ECLI:NL:RBROT:2026:4934
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op WW-uitkering bij tussentijdse beëindiging arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
Eiser was in dienst bij een werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 februari 2025 tot 31 januari 2026. Op 25 september 2025 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin zij overeenkwamen dat de arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 zou eindigen.
Het UWV weigerde de WW-uitkering voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst, stellende dat geen schriftelijke opzegbevoegdheid was overeengekomen zoals vereist in artikel 19, vierde lid, van de WW en artikel 7:667, derde lid, BW. Eiser betwistte dit en stelde dat de vaststellingsovereenkomst deze opzegbevoegdheid wel bevatte.
De rechtbank oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst impliceert dat partijen de opzegtermijn van één maand zoals bedoeld in artikel 7:672, tweede lid, BW zijn overeengekomen en dat daarmee is voldaan aan de vereisten van tussentijdse opzegging. Hierdoor mocht het UWV de WW-uitkering niet weigeren. Het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte de WW-uitkering geweigerd en het bestreden besluit is vernietigd.