop ik de PM-keuring heb voortgezet.
Baansmeer van de baan verontreinigt het karkas. Baansmeer kan vervuiling van de baan en potentieel ziektekiemen bevatten.
Ik zag dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3 van Verordening (EG) nr. 852/2004 juncto artikel 4 lid 2 van Pro deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder c van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren.
Deze bevinding(en) worden onderstaande overtreder aangerekend.
(…)”
4. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, juncto artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, juncto artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening (EG) nr. 852/2004. [3] Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500, -. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres betwist de geconstateerde overtreding. Volgens haar valt uit de foto’s niet op te maken dat sprake is van verontreiniging noch is zij op de dag van de constatering benaderd door verweerder. Eiseres betoogt dat haar bij de hoorzitting door verweerder is gezegd dat het rapport van bevindingen onvoldoende duidelijk is om een overtreding vast te stellen. Eiseres voert tot slot aan dat verweerder met een waarschuwing had moeten volstaan.
5.1.
Verweerder stelt dat van de juistheid van het rapport van bevindingen mag worden uitgegaan. Uit het rapport blijkt dat enkele medewerkers van verweerder op de dag van de constatering zijn aangesproken. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om aan de voorwaarden te voldoen en verontreiniging met baansmeer is een meer dan gering risico of gevolg voor de volksgezondheid.
5.2.
In een geval als dit, waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder moet daarom het bewijs leveren dat het slachthuis artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten, en artikel 4, tweede lid, juncto met punt 3 in Hoofdstuk IX van Bijlage II van Verordening 852/2004 heeft overtreden. Voor dit bewijs steunt verweerder in dit geval op het rapport van bevindingen.
5.3.
Volgens het rapport van bevindingen zag de toezichthouder bij een geslacht rund dat ter keuring werd aangeboden een zwart kleurig materiaal met een vettige consistentie ter hoogte van rechterbil, door hem herkend als baansmeer. Deze bevindingen worden ondersteund door de bij het rapport gevoegde foto’s. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder. Het enkel aanvoeren dat de foto’s onduidelijk zijn is daarvoor onvoldoende. Uit het verslag van de telefonische hoorzitting van 24 januari 2024 blijkt dat
mr. R.R. Berkhout, die namens verweerder op de hoorzitting aanwezig was, aan de gemachtigde van eiseres de vraag stelt of de toelichting van de toezichthouder over de wijze van verspreiding en vervuiling door baansmeer en het mogelijk risico onvoldoende is toegelicht in het rapport van bevindingen. Anders dan eiseres stelt, blijkt hieruit niet dat verweerder erkent dat het rapport onvoldoende duidelijk is.
5.4.
Zoals het CBb heeft overwogen in de uitspraak van 13 augustus 2024, ECLI:NL:CBB:2024:566, is het aannemelijk dat de aanwezigheid van baansmeer op voor humane consumptie goedgekeurde organen een gevaar introduceert en is daarmee sprake van een verontreiniging als bedoeld in Bijlage II, Hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004.
5.5
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres in dit geval de genoemde bepalingen heeft overtreden. Verweerder was daarom bevoegd om eiseres een boete op te leggen.
6. De rechtbank gaat voorbij aan wat eiseres aanvoert over verdagingsbesluiten die verweerder valselijk zou hebben opgemaakt om de beslistermijn te verlengen. Dit omdat eiseres die stelling op geen enkele manier heeft onderbouwd en ook niet is in te zien dat dit relevant zou kunnen zijn in deze procedure.
7. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat verweerder haar niet de cautie heeft gegeven en haar ook niet gewezen heeft op het recht op bijstand van een raadsman overweegt de rechtbank het volgende. De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1135), onder rechtsoverweging 5.2.3, overwogen dat de betrokken overheidsinstantie degene tegen wie strafvervolging is ingesteld in elk geval moet hebben geïnformeerd over zijn recht op bijstand door een raadsman voordat deze persoon voor het eerst met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete wordt verhoord in de zin van artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrechtspraak. In de uitspraak van 24 december 2024, ECLI:RVS:2024:5293 volgt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit uitgangspunt van de Hoge Raad en ook het CBb doet dat in de uitspraak van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:111, rechtsoverweging 8.2. Dit betekent dat voor het moment waarop de betrokkene gewezen moet worden op het recht op bijstand door een raadsman, wordt aangesloten bij het moment waarop de cautie moet worden gegeven. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat niet dat er een verhoor heeft plaatsgevonden. Daarom was het niet noodzakelijk cautie te geven en te wijzen op het recht op bijstand door een raadsman. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegde bestuurlijke boete in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr.A. Verhoeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening (EG) nr. 852/2004
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f
Definities
1. Voor de uitvoering van deze verordening gelden de volgende definities:
(...)
f) „verontreiniging": de aanwezigheid of de introductie van een gevaar;
Artikel 4, tweede lid
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3
In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Wet dieren
Artikel 6.2
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften
van EU verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
(...)
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 8.8, eerste lid
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor
categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
(...)
2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
(...)
Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Artikel 5:46
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst
van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de
omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke
boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Regeling dierlijke producten
Artikel 2.4, eerste lid, onder c
1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
(…)
c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van
verordening (EG) nr. 852/2004
Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste lid, onder c en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende
boetecategorieën vastgesteld:
(...)
c. categorie 3: € 2500;
(...)
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld
overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.
Artikel 2.3
Indien de risico's of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.

Voetnoten

1.Dossierstuk A20.
2.Productie 1, B-map
3.Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (Verordening 852/2004).