Eiseres diende op 25 maart 2024 een aanvraag in voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), maar deze werd afgewezen omdat de aanmelding na de uiterste datum van 2 januari 2024 plaatsvond. De Dienst Toeslagen motiveerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een latere aanmelding rechtvaardigden.
Eiseres voerde aan dat zij in 2023 onjuiste informatie van de Belastingdienst had ontvangen, ernstige psychische klachten had, en te maken had met persoonlijke en financiële problemen, waardoor zij niet tijdig kon aanmelden. Zij stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat het evenredigheidsbeginsel haar in haar situatie bescherming moest bieden.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraagtermijn dwingend was en dat de hardheidsclausule slechts terughoudend toegepast kan worden. Er was geen bewijs dat de Belastingdienst onjuiste informatie had verstrekt die tot vertraging leidde. Ook waren de persoonlijke omstandigheden onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, mede omdat eiseres in 2023 wel contact kon opnemen met de Belastingdienst.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat artikel 6.1 Wht niet aan dit beginsel kan worden getoetst en eiseres geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die niet door de wetgever waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.