Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam] , uit [plaats] , eiser
de burgemeester van Rotterdam
Samenvatting
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De burgemeester van Rotterdam sloot het winkelpand van eiser voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, vanwege aanwijzingen dat het pand werd gebruikt voor strafbare voorbereidingshandelingen met drugs. De politie trof bij een inval onder meer procaïne in een doos die uit het pand werd meegenomen, en diverse goederen die algemeen bekend staan als hulpmiddelen bij het versnijden en verpakken van verdovende middelen. Eiser betwistte de bevoegdheid van de burgemeester en de noodzaak van de sluiting.
De rechtbank stelde vast dat de burgemeester terecht mocht aannemen dat sprake was van strafbare voorbereidingshandelingen, mede gelet op de combinatie en aard van de aangetroffen goederen, de eerdere sluiting van het pand onder de vorige eigenaar, en de betrokkenheid van die vorige eigenaar en diens medewerkers. De rechtbank verwierp het verweer van eiser dat de procaïne niet uit het pand afkomstig zou zijn en dat hij geen verwijt treft.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester de sluiting ook evenredig en noodzakelijk mocht achten om de openbare orde te herstellen en herhaling te voorkomen. De gevolgen voor eiser, waaronder het verlies van inkomen en vervuiling van het pand, waren niet onaanvaardbaar gezien de ernst van de overtreding en de recidive binnen drie jaar. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de sluiting van het winkelpand voor zes maanden wegens strafbare voorbereidingshandelingen met drugs.