Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4855

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/10/703211 / HA ZA 25-590
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 237 lid 4 RvArt. 337 lid 1 RvArt. 337 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en toebedeling van vennootschap onder firma na beëindiging samenwerking

Eiser en gedaagde waren vennoten in een vennootschap onder firma (vof) die op 7 april 2023 door opzegging werd beëindigd. De rechtbank oordeelt dat de onderneming vanaf die datum aan gedaagde toebehoort, gelet op de afspraken en feitelijke gang van zaken.

Partijen verschillen van mening over de aard van de afspraken uit augustus 2022: eiser stelt dat gedaagde zich toen inkocht, terwijl gedaagde betoogt dat hij eiser uitkocht. De rechtbank concludeert dat gedaagde sinds 28 april 2020 al voor 50% eigenaar was en dat de afspraken in augustus 2022 zien op uitkoop van eiser door gedaagde tegen betaling van €49.000, waarvan nog €13.000 openstaat.

De financiële afrekening moet plaatsvinden op basis van de vastgestelde winstverdelingen en loonafspraken. De rechtbank wijst de provisionele vordering van eiser af, omdat gedaagde sinds 7 april 2023 de enige eigenaar is. De verdere afwikkeling van de financiële afrekening wordt aangehouden, met een procedurele planning voor het indienen van stukken en het nemen van akten.

Uitkomst: De vof is ontbonden per 7 april 2023 en de onderneming wordt aan gedaagde toebedeeld, met aanhouding van de financiële afwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/703211 / HA ZA 25-590
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eiser in conventie en in het artikel 223 Rv Pro-incident,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. M.R. Dill,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde in conventie en in het artikel 223 Rv Pro-incident,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. L.P. Quist.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben met elkaar samengewerkt in een vennootschap onder firma (hierna: de vennootschap of de vof). De vof is door opzegging beëindigd. Partijen twisten over de vragen wie van hen de onderneming mag voortzetten en hoe er tussen hen moet worden afgerekend.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit de feitelijke gang van zaken en de tussen partijen gemaakte afspraken volgt dat de onderneming per 7 april 2023 aan [gedaagde] moet worden toebedeeld. Er moet een financiële afrekening plaatsvinden. De rechtbank zet in dit vonnis de kaders uiteen waarbinnen die afrekening moet plaatsvinden.
1.3.
De incidentele vordering van [eiser] , die ertoe strekt dat [gedaagde] de onderneming niet mag verkopen zolang deze procedure loopt, wordt afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, tevens provisionele vordering ex artikel 223 Rv Pro, van 30 juni 2025, met producties 1 tot en met 69;
  • de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 39;
  • de brieven van de rechtbank van 15 oktober 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 16 januari 2026;
  • de brief van de advocaat van [eiser] van 19 november 2025, met een vervangend exemplaar van productie 36;
  • de berichten van de rechtbank van 16 december 2025, met een agenda voor de mondelinge behandeling;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, tevens conclusie houdende wijziging of vermeerdering van eis in conventie;
  • de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling op 16 januari 2026 (waarvan geen proces-verbaal is opgemaakt).
2.2.
Bij de conclusie van antwoord in reconventie waren de producties 70 tot en met 86 gevoegd. Na bezwaar van de advocaat van [gedaagde] (waarop de advocaat van [eiser] heeft gereageerd) heeft de rechtbank deze producties geweigerd, omdat ze te laat zijn ingediend. De conclusie van antwoord in reconventie zelf is wel geaccepteerd. Dit is op 9 januari 2026 aan partijen medegedeeld.
2.3.
Na de zitting is de zaak op verzoek van partijen aangehouden. Op 4 februari 2026 hebben partijen vonnis gevraagd. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor vonnis.

3.De feiten

3.1.
Volgens een schriftelijke “verkoopovereenkomst” hebben [eiser] en [naam 1] [1] (als kopers) van de heren [naam 2] . en [naam 3] (als verkopers) per 1 december 2019 “ [onderneming] ” in [plaats] (hierna: de onderneming) gekocht. In de overeenkomst is een koopprijs van € 37.200,00 vermeld. De samenwerking tussen [eiser] en [naam 1] is medio februari 2020 beëindigd, waarna de onderneming als eenmanszaak is voortgezet door [eiser] .
3.2.
Volgens de inschrijving in het handelsregister zijn [eiser] en [gedaagde] op 28 april 2020 een vof met elkaar aangegaan, die onder de naam [bedrijf 1] V.O.F. de onderneming (hierna ook: [bedrijf 1] ) exploiteert. Er is geen vof-akte opgemaakt.
3.3.
[bedrijf 1] houdt zich bezig met de exploitatie van een bakkerij en fastfoodrestaurant/shoarmazaak met thuisbezorging.
3.4.
Op 22 augustus 2022 hebben [eiser] , [gedaagde] en zes getuigen een document ondertekend, waarvan de inhoud als volgt luidt:
“(…) Betreft: bevestiging besluitvorming
Hierbij verklaar ik ‘ [eiser] ’ nader dat de heer [gedaagde] zich op 22-08-2022 heeft voldaan aan de som van € 30.000-. De overige € 19.000 wordt in 19 termijnen van € 1.000 betaald elke einde van de maand vanaf eind September voldaan. Nu deze rechtshandeling volbracht is, zal de in consensus gepleegde organogram van [onderneming] te [plaats] per direct in gang gaan. Overigens is er door beide belanghebbenden besloten dat deze constructieve verandering onherroepelijk is. De mondelinge afspraken die voorheen golden zullen dan ook niet meer van kracht zijn. Tot slot zou ik zowel de beide belanghebbenden als overige getuigen vriendelijk willen verzoeken om hun paraaf te plaatsen ter bevestiging. (…)”
3.5.
In de periode van september 2022 tot en met februari 2023 heeft [gedaagde] maandelijks € 1.000,00 aan [eiser] betaald.
3.6.
Bij brief van 7 april 2023 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] aan [gedaagde] geschreven dat de samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde] niet verloopt zoals verwacht mocht worden. Volgens [eiser] is sprake van een onhoudbare situatie. Hij roept daarom de onmiddellijke ontbinding van de vof in. Daarbij is [gedaagde] verzocht om binnen drie dagen te laten weten of hij instemt met de beëindiging van de vof.
3.7.
De advocaat van [gedaagde] heeft in een brief van 27 april 2023 geschreven dat partijen op 22 augustus 2022 vanwege de ontstane onwerkbare situatie zijn overeengekomen dat de onderneming aan [gedaagde] wordt overgedragen tegen betaling van een bedrag van € 49.000,00. Voor zover van overeenstemming geen sprake zou zijn, heeft [gedaagde] de vennootschap in de brief van 27 april 2023 met onmiddellijke ingang opgezegd.
3.8.
In een brief van de toenmalige advocaat van [eiser] van 10 mei 2023 staat dat partijen op 22 augustus 2022 zijn overeengekomen dat [gedaagde] zich voor € 49.000,00 inkocht in de vof. [gedaagde] is nogmaals verzocht binnen drie dagen te laten weten of hij instemt met de beëindiging, waarbij is opgemerkt dat als hij dat niet doet [eiser] zich genoodzaakt ziet [gedaagde] in rechte te betrekken.
3.9.
Partijen hebben een kortgedingprocedure gevoerd over de vraag wie van hen de onderneming voorlopig, in afwachting van de uitkomst van de bodemzaak, mag voortzetten. Bij vonnis van 25 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in het voordeel van [gedaagde] beslist. Het gerechtshof Den Haag heeft dit vonnis bij arrest van 30 juli 2024 bekrachtigd [2] .

4.Het geschil in de hoofdzaak

in conventie
4.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“I. Te verklaren voor recht dat de vennootschap onder firma [bedrijf 1] vof, althans [bedrijf 1] , per 7 april 2023 is ontbonden en dat eiser de meest gerede partij is [bedrijf 1] sedert 7 april 2023 te exploiteren en hiervan eigenaar is, althans dat [bedrijf 1] in eigendom toekomt aan eiser;
II. Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen, binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, een bedrag ad € 45.146,53, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de buitengerechtelijke kosten van incasso over deze vordering ad € 1.226,-, althans een bedrag ter zake de buitengerechtelijke kosten van incasso in goede justitie te bepalen; met veroordeling van gedaagde in de kosten van onderhavige procedure.
III. Gedaagde te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de exploitatie van [bedrijf 1] te staken en deze volledig over te dragen aan eiser, waaronder de volledige boekhouding van [bedrijf 1] sedert 26 juli 2023, de bankpas van [bedrijf 1] , alle contracten met de verhuurder en leveranciers van [bedrijf 1] en overige contractspartners met [bedrijf 1] , zoals energieleveranciers, water- en gasleveranciers, alsmede gedaagde te veroordelen [bedrijf 1] , onder medeneming van zijn persoonlijke eigendommen te verlaten en [bedrijf 1] niet meer te betreden, op straffe van een dwangsom ad € 2.500,- per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, na twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, waarbij een gedeelte van een dag als een volledige dag geldt, zulks tot een maximum ad € 50.000,-, althans zodanige bedragen als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
IV. Gedaagde te veroordelen om binnen twee weken na het ten deze te wijzen vonnis rekening en verantwoording af te leggen aan eiser, zodanig dat boekhoudkundig zonneklaar is welke inkomsten [bedrijf 1] sedert 26 juli 2023 heeft gegenereerd, als ook welke kosten zij heeft gemaakt, als ook welke winsten zijn behaald, en welke bedragen uit dien hoofde eiser toekomen, zulks eveneens op straffe van een dwangsom ad € 2.500,- per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, na twee weken na het ten deze te wijzen vonnis, waarbij een gedeelte van een dag als een volledige dag geldt, zulks tot een maximum ad € 50.000,-, althans zodanige bedragen als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
V. Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen, binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, al datgene, dat conform de hiervoor gevorderde rekening en verantwoording, door gedaagde aan eiser verschuldigd is, naast het reeds gevorderde bedrag aan eiser toekomende winstverdeling ad € 41.462,08, althans vordert eiser dat de door hem geleden schade, voor zo ver deze niet binnen het bereik van onderhavige bodemprocedure geduid kan worden, nader op dient te worden gemaakt bij staat, dan wel dat deze schade, althans het eiser toekomende bedrag, door een door uw rechtbank aan te wijzen deskundige wordt becijferd, en nadien door uw rechtbank wordt vastgesteld, althans dat deze door uw rechtbank schattenderwijs wordt vastgesteld. Voor zover nodig behoudt eiser zich het recht voor terzake een wijziging van eis in te dienen in onderhavige procedure;
VI. Gedaagde te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure, waaronder begrepen het salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum van het vonnis tot de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de nakosten (krachtens artikel 237 lid 4 Rv Pro), te begroten op een half salarispunt van het salaris advocaat, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn betaald, gedaagde daarover de wettelijke rente verschuldigd is vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.”
4.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten.
in reconventie
4.3.
[gedaagde] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“ I. voor recht te verklaren dat de afspraken van 22 augustus 2022 zien op uitkoop van [eiser] en dat [gedaagde] sindsdien althans sinds 7 april 2023 enig eigenaar is van [bedrijf 1] , althans [eiser] te veroordelen tot terugbetaling van:
- een bedrag ad € 30.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- een bedrag ad € 6.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
II. [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 5.937,92 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening
III. Indien wordt geoordeeld dat de afspraken van 22 augustus 2022 zagen op inkoop van [gedaagde] : [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 112.705,50 bruto en € 153.480,- bruto te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf datum dezer conclusie
IV. met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen.”
4.4.
[eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
in conventie en in reconventie
4.5.
De rechtbank zal de relevante standpunten van partijen bij de beoordeling (vanaf 6.1 van dit vonnis) verder bespreken.

5.Het geschil in het artikel 223 Rv Pro-incident

5.1.
[eiser] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“Bij wege van provisionele vordering (voor de duur van deze bodemprocedure, totdat hierin onherroepelijk is beslist);
Gedaagde te verbieden, voor de duur van dit geding, totdat op de vorderingen die daar deel van uitmaken, onherroepelijk is beslist, [bedrijf 1] , dan wel onderdelen hiervan betrekking hebbend op de goodwill samenhangend met de exploitatie van [bedrijf 1] , zoals de handelsnaam, of eigendomsrechten, te verkopen, en/of te vervreemden, danwel aan derden over te dragen, en/of deze goodwill schade toe te brengen, zoals door deze onderneming niet deugdelijk, zoals het een goed huisvader betaamt, te exploiteren - en te zorgen voor [bedrijf 1] - zoals het een goed huisvader betaamt, zulks op straffe van een dwangsom ad € 5.000,- per overtreding van deze veroordeling, met een maximum van € 75.000,-, althans zodanige bedragen als uw rechtbank in goede justitie betaamt.”
5.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de provisionele vordering, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten.
5.3.
Op de relevante stellingen van partijen wordt bij de beoordeling verder ingegaan.

6.De beoordeling in de hoofdzaak

in conventie en in reconventie
6.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze hierna gezamenlijk behandeld.
6.2.
[eiser] heeft zijn eis gewijzigd. Deze eiswijziging heeft alleen betrekking op de provisionele vordering en hoeft daarom op deze plaats niet besproken te worden.
Samenvatting van het geschil en van het oordeel van de rechtbank
6.3.
Partijen hebben tijdens de zitting desgevraagd bevestigd dat zij het erover eens zijn dat de vof is beëindigd door de opzegging van [eiser] aan [gedaagde] op 7 april 2023. Bij de beoordeling van de vorderingen van partijen is dat dan ook het uitgangspunt.
6.4.
Partijen zijn het er ook over eens dat de onderneming door één van hen moet worden voortgezet en dat er een financiële afrekening per 7 april 2023 moet plaatsvinden. Zij zijn het echter niet eens over de vraag hoe de samenwerking tussen hen was geregeld en – in het verlengde daarvan – aan wie de onderneming moet worden toebedeeld.
6.5.
Volgens [eiser] hebben partijen (pas) in augustus 2022 afgesproken dat [gedaagde] voor 50% mede-eigenaar van de onderneming werd, tegen betaling van € 49.000,00. [eiser] stelt dat hij degene is die [bedrijf 1] zou moeten voortzetten. [gedaagde] stelt zich daartegenover op het standpunt dat hij al sinds april 2020 voor 50% mede-eigenaar van [bedrijf 1] was en dat in augustus 2022 is afgesproken dat hij [eiser] uitkocht tegen betaling van € 49.000,00.
6.6.
Bij het aangaan van de samenwerking is geen vof-akte opgesteld. Partijen verschillen van mening over de vraag welke afspraken zij bij het aangaan van de vof en ook nadien, in augustus 2022, hebben gemaakt. Daarover staat niets anders op papier dan (i) de inschrijving van [bedrijf 1] in het handelsregister op 28 april 2020 met als vennoten [eiser] en [gedaagde] en (ii) de “bevestiging besluitvorming” van 22 augustus 2022 (zie onder 3.4).
6.7.
De tussen partijen gemaakte afspraken moeten worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf [3] . Dit betekent dat beoordeeld moet worden welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
6.8.
De rechtbank is van oordeel dat de onderneming, gelet op de afspraken die partijen op 22 augustus 2022 hebben gemaakt en de opzegging van de vof op 7 april 2023, vanaf deze laatste datum door [gedaagde] mag worden voortgezet. Uit de stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken leidt de rechtbank namelijk af dat partijen vanaf 28 april 2020 allebei voor 50% eigenaar van [bedrijf 1] waren en dat zij in augustus 2022 hebben afgesproken dat [gedaagde] [eiser] , na betaling van € 49.000,00, zou uitkopen per 1 april 2024. De opzegging van de vof op 7 april 2023 laat onverlet dat [gedaagde] het nog niet betaalde gedeelte van het op 22 augustus 2022 afgesproken bedrag alsnog aan [eiser] moet betalen, maar de opzegging met wederzijds goedvinden maakt wel dat de vof op 7 april 2023 is beëindigd en niet op de in augustus 2022 overeengekomen datum (1 april 2024). De rechtbank ziet geen reden om een partij toe te laten tot bewijslevering.
6.9.
Het oordeel van de rechtbank wordt hierna verder toegelicht. Daarbij zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op:
het aangaan van de vof op 28 april 2020;
de in augustus 2022 gemaakte afspraken;
de financiële afrekening.
a.
a) het aangaan van de vof per 28 april 2020
De inschrijving in het handelsregister en de daarbij gemaakte afspraken
6.10.
Vast staat dat [gedaagde] op 28 april 2020 in het handelsregister is ingeschreven als vennoot van [bedrijf 1] . Partijen verschillen van mening over de achtergrond van die inschrijving.
6.11.
[eiser] voert aan dat het zijn bedoeling was om begin 2020, toen de samenwerking met [naam 1] was beëindigd, te gaan samenwerken met de vader van [gedaagde] (hierna: [naam 4] ). [eiser] stelt dat hij met [naam 4] een 50/50 winstverdeling had afgesproken. Mede daarom wilde hij dat [naam 4] als vennoot zou worden ingeschreven in het handelsregister. [naam 4] wilde dat echter niet en drong erop aan dat [gedaagde] zou worden ingeschreven. [gedaagde] heeft vervolgens de afspraak bij de Kamer van Koophandel gemaakt. [eiser] stelt dat hij toen documenten heeft ondertekend zonder precies te beseffen wat die inhielden. Hij licht toe dat hij destijds de Nederlandse taal niet of nauwelijks beheerste en geen juridische kennis heeft.
6.12.
Deze stellingen van [eiser] doen er niet aan af dat de inschrijving van [gedaagde] als vennoot van [bedrijf 1] in het handelsregister rechtsgeldig is. Zoals [eiser] ook erkent, is hij verantwoordelijk voor de ondertekening van het inschrijfformulier. Als [eiser] niet begreep waar hij voor tekende, komt dat voor zijn rekening en risico. Bovendien is de inschrijving van [gedaagde] als vennoot van de vof gelet op wat hieronder wordt overwogen niet onlogisch, zodat niet aannemelijk is dat er een vergissing van [eiser] in het spel is.
6.13.
Partijen zijn het erover eens dat zij, ten tijde van de oprichting van de vof, de volgende winstverdeling hebben afgesproken: 40% voor [eiser] , 40% voor [naam 4] en 20% voor [gedaagde] . Zij zijn het er verder over eens dat [gedaagde] , die als bedrijfsleider aan de slag zou gaan, naast dit winstdeel een uurloon van € 7,00 zou gaan ontvangen. Volgens [eiser] had deze afspraak niets te maken met de vraag wie eigenaar van [bedrijf 1] was. De rechtbank acht dat standpunt van [eiser] niet juist, gelet op het volgende.
6.14.
[eiser] erkent dat het werk in [bedrijf 1] voornamelijk werd verricht door [gedaagde] en [naam 4] . [eiser] hield zich bezig met de bevoorrading van [bedrijf 1] en was verder vooral bezig met zijn werk voor twee andere winkels ( [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ). Daarmee is ook verklaarbaar dat [gedaagde] en zijn vader samen 60% van de winst kregen. Anders dan [eiser] betoogt, ligt het in de gegeven omstandigheden voor de hand dat [gedaagde] met zijn inschrijving in het handelsregister ook daadwerkelijk medevennoot en voor 50% eigenaar van [bedrijf 1] werd. Dat dit anders was, en ook zo door [gedaagde] moest worden begrepen, is onvoldoende onderbouwd door [eiser] gesteld en ook verder niet gebleken.
6.15.
Bij het voorgaande neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] door zijn inschrijving in het handelsregister hoofdelijk aansprakelijk werd voor de eventuele schulden van [bedrijf 1] . Dat hij desondanks geen mede-eigenaar van de vennootschap zou worden, is niet aannemelijk. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de stellingen van [eiser] op dit punt niet consistent zijn, wat afbreuk doet aan de aannemelijkheid van zijn standpunt. Zo neemt hij in zijn processtukken de volgende, tegenstrijdige, stellingen in:
- dat [gedaagde] ondanks de inschrijving in de praktijk geen medevennoot is geworden [4] ,
- dat [naam 4] [gedaagde] , in eerste instantie zonder toestemming van [eiser] , voor 20% mede-eigenaar heeft gemaakt van [bedrijf 1] [5] en
- dat [gedaagde] conform de in 2020 gemaakte werkafspraken al voor 50% eigenaar zou zijn van [bedrijf 1] [6] .
6.16.
De rechtbank gaat er dus van uit dat [eiser] en [gedaagde] vanaf 28 april 2020 allebei vennoot en voor 50% eigenaar van [bedrijf 1] waren.
[gedaagde] heeft zich ingekocht in de vof
6.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] en zijn vader vanaf 1 december 2019 werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van de onderneming. Volgens [gedaagde] is (een deel van) de door hem en zijn vader verrichte arbeid onbetaald gebleven en heeft hij zich op die manier ingekocht in de vof. [gedaagde] stelt dat hij en zijn vader voorafgaand aan de oprichting van [bedrijf 1] op 28 april 2020 helemaal geen salaris ontvingen. Na 28 april 2020 nam [gedaagde] genoegen met een uurloon van € 7,00 (en dus met minder dan het minimumloon). [gedaagde] stelt verder dat ook zijn vader nauwelijks betaald kreeg. Uit de jaaropgave van [naam 4] over 2020 blijkt dat zijn jaarloon € 2.857,00 bedroeg.
6.18.
[eiser] betwist dat [gedaagde] zich in [bedrijf 1] heeft ingekocht door middel van gewerkte uren. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] wel gezegd dat hij zich zou willen inkopen door middel van arbeid, maar is dat niet gebeurd. [eiser] voert aan dat [gedaagde] wekelijks salaris betaalde aan zichzelf en zijn vader. Hij verwijst in dat kader naar bankafschriften. Dat [gedaagde] en zijn vader zes jaar lang zouden werken zonder betaald te krijgen, is volgens [eiser] volstrekt onaannemelijk.
6.19.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [gedaagde] en zijn vader voorafgaand aan 28 april 2020 (de datum van oprichting van de vof) gedurende een aantal maanden onbetaalde arbeid hebben verricht. De bankafschriften waar [eiser] naar verwijst, hebben geen betrekking op de periode voor 28 april 2020. Dat salaris is betaald aan [gedaagde] en zijn vader voorafgaand aan de oprichting van de vof kan daar dus niet uit worden afgeleid. Mede gelet op de betwisting door [gedaagde] kan uit de stellingen van [eiser] ook niet worden afgeleid dat de verrichte arbeid (volledig) contant/zwart zou zijn vergoed. Daarbij komt dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] altijd zijn tegoeden uit [bedrijf 1] betaald heeft gekregen op basis van de gemaakte afspraken (zijnde een winstdeel van 20% en een uurloon van € 7,00). Niet in geschil is dat die afspraken pas zijn gemaakt op het moment dat de vof werd opgericht.
6.20.
Dat [gedaagde] en zijn vader na oprichting van de vof minder dan het minimumloon kregen voor de door hen verrichte arbeid, is ook niet gemotiveerd betwist door [eiser] . Welke bedragen na 28 april 2020 aan [gedaagde] en zijn vader zijn betaald en of dat salaris of winstuitkering betrof, is in dit kader niet relevant. Waar het hier om gaat, is dat [eiser] onvoldoende heeft betwist dat [gedaagde] zich in [bedrijf 1] heeft ingekocht door middel van de arbeid die hij en zijn vader (deels onbetaald) hebben verricht. Ook heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat hij bij het aangaan van de vof bij wege van inkoopsom nog andere betalingen heeft verricht aan [eiser] (de helft van het toenmalige banksaldo van € 5.850,64, € 2.500,00 voor de helft van de inventaris en € 2.100,00 (door middel van verrekening van overuren) voor een deel van het aan de vorige eigenaar van de onderneming betaalde bedrag).
6.21.
Dat [gedaagde] , los van het voorgaande, bij het aangaan van de vof nog een afzonderlijke inkoopsom verschuldigd was aan [eiser] , ligt niet voor de hand. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] zich, tot het moment dat partijen een conflict met elkaar kregen, ooit eerder op het standpunt heeft gesteld dat [gedaagde] hem nog een bedrag schuldig was.
De jaarrekeningen van [bedrijf 1] over 2020 en 2021
6.22.
De rechtbank neemt ook in aanmerking dat in de jaarrekeningen van [bedrijf 1] over 2020 en 2021 is vermeld dat [eiser] en [gedaagde] allebei vennoot zijn en voor 50% eigenaar. Uit de jaarstukken blijkt niet dat [gedaagde] nog een bedrag verschuldigd was aan [eiser] in verband met inkoop in de vennootschap. Ook blijkt daaruit geen afwijkende winstverdeling.
6.23.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de jaarrekeningen niet de juiste situatie weergeven. Dat komt volgens [eiser] doordat hij (nog) niet de goede informatie aan de boekhouder had verstrekt. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Niet in geschil is dat [eiser] degene was die contact onderhield met de boekhouder en stukken aanleverde. Als hij de boekhouder niet heeft voorzien van de juiste informatie, wat niet zonder meer aannemelijk is, komt dat voor zijn rekening en risico. De rechtbank gaat mede gelet op het voorgaande uit van de juistheid en volledigheid van de jaarstukken op dit punt. Voor het als getuige horen van de boekhouder, zoals door [eiser] aangeboden, ziet de rechtbank geen reden.
Tussenconclusie
6.24.
De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande van uit dat [gedaagde] sinds 28 april 2020 vennoot en voor 50% eigenaar van [bedrijf 1] was en dat beide partijen er bij het aangaan van de vof van uitgingen dat [gedaagde] geen (verdere) inkoopsom (meer) verschuldigd was aan [eiser] .
b) de in augustus 2022 gemaakte afspraken
6.25.
Vervolgens moet worden beoordeeld wat partijen met elkaar hebben afgesproken in augustus 2022. Vast staat dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde] € 49.000,00 betaalt aan [eiser] (€ 30.000,00 ineens en € 19.000,00 in negentien termijnen van € 1.000,00). Partijen twisten over de vraag waar die betaling voor bedoeld was. Het standpunt van [eiser] is dat [gedaagde] zich alsnog inkocht in [bedrijf 1] . [gedaagde] stelt zich daartegenover op het standpunt dat hij [eiser] juist uitkocht.
6.26.
De rechtbank acht het standpunt van [gedaagde] juist en zal dat hierna toelichten.
De aankoopprijs van de onderneming
6.27.
Volgens [eiser] was de achtergrond van de afspraken in augustus 2022 dat [gedaagde] nog de helft van de door [eiser] in 2019 grotendeels contant betaalde aankoopsom van de onderneming aan hem moest vergoeden. [eiser] kocht de onderneming eind 2019 op papier voor € 37.200,00 (zie hiervoor onder 3.1), maar stelt dat hij daarnaast € 100.000,00 contant heeft voldaan aan de verkopers. [gedaagde] betwist die contante betaling. Mede gelet op die gemotiveerde betwisting heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat hij € 100.000,00 contant heeft betaald aan de verkopers van de onderneming. Dit oordeel licht de rechtbank hieronder toe.
6.28.
[eiser] verwijst naar een overeenkomst van geldlening tussen één van de verkopers en hem van 27 november 2019. In dat document staat dat [naam 2] een bedrag van € 100.000,00 aan [eiser] leent voor het aankopen van een bedrijfspand. Onderaan het document is met pen bijgeschreven (en door drie getuigen ondertekend) dat [eiser] op 27 november 2019 € 92.000,00 heeft betaald en dat het restant van € 8.000,00 binnen twee weken zou worden betaald. Dat het bedrag van € 100.000,00 betrekking heeft op de aankoop van de onderneming waar dit geschil over gaat, is onvoldoende onderbouwd door [eiser] gesteld en ook niet gebleken. Dat geldt te meer omdat [gedaagde] onbetwist heeft gesteld dat [bedrijf 1] is gevestigd in een huurpand. [eiser] heeft niet toegelicht dat en waarom de overeenkomst van geldlening desondanks betrekking zou hebben op de aankoop van de onderneming. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [naam 2] daadwerkelijk geld aan [eiser] heeft geleend. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat de overeenkomst van geldlening uitsluitend op papier is gezet om een andere rechtsgrond voor de betaling van € 100.000,00 te suggereren dan de door [eiser] gestelde afspraak, mist deze stelling logica. Bij het verstrekken van een dergelijke overeenkomst aan derden, bijvoorbeeld een boekhouder of de Belastingdienst, zal die derde normaal gesproken vragen naar bewijs dat de € 100.000,00 daadwerkelijk is uitgeleend (en dat daarvan direct € 92.000,00 contant is afgelost, wat niet erg voor de hand ligt). Een schriftelijke overeenkomst van geldlening biedt dan geen soelaas.
6.29.
[eiser] beroept zich verder op geldleningsovereenkomsten, aan de hand waarvan hij stelt dat hij bedragen (van € 50.000,00, € 2.500,00, € 3.100,00, € 3.250,00, € 9.000,00 en € 10.000,00) heeft geleend van onder andere familieleden. Volgens [eiser] waren die bedragen bedoeld om het aankoopbedrag van € 137.200,00 te betalen en middelen aan te schaffen om daadwerkelijk te kunnen starten, zoals inventaris en voorraden. De rechtbank ziet niet in hoe deze documenten kunnen aantonen dat [eiser] , naast het bedrag van € 37.200,00, nog eens € 100.000,00 contant aan de verkopers van de onderneming heeft betaald voor de overname van de onderneming.
6.30.
Uit de brief van [naam 2] aan [eiser] van 31 mei 2023, waarin hij schrijft dat er nog een bedrag van € 4.000,00 openstaat, kan ook niet worden afgeleid dat [eiser] meer dan € 37.200,00 heeft betaald voor de aankoop van de onderneming. In de brief staat immers:
“Betreft: Nog te betalen bedrag € 4000,-- ivm overname [onderneming] voor € 37.200,--”
6.31.
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] in feite alleen inventaris overgenomen en is het daarom ongeloofwaardig dat [eiser] € 137.200,00 zou hebben betaald voor de onderneming. Het had op de weg van [eiser] gelegen om dat te betwisten, bijvoorbeeld door te stellen dat er veel goodwill was. Dat heeft hij niet gedaan. Ook in zoverre is het niet aannemelijk dat [eiser] € 100.000,00 contant heeft betaald voor de overname van de onderneming.
6.32.
In dit kader neemt de rechtbank ten slotte in aanmerking dat niet is gesteld en ook niet is gebleken dat [eiser] , voordat partijen een conflict kregen, ooit eerder het standpunt heeft ingenomen dat [gedaagde] en/of zijn vader nog een halve ton moest(en) betalen om zich in te kopen in de vof of anderszins. Dat had, als het daadwerkelijk de bedoeling was geweest dat [gedaagde] de helft van de (door [eiser] gestelde, maar gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakte) contante aankoopsom aan [eiser] zou vergoeden, wel zeer voor de hand gelegen. De jaarstukken van [bedrijf 1] over 2020 en 2021 maken ook geen melding van een dergelijke vordering van [eiser] op [gedaagde] .
6.33.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om [eiser] toe te laten tot bewijslevering van zijn stelling dat hij naast het bedrag van € 37.200,00 nog € 100.000,00 contant heeft betaald voor de overname van de onderneming. Zijn stellingen zijn, gelet op het voorgaande, tegenover de uitvoerig gemotiveerde betwisting door [gedaagde] onvoldoende (nader) onderbouwd om tot bewijslevering te worden toegelaten.
6.34.
De rechtbank gaat er dus van uit dat [gedaagde] geen bedrag verschuldigd was aan [eiser] in verband met de kosten die [eiser] voor de aankoop van de onderneming heeft gemaakt.
Inkoop ligt in de gegeven omstandigheden niet voor de hand, uitkoop wel
6.35.
Toen partijen in augustus 2022 met elkaar in gesprek gingen en afspraken maakten, was de situatie dus als volgt:
  • [gedaagde] was voor 50% vennoot/eigenaar van [bedrijf 1] ;
  • [gedaagde] en zijn vader hadden samen recht op 60% van de winst;
  • in de jaarstukken over 2020 en 2021 van [bedrijf 1] is niets vermeld over een bedrag dat [gedaagde] nog aan [eiser] zou moeten betalen en ook anderszins is niet gebleken van een betalingsverplichting van [gedaagde] jegens [eiser] in verband met de inkoop in de vennootschap.
6.36.
Volgens [gedaagde] ligt het niet voor de hand dat hij in deze omstandigheden € 49.000,00 zou willen betalen om zich voor 50% in te kopen in [bedrijf 1] , om er vervolgens op achteruit te gaan. Niet in geschil is dat [gedaagde] vanaf 22 augustus 2022 recht had op 50% van de winst, in plaats van de eerder afgesproken 60% van [gedaagde] en zijn vader samen. De rechtbank acht dat standpunt overtuigend.
6.37.
De rechtbank neemt ook in overweging dat partijen een conflict hadden toen zij in augustus 2022 met elkaar spraken. De aanleiding voor dat conflict was dat [eiser] in juli 2022 een aanslag voor de inkomstenbelasting over het jaar 2020 had ontvangen, die in zijn visie volgens de in 2020 overeengekomen verdeelsleutel (van 40/40/20) moest worden betaald. [gedaagde] en zijn vader waren het daar niet mee eens, waarna het conflict escaleerde. Wat daar ook van zij, deze omstandigheid maakt des te meer dat het niet voor de hand ligt dat [gedaagde] zich in augustus 2022 (nog) wilde inkopen in een vof met [eiser] . Meer voor de hand ligt dat [gedaagde] [eiser] wilde uitkopen.
Uit de overgelegde gespreksverslagen blijkt niet dat [gedaagde] zich alsnog inkocht
6.38.
Volgens [eiser] blijkt uit een tussen partijen (in het bijzijn van anderen) gevoerd gesprek in augustus 2022 dat [gedaagde] zich (alsnog) inkocht in [bedrijf 1] . [eiser] heeft in dit verband onder meer schriftelijke vertalingen in het Nederlands overgelegd van de geluidsopname die zijn zoon van dit gesprek heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van de door [eiser] gestelde afspraak niet uit deze vertalingen blijkt. Voordat de rechtbank dat oordeel toelicht, wordt het volgende opgemerkt.
6.39.
Partijen zijn het er niet over eens wanneer zij met elkaar gesproken hebben. [eiser] stelde zich in zijn processtukken op het standpunt dat partijen afspraken hebben gemaakt tijdens een gesprek dat plaatsvond op 22 augustus 2022. Als productie 20 bij dagvaarding heeft hij een verslag van het eerste deel van dat gesprek overgelegd. Als productie 36 bij dagvaarding heeft hij een verslag overgelegd van het deel van datzelfde gesprek dat eerst nog ontbrak [7] .
6.40.
Volgens [gedaagde] hebben twee gesprekken plaatsgevonden: een inleidend gesprek op 18 augustus 2022 en een vervolggesprek op 22 augustus 2022. [gedaagde] stelt dat partijen (pas) in het gesprek op 22 augustus 2022 afspraken hebben gemaakt. Volgens hem hebben de overgelegde verslagen betrekking op het inleidende gesprek op 18 augustus 2022. Van het gesprek op 22 augustus 2022 bestaat geen opname en ook geen verslag, aldus [gedaagde] .
6.41.
Tijdens de zitting nam [eiser] een nieuw standpunt in, namelijk dat er één gesprek heeft plaatsgevonden, op 18 augustus 2022. De overgelegde verslagen hebben volgens hem bij nader inzien dus betrekking op het gesprek op 18 augustus 2022. De zoon van [eiser] heeft op de zitting nagekeken en bevestigd dat de geluidsopname op 18 augustus 2022 is gemaakt. [eiser] stelt dat partijen en alle getuigen op 22 augustus 2022 weer bij elkaar zijn gekomen, maar toen alleen het document “bevestiging besluitvorming” hebben ondertekend, zonder dat er die dag een gesprek plaatsvond. [gedaagde] betwist dat.
6.42.
Beide partijen gaan er inmiddels dus van uit dat de verslagen betrekking hebben op het gesprek dat gehouden is op 18 augustus 2022. Ook de rechtbank gaat daarvan uit, mede gelet op de verklaring ter zitting van de zoon van [eiser] over de datum van de geluidsopname. Dat niet duidelijk is geworden of op 22 augustus 2022 een vervolggesprek heeft plaatsgevonden, komt voor rekening en risico van [eiser] . Hij is degene die zich beroept op de overgelegde verslagen en het had op zijn weg gelegen om van meet af aan duidelijkheid te verschaffen over de vraag wanneer partijen met elkaar hebben gesproken en wanneer zij afspraken hebben gemaakt. De rechtbank begrijpt het (nieuwe) standpunt van [eiser] in elk geval zo, dat de volgens hem gemaakte afspraken blijken uit de overgelegde verslagen van het gesprek op 18 augustus 2022.
De inhoud van de verslagen
6.43.
Partijen gaan er allebei van uit dat tijdens het eerste deel van het gesprek op 18 augustus 2022 (waarvan het verslag is overgelegd als productie 20 bij dagvaarding) (nog) geen afspraken zijn gemaakt. In zoverre mist dit gespreksverslag dus relevantie. Uit de door partijen aangehaalde citaten leidt de rechtbank voornamelijk af dat [eiser] het een probleem vond dat [gedaagde] claimde mede-eigenaar te zijn, terwijl hij [eiser] daarvoor niet had betaald. Zoals eerder al is toegelicht, acht de rechtbank het standpunt van [eiser] dat [gedaagde] nog geen mede-eigenaar was niet juist.
6.44.
Wat betreft het tweede deel van het gesprek op 18 augustus 2022 (waarvan het verslag is overgelegd als productie 36 bij dagvaarding) merkt de rechtbank het volgende op. Uit dit verslag blijkt dat verschillende aanwezigen voorstellen deden om tot een oplossing van het geschil te komen. Daarbij stelde [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] zich nog moest inkopen om niet alleen op papier eigenaar te worden, terwijl [gedaagde] zich op het standpunt stelde dat hij al volwaardig eigenaar was gelet op de door hem en zijn vader verrichte arbeid. In de voorstellen over en weer komt zowel inkoop als uitkoop aan de orde. De rechtbank leidt uit het verslag af dat het de bedoeling was dat partijen thuis goed zouden gaan nadenken over de gedane voorstellen.
6.45.
Uit de transcriptie blijkt dat aan het einde van het gesprek onder meer het volgende is gezegd:
- op 02:05:48 door [naam 5] (broer van [gedaagde] ):
“Prima, 30.000 krijg je contant dan blijft er 19 duizend over, toch? Dan zijn jullie mede-eigenaren.”
- op 02:07:22 door [eiser] ( [eiser] ):
“(…) Wij schrijven dit op en de vrienden hier tekenen allemaal en bevestigen dat [gedaagde] [rechtbank: [gedaagde] ] en [eiser] [rechtbank: [eiser] ] zijn vanaf die en die datum officieel mede-eigenaren. [gedaagde] heeft 50.000 euro aan [eiser] gegeven. [eiser] heeft nog 50.000 euro in de winkel zitten en hij is dus mede-eigenaar.”
- op 02.11:20 door ‘heer [naam 6] ’:
“Beste [eiser] [rechtbank: bedoeld zal zijn [gedaagde] ], sta mij toe. Jij betaalt maandelijks 1000 euro aan [eiser] . Je geeft hem 30.000 contant. Je schrijft alles op, met mijn naam eronder, de naam van [naam 7] , naam van [naam 8] , naam van [naam 9] ,, de heer [naam 10] ... iedereen ondertekent dat briefje... 30.000 euro geef Je aan hem en de rest met een bedrag van 1000 euro per maand en als je vader bij kan dragen dan doet hij dat ook.”
- op 02:12:00 door [naam 4] :
“1000 euro is akkoord, hoe sneller deze kwestie wordt opgelost hoe beter.”
6.46.
Hoewel deze citaten lijken te gaan over het
worden vanmede-eigenaren, wat zou duiden op inkoop door [gedaagde] , ziet de rechtbank geen aanleiding om hieraan doorslaggevende betekenis toe te kennen. Deze citaten zijn niet voldoende om alle eerder in dit vonnis besproken feiten en omstandigheden, die juist duiden op uitkoop van [eiser] , aan de kant te schuiven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] benadrukt dat er weliswaar is overlegd over een oplossing en dat over en weer voorstellen zijn gedaan, maar dat hij niemand heeft gemachtigd om namens hem te spreken, laat staan om afspraken te maken. Wat anderen zeggen, kan ook als die ander een broer of vader van [gedaagde] is dus niet zonder meer als zijn standpunt of voorstel worden gezien, laat staan dat dit een bindend voorstel of akkoord zou zijn. De rechtbank acht deze redenering van [gedaagde] , die niet gemotiveerd door [eiser] is weersproken, juist.
6.47.
[gedaagde] stelt dat de vertaling niet compleet is. Ook wijst hij erop dat volgens het verslag een deel van het besprokene onverstaanbaar is. Hij licht echter niet toe wat er ontbreekt en waarom dat mogelijk relevant is. Ook licht hij niet toe dat en waarom de onverstaanbare delen van het verslag relevant zouden zijn. De rechtbank acht dit evenmin aannemelijk. [eiser] beroept zich op de volgens hem volledige transcriptie en daaruit kan de rechtbank, zoals hiervoor is toegelicht, mede bezien in het licht van alle andere hiervoor besproken feiten en omstandigheden, niet opmaken dat partijen op 18 augustus 2022 een akkoord hebben bereikt over inkoop door [gedaagde] . Hoogstens kan gelet op de hiervoor vermelde citaten worden gedacht dat de broer en vader van [gedaagde] mogelijk de strijdbijl wilden begraven, desnoods door zich neer te leggen bij de visie van [eiser] op de situatie, maar niet dat [gedaagde] daarmee akkoord is gegaan en dat dit (dus) de strekking is van het opgestelde document, waarop de rechtbank hierna nog zal ingaan.
De door [eiser] overgelegde getuigenverklaringen en zijn bewijsaanbod
6.48.
[eiser] heeft – net als [gedaagde] – schriftelijke verklaringen overgelegd van verschillende personen die bij de bespreking tussen partijen aanwezig zijn geweest. Deze verklaringen brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Wat in de verklaringen staat, kan er niet aan afdoen dat, zoals eerder is toegelicht, uit de verslagen van de bespreking tussen partijen op 18 augustus 2022 niet kan worden afgeleid dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] zich alsnog inkocht tegen betaling van € 49.000,00.
6.49.
[eiser] biedt aan om de personen die bij de bespreking op 18 augustus 2022 aanwezig waren als getuigen te horen. Volgens hem is er echter een compleet verslag van de relevante bespreking en er zijn schriftelijke verklaringen van beoogde getuigen. Bovendien heeft [eiser] niet gesteld dat deze getuigen kunnen verklaren over de gang van zaken vóór 18 augustus 2022. Onder die omstandigheden heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat getuigenbewijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, mede bezien in het licht van de eerder in dit vonnis vastgestelde feiten over de gang van zaken in de periode tot 18 augustus 2022. Aan bewijslevering wordt daarom ook in dit kader niet toegekomen.
6.50.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat het niet nodig is om getuigen te horen, dus ook niet over het gesprek dat volgens hem (maar niet volgens [eiser] ) heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2022. [gedaagde] heeft ook niet toegelicht hoe het gesprek op 22 augustus 2022 volgens hem is verlopen. Gelet hierop en nu volgens [eiser] op 22 augustus 2022 geen gesprek heeft plaatsgevonden, maar alleen een document is ondertekend, ziet de rechtbank geen reden om in verband met de gebeurtenissen op 22 augustus 2022 een partij tot bewijslevering toe te laten.
Uit het document “bevestiging besluitvorming” blijkt ook niet dat [gedaagde] zich alsnog inkocht
6.51.
Dat partijen bedoeld hebben dat [gedaagde] zich alsnog voor 50% inkocht in [bedrijf 1] door een bedrag van € 49.000,00 te betalen, blijkt ook niet uit de “bevestiging besluitvorming” die zij op 22 augustus 2022 hebben ondertekend (weergegeven in 3.4 van dit vonnis).
6.52.
Partijen zijn het erover eens dat de tekst van het document zeer onduidelijk is. [gedaagde] heeft op de zitting bevestigd dat hij degene is die het document heeft opgesteld. Volgens [eiser] moet de onduidelijkheid van de tekst op grond van de contra proferentem-regel in het nadeel van [gedaagde] worden uitgelegd. Deze redenering van [eiser] gaat niet op. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen sprake is van een onevenwichtige relatie tussen partijen. Alleen daarom al is er geen reden om de overeenkomst in het nadeel van [gedaagde] uit te leggen om de enkele reden dat hij die op papier heeft gezet. Bovendien valt in de gegeven omstandigheden niet in te zien op welke manier de tekst van het document in het nadeel van [gedaagde] zou moeten worden uitgelegd.
6.53.
In het document staat dat [eiser] en [gedaagde] hebben besloten dat “deze constructieve verandering onherroepelijk is”. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat deze zin meer duidt op het vertrek van één van de vennoten dan op het (nader) vastleggen van een situatie die vanaf 28 april 2020 al bestond. Daarbij moet worden opgemerkt dat er – anders dan de tekst van het document suggereert – geen organogram is opgesteld.
6.54.
Op 9 juli 2023 is op het document het volgende met pen bijgeschreven en door drie personen ondertekend:
“De heer [gedaagde] zich als vennoot voor 50% [bedrijf 1] van 22 augustus 2022 en salaris van Meneer [gedaagde] € 15 (vijftien euro) per uur van 22 augustus 2022”
Het beroep van [eiser] op dit bijschrift kan niet slagen. Het bijschrift is bijna een jaar na ondertekening van het document toegevoegd, op een moment dat partijen al in conflict met elkaar waren. Deze toevoeging is bovendien niet aan [gedaagde] voorgelegd, laat staan door hem voor akkoord ondertekend. Aan deze toevoeging komt daarom geen waarde toe bij het beantwoorden van de vraag wat partijen op 22 augustus 2022 met elkaar hebben afgesproken.
6.55.
Omdat de tekst van het document weinig houvast biedt, zij het dat daaraan gelet op 6.53 wel een argument valt te ontlenen voor de juistheid van het standpunt van [gedaagde] , komt bij de uitleg van het document (zie ook 6.7 van dit vonnis) relatief veel gewicht toe aan hoe partijen zich in de aanloop naar het ondertekenen van dit document tegenover elkaar hebben gedragen en wat zij op grond daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Gelet op al het vorenstaande ligt het in de rede om het document in de door [gedaagde] bedoelde zin uit te leggen.
Ook de andere argumenten van [eiser] overtuigen niet
6.56.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij op 18 augustus 2022 hebben afgesproken dat het uurloon van [gedaagde] zou worden verhoogd van € 7,00 naar € 15,00. Evenmin is in geschil dat de winst na 22 augustus 2022 zou worden gedeeld tussen [eiser] en [gedaagde] . Volgens [eiser] blijkt hieruit dat partijen met elkaar verder gingen en dat van uitkoop geen sprake was. Als [gedaagde] 100% eigenaar zou zijn geworden, had hij hierover immers geen afspraken meer met [eiser] hoeven maken, aldus [eiser] . Deze redenering van [eiser] gaat niet op.
6.57.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat het de bedoeling was dat partijen uit elkaar zouden gaan op het moment dat het bedrag van € 49.000,00 volledig zou zijn voldaan. [eiser] heeft dat niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Een deel van het bedrag (€ 30.000,00) is contant betaald op 22 augustus 2022. Het restant zou in negentien maandelijkse termijnen van € 1.000,00 worden betaald, vanaf september 2022. Dit betekent dat de uitkoop was voorzien per 1 april 2024. Dat partijen afspraken hebben gemaakt over de winstverdeling en het uurloon van [gedaagde] voor de destijds beoogde resterende looptijd van de vof, ligt voor de hand en doet er niet aan af dat het de bedoeling van partijen was om uit elkaar te gaan.
6.58.
[eiser] voert ten slotte nog aan dat [gedaagde] hem op 22 maart 2023 een vof-overeenkomst ter ondertekening heeft voorgelegd, waarin wordt uitgegaan van gedeeld eigenaarschap. Volgens [eiser] blijkt daaruit duidelijk dat [gedaagde] van mening was dat hij zich in augustus 2022 heeft ingekocht in [bedrijf 1] . [gedaagde] betwist dat hij een dergelijk document heeft opgesteld en aan [eiser] heeft overhandigd. Gelet op die betwisting kan niet worden uitgegaan van de juistheid van deze stelling van [eiser] . Tijdens de zitting heeft [eiser] medegedeeld dat hij een opname heeft van het gesprek met [gedaagde] op 22 maart 2023. Voor zover [eiser] daarmee heeft bedoeld om op dit punt bewijs aan te bieden, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Het had op de weg van [eiser] gelegen om zijn stellingen op dit volgens hem belangrijke punt zowel eerder als voldoende te onderbouwen om tot bewijslevering te worden toegelaten, wat hij niet heeft gedaan.
Tussenconclusie
6.59.
Conclusie van het voorgaande is dat partijen in augustus 2022 met elkaar hebben afgesproken dat [gedaagde] € 49.000,00 zou betalen aan [eiser] , deels in termijnen, en dat [gedaagde] na betaling van het volledige bedrag (per 1 april 2024) alleen verder zou gaan met [bedrijf 1] . Tot 1 april 2024 zou de onderneming nog door partijen samen worden gedreven. Daarna zou de vof ophouden te bestaan en zou de onderneming worden voortgezet door [gedaagde] .
Omdat de vof op 7 april 2023 door [eiser] is opgezegd en [gedaagde] het daarmee eens is, is de vof uiteindelijk op 7 april 2023 beëindigd.
c) de financiële afrekening
6.60.
De financiële afrekening moet dus plaatsvinden per 7 april 2023. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
  • tussen 28 april 2020 en 22 augustus 2022 geldt een winstverdeling van 40% voor [eiser] , 40% voor [naam 4] en 20% voor [gedaagde] ;
  • tussen 28 april 2020 en 22 augustus 2022 heeft [gedaagde] recht op loon van € 7,00 per uur;
  • van 22 augustus 2022 tot 7 april 2023 geldt een winstverdeling van 50% voor [eiser] en 50% voor [gedaagde] ;
  • van 22 augustus 2022 tot 7 april 2023 heeft [gedaagde] recht op loon van € 15,00 per uur;
  • [gedaagde] moet nog € 13.000,00 betalen aan [eiser] . Over dit bedrag is geen rente verschuldigd.
6.61.
Ter toelichting op het laatste punt geldt het volgende. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] zes van de overeengekomen negentien termijnen van € 1.000,00 per maand heeft betaald. Met ingang van maart 2023 is hij gestopt met betalen, zodat er nog een bedrag van € 13.000,00 openstaat. Partijen zijn niet overeengekomen dat rente moet worden betaald over de maandelijkse termijnen.
6.62.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij de resterende betalingen heeft opgeschort. Tijdens de zitting heeft hij toegelicht dat hij dat heeft gedaan omdat [eiser] niet aan zijn verplichting voldeed om facturen te verstrekken aan [bedrijf 1] . Het ging daarbij om facturen voor geleverde goederen door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (de twee bedrijven waar [eiser] bij betrokken is of was). [eiser] heeft dit niet betwist. Tijdens de zitting heeft hij gezegd dat hij bereid is om de betreffende facturen alsnog te verstrekken. Mede in aanmerking genomen dat kort na maart 2023, op 7 april 2023, de opzegging door [eiser] volgde, heeft [gedaagde] op goede gronden een beroep op opschorting gedaan. [gedaagde] is daarom ook geen wettelijke rente verschuldigd over het nog openstaande bedrag.
6.63.
Omdat [gedaagde] de onderneming inmiddels al enkele jaren zelfstandig (zonder [eiser] ) voert en [gedaagde] degene is die beschikt over de administratie, dient hij een afrekening te laten opstellen door een boekhouder of administrateur aan de hand van de hiervoor onder 6.60 genoemde uitgangspunten. [eiser] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om op die afrekening te reageren.
6.64.
Naar aanleiding van de stellingen die partijen al hebben ingenomen over de afrekening merkt de rechtbank het volgende op.
6.64.1.
[eiser] stelt dat hij nog recht heeft op een bedrag van € 41.462,08 aan winst, berekend tot en met februari 2023 (en dat over de periode nadien nog een berekening moet worden gemaakt). Ter onderbouwing van het bedrag van € 41.462,08 heeft hij een berekening van de (voormalige) administrateur van [bedrijf 1] overgelegd [8] . [gedaagde] dient deze berekening ofwel in de afrekening te betrekken, ofwel gemotiveerd toe te lichten waarom daarvan wordt afgeweken.
6.64.2.
[gedaagde] stelt dat [eiser] nog een bedrag van € 5.937,92 aan hem dient te voldoen. Hij beroept zich in dit kader op de jaarrekening van [bedrijf 1] over 2023 [9] , waaruit blijkt dat de kapitaalstand van [eiser] per 25 juli 2023 € 60.805,00 bedroeg. Volgens [gedaagde] strekken op dat bedrag in mindering (i) de rekeningcourantvorderingen van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] van in totaal € 50.688,00 en (ii) de aan [eiser] gedane betalingen van in totaal € 16.054,82. De rechtbank merkt in dit kader het volgende op.
  • Ad (i): de rechtbank ziet niet in waarom rekeningcourantvorderingen van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zonder meer in mindering dienen te strekken op de aan [eiser] toekomende winstuitkering. Dat deze ondernemingen aan [eiser] zijn (of waren) gelieerd, betekent niet dat vorderingen op deze ondernemingen zonder meer kunnen worden verrekend met het aan [eiser] als voormalig vennoot van [bedrijf 1] toekomende winstdeel. De schulden van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn niet zonder meer schulden van [eiser] zelf. [gedaagde] zal dit beroep op verrekening dan ook nader moeten onderbouwen of moeten laten vallen.
  • Tussen partijen is niet in geschil dat, om een eindafrekening te kunnen opmaken, de facturen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] nodig zijn. [eiser] dient deze facturen, conform zijn aanbod, aan [gedaagde] te verstrekken binnen vier weken na de datum van dit vonnis.
  • Ad (ii): één van de betalingen aan [eiser] (€ 3.200,00 op 14 augustus 2022) heeft blijkens de omschrijving betrekking op geleverd brood in de periode van 1 januari tot 1 juni 2022. Niet in te zien valt waarom deze betaling in mindering dient te strekken op het aan [eiser] toekomende winstdeel. De andere door [gedaagde] genoemde betalingen komen ook terug in de door [eiser] overgelegde berekening. Partijen lijken het over die andere betalingen dus eens te zijn.
Conclusies
6.65.
Gelet op het voorgaande wordt vordering I van [eiser] toegewezen voor zover hij vordert voor recht te verklaren dat de vof op 7 april 2023 is ontbonden en wordt deze vordering voor het overige afgewezen. Ook vordering III van [eiser] wordt afgewezen. Vordering I van [gedaagde] wordt in zoverre toegewezen dat voor recht wordt verklaard (a) dat partijen op 22 augustus 2022 zijn overeengekomen dat [eiser] wordt uitgekocht en (b) dat [gedaagde] sinds 7 april 2023 enig eigenaar is van [bedrijf 1] . De voorwaarde waaronder vordering III van [gedaagde] is ingesteld is niet vervuld, zodat deze vordering zonder inhoudelijke beoordeling wordt afgewezen.
6.66.
De rechtbank kiest ervoor om deze beslissingen in het dictum neer te leggen, zodat partijen daartegen desgewenst hoger beroep kunnen instellen. De rechtbank acht het onwenselijk als tegen deze beslissingen in de hoofdzaak nog geen hoger beroep zou openstaan (conform de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv Pro), maar tegen het vonnis in het incident wel (artikel 337 lid 1 Rv Pro). Daarnaast kunnen partijen door het openstellen van de mogelijkheid van hoger beroep eerder definitief duidelijkheid verkrijgen over de vraag wie van hen eigenaar is van de onderneming, ongeacht of partijen hoger beroep instellen tegen de beslissingen van de rechtbank of niet.
6.67.
Voor het overige kan vordering I van [gedaagde] niet los worden gezien van de afrekening die nog moet plaatsvinden en wordt de beslissing op deze vordering aangehouden. Ook de andere vorderingen van partijen zien op de afrekening of op het afleggen van rekening en verantwoording in dat kader. De beslissing op deze vorderingen wordt eveneens aangehouden, evenals de beslissing over de proceskosten.
6.68.
De rechtbank zal in de beslissing verduidelijken hoe de procedure op het punt van de afrekening wordt voortgezet. Als een partij hoger beroep wil instellen tegen dit vonnis, ligt het in de rede dat deze partij de andere partij en de rechtbank daarvan binnen afzienbare tijd in kennis stelt. In dat geval kan een partij die daartoe aanleiding ziet de rechtbank vragen de verdere behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, waarbij het partijen uiteraard vrij staat om met een gezamenlijk voorstel te komen.
6.69.
Daarnaast is het mogelijk dat partijen aanleiding zien om naar aanleiding van dit vonnis met elkaar in gesprek te gaan over een minnelijke regeling voor hun geschil. Als partijen dat doen en meer tijd nodig hebben, kunnen zij de rechtbank vragen de in 8.5 bepaalde termijnen te verlengen.

7.De beoordeling in het artikel 223 Rv Pro-incident

7.1.
[eiser] heeft zijn eis gewijzigd. [gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en de rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Zoals tijdens de zitting al aan partijen is medegedeeld, wordt de eiswijziging daarom toegestaan.
7.2.
[eiser] grondt zijn provisionele vordering op de stelling dat hij heeft vernomen dat [gedaagde] van plan is om [bedrijf 1] te verkopen aan een derde. [eiser] wil, zolang de bodemprocedure loopt, voorkomen dat [gedaagde] uitvoering geeft aan dat voornemen. Ook wil [eiser] met de provisionele vordering bewerkstelligen dat [gedaagde] goed zorg blijft dragen voor de onderneming.
7.3.
Omdat de rechtbank in de hoofdzaak van oordeel is dat [gedaagde] vanaf 7 april 2023 de enige eigenaar van de onderneming is, is er geen grond voor toewijzing van de provisionele vordering. De vordering wordt dan ook afgewezen.
7.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(1 punt [10] × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
842,00
7.5.
De proceskostenveroordeling wordt, zoals gevraagd door [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

8.De beslissing

De rechtbank
in conventie
8.1.
verklaart voor recht dat de vof op 7 april 2023 is ontbonden en wijst vordering I voor het overige af;
8.2.
wijst vordering III af,
in reconventie
8.3.
verklaart voor recht (a) dat partijen op 22 augustus 2022 zijn overeengekomen dat [eiser] wordt uitgekocht en (b) dat [gedaagde] sinds 7 april 2023 enig eigenaar is van [bedrijf 1] ,
8.4.
wijst vordering III af,
in conventie en in reconventie
8.5.
bepaalt dat [eiser] uiterlijk op
20 mei 2026de in 6.64.2 bedoelde facturen aan [gedaagde] verstrekt en dat de zaak vervolgens op de rol zal komen van
17 juni 2026voor het nemen van een akte door [gedaagde] met de afrekening als bedoeld in 6.63, op te stellen met inachtneming van wat in 6.60 tot en met 6.64.2 is overwogen,
8.6.
bepaalt dat de zaak vier weken nadat [gedaagde] de in 8.5 vermelde akte heeft genomen op de rol zal komen voor het nemen van een antwoordakte door [eiser] ,
8.7.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in het artikel 223 Rv Pro-incident
8.8.
wijst de vordering af,
8.9.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.10.
verklaart 8.9 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Schuiling, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
1977/3194

Voetnoten

1.In de dagvaarding staat [naam 1] ; de rechtbank gaat uit van de schrijfwijze in de overeenkomst.
3.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
4.In randnummer 47 van de dagvaarding.
5.In randnummer 28 van de conclusie van antwoord in reconventie.
6.In randnummer 106 van de dagvaarding.
7.[eiser] heeft op 19 november 2025 een vervangend exemplaar van productie 36 in het geding gebracht. Tijdens de zitting bleek echter dat het vervangende exemplaar een nieuwe versie van productie 20 (en dus van het eerste deel van het gesprek) betreft. Wat betreft het tweede deel van het gesprek gaat de rechtbank dus uit van de oorspronkelijke versie van productie 36, zoals overgelegd bij dagvaarding.
8.Productie 45 bij dagvaarding.
9.Productie 35 bij de conclusie van antwoord in conventie.
10.[gedaagde] wordt voor het verschijnen ter zitting in het incident geacht geen andere kosten te hebben gemaakt dan voor het verschijnen ter zitting in de hoofdzaak.