Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5713

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
C/10/711459 / HA ZA 25-1067
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 147 lid 1 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 130 lid 1 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid voor frustratie ontruiming en schadevergoeding

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzetprocedure waarin eisers schadevergoeding vorderden van bestuurders van vennootschappen wegens bestuurdersaansprakelijkheid. Eisers stelden dat de bestuurders persoonlijk ernstig verwijtbaar tekortschoten in de nakoming van een koopovereenkomst en de frustratie van een ontruimingsvonnis.

De rechtbank oordeelde dat de bestuurders geen persoonlijk ernstig verwijt kon worden gemaakt voor het niet nakomen van de koopovereenkomst, omdat zij aannemelijk maakten dat zij dachten de financiering rond te krijgen en geen concrete aanwijzingen waren dat zij dit niet konden. Wel werd geoordeeld dat de bestuurders de ontruiming van het pand hebben gefrustreerd door het pand vlak voor de ontruiming vol te zetten met roerende zaken, waardoor ontruiming vertraagd werd en hoge kosten ontstonden.

De bestuurders werden daarom hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan eisers, bestaande uit ontruimingskosten en gebruiksvergoeding over drie maanden. Het verstekvonnis werd vernietigd en de proceskosten werden aan de bestuurders opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Bestuurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €34.135,38 schadevergoeding wegens frustratie ontruiming, verstekvonnis vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711459 / HA ZA 25-1067
Vonnis in verzet van 13 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

hierna te noemen: [eiser 1]
2.
[eiser 2],
hierna te noemen: [eiser 2]
hierna samen te noemen: [eisers] ,
beiden te [woon-/vestigingsplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. P.P. Hart,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1]
2.
[gedaagde 2],
hierna te noemen: [gedaagde 2]
beiden te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.E. van Lutterveld,
gedaagde partijen,

1.Kern van het geschil en de beslissing

[eisers] vorderen schadevergoeding van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. [eisers] maken [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het persoonlijk ernstig verwijt dat de vennootschappen waarvan zij (indirect) bestuurders zijn, hun contractuele verplichtingen ten aanzien van het gehuurde en later gekochte bedrijfspand en de bovenwoning van [eisers] niet zijn nagekomen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij naast de vennootschap aansprakelijk zijn voor de tekortkomingen van de vennootschappen.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het tekortschieten in de nakoming van de koopovereenkomst van het pand. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt wel verweten dat zij de ontruiming van het pand van [eisers] hebben gefrustreerd na het ontruimingsvonnis. De schade als gevolg daarvan moeten zij vergoeden. Die schade wordt begroot op de ontruimingskosten en op de gebruiksvergoeding over een periode van drie maanden, inclusief de maand van ontruiming.
De rechtbank licht in dit vonnis toe hoe zij tot deze en aanverwante beslissingen is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van [eisers] van 4 oktober 2024, met producties 1-13;
- het verstekvonnis van 13 november 2024 met zaaknummer C/10/687467 / HA ZA 24-881;
- de verzetdagvaarding van 29 september 2025;
- de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis van [eisers] , met
producties 14-34;
- de spreekaantekeningen van [eisers] ;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ;
- de mondelinge behandeling op 14 april 2026.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat er vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[eiser 1] is eigenaar van de onroerende zaak aan de [adressen] te [woonplaats] . [eiser 2] is bestuurder van [eiser 1] en eigenaar van de boven dit pand gelegen woning op nummer [adres] .
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de directe bestuurders van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en indirect van dochtervennootschap [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] exploiteerde een lingeriewinkel in het pand van [eiser 1] .
De huurovereenkomst en de koopovereenkomst
3.3.
Op 1 juni 2020 heeft [bedrijf 2] met [eiser 1] een huurovereenkomst gesloten voor de huur van de winkelruimte met magazijn en opslagruimte aan de [adressen] te [woonplaats] (hierna: de winkelruimte), voor de duur van 5 jaren. In de huurovereenkomst staat dat de huurprijs € 33.250,51 per jaar bedraagt en in maandelijkse termijnen van € 2.770,987 exclusief btw, zijnde € 3.352,75 inclusief btw, bij vooruitbetaling uiterlijk de eerste dag van elke maand moet worden voldaan. De huurovereenkomst bepaalt dat de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd.
3.4.
Op 10 september 2023 hebben [eisers] als verkopers en [bedrijf 1] als koper een koopovereenkomst gesloten voor de verkoop en koop van de winkelruimte van [eiser 1] en de daarboven gelegen bovenwoning van [eiser 2] voor een koopsom van
€ 850.000,00. De koopovereenkomst vermeldt verder:

14.2(…) Bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd de kosten van verhaal.
Artikel 20 Nadere Pro Afspraken.
De bovenwoning wordt van 01-09-2023 tot en met 30-04-2024 verhuur[d] aan koper voor het bedrag van € 1.000,-- per eerste van elke maand exclusief btw (…)
3.5.
Op 25 juli 2024 heeft de kantonrechter van deze rechtbank een verstekvonnis gewezen [1] in een procedure van [eisers] tegen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] , waarbij de vorderingen van [eisers] zijn toegewezen. In de hierop door [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ingestelde verzetprocedure heeft de kantonrechter bij vonnis van 14 maart 2025 [2] het verstekvonnis vernietigd en opnieuw beslissend, de huurovereenkomst ontbonden en [bedrijf 2] (onder meer) veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen en met alle sleutels ter beschikking van [eiser 1] te stellen. [bedrijf 2] is verder veroordeeld om tot de dag waarop ontruiming plaatsvindt € 3.866,35 inclusief btw per maand aan huur dan wel gebruiksvergoeding te voldoen. [bedrijf 1] is (onder meer) veroordeeld tot betaling van een contractuele boete van € 85.000,00. Dit vonnis is op 24 maart 2025 door de deurwaarder aan [bedrijf 2] betekend.
3.6.
[bedrijf 2] en [bedrijf 1] hebben niet aan de veroordelingen in het vonnis voldaan. Hierop is op 9 april 2025 bij deurwaardersexploot de ontruiming aangezegd van de winkelruimte en de bovenwoning op 6 mei 2025.
Op 6, 8 en 9 mei 2025 zijn de winkelruimte en de bovenwoning ontruimd. Daags voor de ontruiming zijn grote hoeveelheden roerende zaken zoals inventaris en handelsvoorraad in het pand geplaatst.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vorderen – samengevat en na vermeerdering van eis in de verzetprocedure – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van totaal € 242.441,19, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis. Verder vorderen [eisers] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld in de proces- en beslagkosten.
4.2.
In het verstekvonnis zijn de aanvankelijke vorderingen van [eisers] toegewezen en zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeeld in de proceskosten, behalve de beslagkosten.
4.3.
[gedaagde 1] c.s. vorderen dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de proceskosten met wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

5.De beoordeling

Procedureel
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden in het verzet ontvangen
5.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn met het uitbrengen van de verzetdagvaarding op 29 september 2025 in verzet gekomen van het verstekvonnis. [eisers] beroepen zich op niet-ontvankelijkheid omdat het verzet niet tijdig zou zijn ingesteld.
5.2.
Uit de wet volgt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , die bij verstek zijn veroordeeld, binnen vier weken na (i) de betekening van het vonnis in persoon, of (ii) de daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hen bekend is, verzet kunnen instellen. Van de tweede situatie is pas sprake als die daad naar buiten – maar niet noodzakelijk tegenover [eisers] of hun advocaat – is verricht en de hiervoor bedoelde bekendheid daaruit ondubbelzinnig volgt. Dit betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf een handeling moeten hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat zij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) hun veroordeling beschikken om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. [3]
5.3.
De deurwaarder heeft het verstekvonnis betekend door het in een gesloten envelop op de adressen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] achter te laten. Dat is geen betekening in persoon waarmee de verzettermijn is gaan lopen. Het komt dan ook aan op de vraag of en wanneer [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een daad van bekendheid met het verstekvonnis hebben gepleegd. Zo een daad kan niet worden afgeleid uit de mededeling “
Uw bericht zal ik doorleiden aan cliënten” van de advocaat van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in reactie op een omschrijving van de inhoud van het verstekvonnis door de advocaat van [eisers] Ook blijkt de vereiste daad niet uit de toezending van het verstekvonnis aan de advocaat van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en zijn reactie “
Cliënten zal ik de optie schetsen om ook tegen dit vonnis in verzet te komen”. De bewuste advocaat was toen niet de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en zelfs als hij dat was dan kan zijn bekendheid met de inhoud van het vonnis niet aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden toegerekend. Uit die reacties blijkt immers geen objectieve bekendheid met de inhoud van het vonnis bij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf, af te leiden uit een door hen zelf verrichte handeling of gedane mededeling.
De vereiste objectieve bekendheid volgt ook niet uit de aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overbetekende exploten met betrekking tot de beslaglegging op hun woning en berichten met betrekking tot het overnemen van de executie door de bank op grond van haar hypotheekrecht. Daaruit vloeit niet noodzakelijk bekendheid met de inhoud van het vonnis en de veroordeling voort. Ten slotte is het als bijlage van een e-mail meezenden van het verstekvonnis aan [gedaagde 1] in dit geval onvoldoende. De betreffende e-mail van 23 juni 2025 waarbij het vonnis was gevoegd vermeldt in de onderwerpregel “
deurwaarder en opgeslagen goederen” en vermeldt in de hoofdtekst slechts tussen de regels door dat het vonnis is bijgevoegd, zonder duidelijk te vermelden waartoe [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn veroordeeld. Uit het e-mailbericht van [gedaagde 1] van ruim 2 maanden later, die is gepresenteerd als reactie op de mail van hiervoor, volgt niet duidelijk of dit een reactie is gezien de afwijkende inhoud in de onderwerpregel. Als dit al een reactie op de bewuste e-mail zou zijn, dan volgt ook uit de inhoud ervan niet dat [gedaagde 1] (laat staan [gedaagde 2] ) bekend is met de inhoud van het verstekvonnis. Zijn bericht heeft het algemene onderwerp “
Diverse ellende” en rept met geen woord over het verstekvonnis, zodat bekendheid ook daaruit niet kan worden afgeleid. Andere daden van bekendheid zijn gesteld noch gebleken.
5.4.
Op grond van de in het geding gebrachte stukken en de stellingen van partijen, stelt de rechtbank vast dat de eerste daad van bekendheid met het verstekvonnis plaatsvond op 1 september 2025; de datum waarop de advocaat van [gedaagde 1] het verstekvonnis volgens de eigen onbetwiste stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontving en die kennis overbracht aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Het verzet is met de verzetdagvaarding op 29 september 2025 dan ook tijdig en op de juiste wijze ingesteld. [4] Door het verzet wordt de behandeling van de zaak bij de rechtbank heropend. De verzetdagvaarding geldt als een conclusie van antwoord. [5]
De eisvermeerdering wordt toegelaten
5.5.
Bij akte voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben [eisers] tijdig hun eis gewijzigd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bezwaar gemaakt tegen vorderingen die niet in de dagvaarding waren opgenomen. Door tegenstrijdige stellingen konden zij geen adequaat verweer voeren, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
De rechtbank stelt voorop dat zolang nog geen eindvonnis is gewezen, in beginsel een bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis bestaat. [6] Zowel in de akte eisvermeerdering als tijdens de mondelinge behandeling zijn de vorderingen en grondslagen toegelicht en hebben [gedaagde 1] en (de niet verschenen) [gedaagde 2] daarop kunnen reageren. [gedaagde 1] en zijn advocaat hebben dat ook gedaan, zodat het debat daarmee is afgerond. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake. De rechtbank zal dan ook beslissen op de gewijzigde eis, zoals vermeld bij 4.1.
Inhoudelijk
5.6.
[eisers] plaatsen hun vorderingen tot schadevergoeding in het licht van bestuurdersaansprakelijkheid en menen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van hun handelen dat tot schade bij [eisers] zou hebben geleid.
Maatstaf: hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid
5.7.
Het is vaste rechtspraak dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Slechts onder bijzondere omstandigheden is daarnaast ook ruimte voor aansprakelijkheid van een (feitelijk) bestuurder. Daarvoor is vereist dat de bestuurder van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of daarvan sprake is, hangt af van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. [7]
5.8.
Het is ook vaste rechtspraak dat een bestuurder in beginsel aansprakelijk is als (i) hij namens de vennootschap een verplichting is aangegaan, terwijl hij bij het aangaan wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade van een onbetaald gebleven schuldeiser, [8] (ii) hij een handelswijze van de vennootschap heeft bewerkstelligd of toegelaten, waarvan hij wist of behoorde te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet na zou komen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade, [9] of (iii) hem op andere wijze een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden van de schade van de schuldeiser van de vennootschap.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan niet worden verweten dat de koopovereenkomst niet is nagekomen en zijn daarom niet schadeplichtig
5.9.
[eisers] stellen dat zij als gevolg van het niet nakomen van de koopovereenkomst door [bedrijf 1] schade hebben geleden, bestaande uit de verbeurde boete en schade omdat zij het pand voor een lager bedrag aan een derde hebben moeten verkopen. [eisers] menen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor die schade omdat zij als bestuurders van [bedrijf 1] de koopovereenkomst hebben gesloten, wetende dat [bedrijf 1] haar betalingsverplichtingen niet kon nakomen omdat zij de financiële middelen daartoe niet had.
5.10.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat hen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van de koopovereenkomst door [bedrijf 1] . Op basis van hun goedlopende onderneming hebben zij steeds gedacht dat zij de financiering voor de koopovereenkomst wel konden rondkrijgen, maar de vennootschappen werden na het sluiten van de koopovereenkomst geconfronteerd met onvoorziene financiële tegenvallers, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
5.11.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid is gehaald. Hun stellingen zijn niet concreet gemaakt en tegen het verweer dat sprake was van een goedlopende onderneming hebben zij niets ingebracht. In het kader van hun stelplicht [10] had het op de weg van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelegen om concreet te onderbouwen dat op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst al sprake was van omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat de financiering niet rond zou komen. Het appverkeer tussen partijen in de periode van januari 2023 tot mei 2024 heeft van de zijde van [gedaagde 1] steeds de strekking dat hij ervan overtuigd is te zullen nakomen, zodat daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat hij (op het moment van het sluiten van de overeenkomst) wist of behoorde te weten dat dat niet zo was. Andere feiten of omstandigheden waaruit dat wel volgt zijn gesteld noch gebleken. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.
5.12.
De conclusie is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van de koopovereenkomst (inclusief het niet betalen van de boete) door [bedrijf 1] . Zij zijn (naast de vennootschap) daarom niet schadeplichtig. Dit betekent dat de vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van de niet betaalde boete en/of aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen.
[gedaagde 1] c.s. moeten de schade als gevolg van frustratie van de ontruiming aan [eiser 1] vergoeden
5.13.
[eisers] stellen dat het [gedaagde 1] en [gedaagde 2] valt aan te rekenen dat in weerwil van het ontruimingsvonnis tegen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] niet is meegewerkt aan ontruiming en zelfs de ontruiming hebben tegengewerkt door kort voor de aangezegde ontruimingsdatum het pand vol te zetten met roerende zaken van hun ondernemingen, waardoor [eisers] op hoge kosten zijn gejaagd. Ook de schade door misgelopen gebruiksvergoeding toen de vennootschap bleef zitten terwijl zij op grond het ontruimingsvonnis had moeten vertrekken, is schade die aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] valt toe te rekenen, aldus [eisers]
5.14.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij naast [bedrijf 2] aansprakelijk zijn voor vorderingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst. Bij het aangaan van de huurovereenkomst wisten zij niet en konden zij niet weten dat [bedrijf 2] op enig moment niet (tijdig) aan haar verplichting kon voldoen. [bedrijf 2] heeft zich altijd ingezet om inkomsten te genereren voor haar schuldeisers en is daarom blijven zitten. Voortzetting van de onderneming was noodzakelijk voor de te verwerven inkomsten. Verder is tegen het verstekvonnis van 25 juli 2024 op 21 oktober 2024 verzet ingesteld en tegen het vonnis in die verzetprocedure van 14 maart 2025 hoger beroep, dat nog steeds aanhangig is. [bedrijf 1] maakte nauwelijks gebruik van de bovenwoning. Daarom kan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet worden verweten dat zij met hun onderneming niet uit het pand van [eisers] zijn vertrokken.
5.15.
De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat [bedrijf 2] in het verstekvonnis van 25 juli 2024 is veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde pand en [bedrijf 1] tot ontruiming van de bovenwoning. Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij niet wisten dat hun ondernemingen weg moesten slaagt in elk geval niet voor de periode vanaf 21 oktober 2024, toen zij in verzet zijn gekomen van het verstekvonnis en dus wisten van de ontruimingsverplichting. Desondanks zijn zij met hun onderneming blijven zitten. Weliswaar heeft [bedrijf 2] volgens het door [eisers] ingediende overzicht van betalingen in november en december 2024 en januari 2025 nog 3 serieuze betalingen verricht van totaal € 24.056,35, waaruit kan worden afgeleid dat niet zonder meer sprake is van betalingsonwil, maar een substantiële achterstand bleef bestaan. Op 14 maart 2025 is bij vonnis op tegenspraak het verstekvonnis vernietigd, is de huurovereenkomst voor de winkelruimte ontbonden en zijn [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (de overeenkomst met haar was al geëindigd) verplicht tot ontruiming. Als onbetwist staat vast dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ook na aanzegging van de ontruiming (op 9 april 2025) zijn blijven zitten en dat mevrouw [eiser 2] een grote mond kreeg van [gedaagde 2] toen zij daarop enkele dagen voor de aangezegde ontruimingsdatum werd aangesproken, terwijl tegelijkertijd bleek dat het pand werd volgestouwd met roerende zaken van de ondernemingen [11] . De ontruiming heeft daardoor drie dagen in beslag genomen en heeft hoge kosten veroorzaakt. Deze gang van zaken leidt tot de conclusie dat sinds het vonnis op tegenspraak sprake is van moedwillige frustratie van de ontruiming en het op hoge kosten jagen van [eisers] De schade vanaf dit moment tot en met de datum van ontruiming is schade waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor die schade zijn zij naast [bedrijf 2] en [bedrijf 1] aansprakelijk.
5.16.
De schade bestaat uit de door [bedrijf 2] verschuldigde en onbetwist niet betaalde gebruiksvergoeding vanaf de ontbinding tot de ontruiming. Die gebruiksvergoeding is in het vonnis van 14 maart 2025 bepaald op € 3.866,35 per maand inclusief btw. Het btw deel is geen schade waarvoor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn, zodat de door hen te betalen schadevergoeding (€ 3.866,35 – 21%) € 3.054,42 per maand bedraagt en verschuldigd is vanaf de vervaldag aansluitend bij de ontbonden huurovereenkomst. Dit betekent dat schadevergoeding moet worden betaald in verband met de onbetaalde gebruiksvergoedingen voor de winkelruimte voor de maanden maart, april en mei 2025, zijnde totaal € 9.163,26.
5.17.
In het vonnis van 14 maart 2025 is ook [bedrijf 1] veroordeeld om de woning te ontruimen en te verlaten. Daarnaast is zij veroordeeld om aan [eiser 2] een gebruiksvergoeding van € 1.210,00 per maand (inclusief btw) te betalen over de periode dat de woning niet is ontruimd. Ontruiming van de woning heeft gelijktijdig met de ontruiming van de winkelruimte plaatsgevonden op 6, 7 en 8 mei 2025. Dit betekent dat schadevergoeding moet worden betaald in verband met de onbetaalde gebruiksvergoedingen voor de woning voor de maanden maart, april en mei 2025, zijnde totaal € 3.000,00 (zonder btw). Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat [bedrijf 1] nagenoeg geen gebruik heeft gemaakt van de woning “
behalve enkele dagen na 29 april 2025, toen een magazijn van [bedrijf 2] gesloten werd en er een enkele doos in de woning werd geplaatst” maakt dit niet anders. Het gaat erom dat [bedrijf 1] door de kantonrechter is veroordeeld tot ontruiming van de woning en dat aan die veroordeling bewust niet is voldaan en sterker, de ontruiming is gefrustreerd.
5.18.
De schade bestaat daarnaast uit de kosten die [eisers] hebben moeten maken voor ontruiming van het pand omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bewerkstelligd dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] dat hebben nagelaten. De niet betwiste ontruimingskosten bedragen conform de gespecificeerde opgave van [eisers] € 21.972,12 exclusief btw. Dat die kosten aanzienlijk zijn, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf in de hand gewerkt door het moedwillig volstouwen van het pand in weerwil van de wetenschap dat ontruimd moest worden.
5.19.
De slotsom is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] € 34.135,38 [12] aan schadevergoeding moeten betalen (zie 5.16-5.18). Dit bedrag moeten zij betalen aan [eiser 1] omdat [eisers] onbetwist hebben aangevoerd dat alle betalingen en lasten altijd via [eiser 1] zijn verlopen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daartegen geen bezwaar hebben gemaakt.
5.20.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn over dit bedrag wettelijke rente [13] verschuldigd vanaf de datum van dit vonnis. [eisers] hebben dat gevorderd en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tegen de gevorderde rente geen verweer gevoerd.
Conclusie
5.21.
Gelet op het voorgaande wordt het verstekvonnis vernietigd en zal de rechtbank opnieuw beslissen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiser 1] de schadevergoeding moeten betalen zoals in de beslissing vermeld.
Buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar
5.22.
Bij inleidende dagvaarding hebben [eisers] buitengerechtelijke kosten gevorderd. In hun gewijzigde eis komt deze vordering niet meer voor. Onduidelijk is wat hiervan de reden is. Hoe dit ook zij, [eisers] hebben niet (onderbouwd) gesteld dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, terwijl [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verweer hebben gevoerd op dit onderdeel. Daarom is een eventuele vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten van [eisers] betalen
5.23.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden overwegend in het ongelijk gesteld. Daarom moeten zij de proceskosten van [eisers] betalen, inclusief de niet bestreden beslagkosten. De kosten van [eisers] worden, op basis van het toe te wijzen bedrag, begroot op:
  • kosten dagvaarding € 114,71
  • griffierecht € 2.889,00
  • advocaatkosten € 1.672,00
- nakosten € 189,00 [15]
- kosten executoriaal beslag (excl. btw)
€ 1.175,41 [16]
Totaal € 6.040,12
Veroordelingen hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad
5.24.
De gevorderde hoofdelijkheid en uitvoerbaarheid bij voorraad hebben een wettelijke grondslag en zijn niet bestreden. Daarom worden de veroordelingen hoofdelijk toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
vernietigt het verstekvonnis van 13 november 2024 met zaaknummer C/10/687467 / HA ZA 24-881; en
opnieuw rechtdoende
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eiser 1] van € 34.135,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van dit vonnis;
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 6.040,12, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
3268/1918

Voetnoten

1.zaaknummer 11199801 \ CV EXPL 24-16999
2.zaaknummer 11390033 \ CV EXPL 24-27799
4.Artikel 143 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 1 Algemene Pro Termijnen Wet
5.Artikel 147 lid 1 Rv Pro
6.Artikel 130 lid 1 Rv Pro
7.vgl. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, en daarin opgenomen jurisprudentie
8.HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (
9.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (
10.Artikel 150 Rv Pro
11.Het magazijn van [bedrijf 2] werd op 29 april 2025 in opdracht van de verhuurder door een deurwaarder ontruimd. Een deel van de roerende zaken van [bedrijf 2] is toen opgeslagen in de winkelruimte en de woning.
12.€ 9.163,26 + € 3.000,00 + € 21.972,12
13.Op grond van artikel 6:119 BW Pro
14.2 punten × tarief III van € 836,00
15.plus eventuele verhoging zoals vermeld in de beslissing
16.conform gespecificeerde opgave