Eiseres diende op 12 juli 2024 een aanvraag in voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), maar deze werd door de Dienst Toeslagen afgewezen omdat de aanmelding na de uiterste datum van 2 januari 2024 plaatsvond. Eiseres stelde dat bijzondere omstandigheden, waaronder psychische klachten en verblijf in het buitenland, haar verhinderd hadden tijdig aan te melden en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraagtermijn dwingend was en dat de hardheidsclausule slechts in zeer terughoudende gevallen toepassing vindt. De rechtbank vond dat eiseres geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigen. Het feit dat eiseres geen Nederlandse televisie keek en eerder in Frankrijk woonde, was onvoldoende om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Ook ontbraken medische stukken die haar psychische klachten onderbouwden.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij het verzoek om vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter G.B. Plomp op 15 april 2026. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.