ECLI:NL:RBROT:2026:4934

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/9833
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19, vierde lid, WWArt. 7:667, derde lid, BWArt. 7:672, tweede lid, BWArt. 24, tweede lid, WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op WW-uitkering bij tussentijdse beëindiging arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

Eiser was in dienst bij een werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 februari 2025 tot 31 januari 2026. Op 25 september 2025 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin zij overeenkwamen dat de arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 zou eindigen.

Het UWV weigerde de WW-uitkering voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst, stellende dat geen schriftelijke opzegbevoegdheid was overeengekomen zoals vereist in artikel 19, vierde lid, van de WW en artikel 7:667, derde lid, BW. Eiser betwistte dit en stelde dat de vaststellingsovereenkomst deze opzegbevoegdheid wel bevatte.

De rechtbank oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst impliceert dat partijen de opzegtermijn van één maand zoals bedoeld in artikel 7:672, tweede lid, BW zijn overeengekomen en dat daarmee is voldaan aan de vereisten van tussentijdse opzegging. Hierdoor mocht het UWV de WW-uitkering niet weigeren. Het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het griffierecht aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte de WW-uitkering geweigerd en het bestreden besluit is vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9833

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [persoon A] ).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de weigering van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WW-uitkering ten onrechte heeft geweigerd.

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 4 november 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiser om een WW-uitkering afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 19 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.

Het geschil

2.1.
Eiser was in dienst bij [bedrijf X] . (ex-werkgever) en had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met ingang van 1 februari 2025 tot en met
31 januari 2026. Op 25 september 2025 hebben eiser en zijn ex-werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is opgenomen dat alle eerdere gemaakte afspraken met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden vervangen door de afspraken die zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst. Tevens verklaren zij daarin te zijn overeengekomen en vast te stellen: “De arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt per 1 november 2025.”
2.2.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 19, vierde lid, van de WW, eiser geen recht op een WW-uitkering heeft tot en met 31 januari 2026, omdat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en noch in die arbeidsovereenkomst, noch in de cao, noch in de vaststellingsovereenkomst een opzegbevoegdheid voor de
ex-werkgever is opgenomen. Eiser betoogt dat dit laatste wel het geval is.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
In artikel 19, vierde lid, van de WW is bepaald dat de werknemer geen recht op uitkering heeft totdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou zijn verstreken, indien deze tussentijds met wederzijds goedvinden is geëindigd, zonder dat in die arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen dat deze tussentijds kan worden opgezegd als bedoeld in artikel 7:667, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
In artikel 7:667, derde lid, van het BW is bepaald dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd slechts tussentijds kan worden opgezegd indien voor ieder der partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen.
3.2.
De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft hierover geoordeeld [1] dat de bedoelde mogelijkheid tot tussentijdse opzegging ook nog mag worden overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst. Hij heeft daarbij niets overwogen over de bewoordingen waarin dit in de vaststellingsovereenkomst moet worden overeengekomen.
3.3.
De tussen partijen in hun vaststellingsovereenkomst van 25 september 2025 gemaakte afspraak dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt per 1 november 2025 impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat zij alsnog de in artikel 7:672, tweede lid, van het BW bedoelde opzegtermijn van in dit geval één maand zijn overeengekomen en dat, met inachtneming van die opzegtermijn, overeenkomstig het eerste lid van dat artikel is opgezegd tegen het einde van die maand. Dit betekent dat is voldaan aan het vereiste van artikel 7:667, derde lid, van het BW en dat het UWV de aanvraag van eiser om een WW-uitkering niet op grond van artikel 19, vierde lid, van de WW heeft mogen afwijzen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat het initiatief voor de beëindiging aan de kant van de werkgever heeft gelegen, zodat dit oordeel aansluit op de beoordeling van de gevolgen van de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde duur met wederzijds goedvinden op initiatief van de werkgever. [2]
3.4.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het UWV zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
4. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 november 2025;
- draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. D. Haan en
mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:791.
2.Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW waarover onder meer de uitspraak van de Raad van 24 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:555.