Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de dagvaarding, tevens provisionele vordering ex artikel 223 Rv Pro, van 30 juni 2025, met producties 1 tot en met 69;
- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 39;
- de brieven van de rechtbank van 15 oktober 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 16 januari 2026;
- de brief van de advocaat van [eiser] van 19 november 2025, met een vervangend exemplaar van productie 36;
- de berichten van de rechtbank van 16 december 2025, met een agenda voor de mondelinge behandeling;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens conclusie houdende wijziging of vermeerdering van eis in conventie;
- de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling op 16 januari 2026 (waarvan geen proces-verbaal is opgemaakt).
3.De feiten
4.Het geschil in de hoofdzaak
5.Het geschil in het artikel 223 Rv Pro-incident
6.De beoordeling in de hoofdzaak
a) het aangaan van de vof per 28 april 2020
- [gedaagde] was voor 50% vennoot/eigenaar van [bedrijf 1] ;
- [gedaagde] en zijn vader hadden samen recht op 60% van de winst;
- in de jaarstukken over 2020 en 2021 van [bedrijf 1] is niets vermeld over een bedrag dat [gedaagde] nog aan [eiser] zou moeten betalen en ook anderszins is niet gebleken van een betalingsverplichting van [gedaagde] jegens [eiser] in verband met de inkoop in de vennootschap.
worden vanmede-eigenaren, wat zou duiden op inkoop door [gedaagde] , ziet de rechtbank geen aanleiding om hieraan doorslaggevende betekenis toe te kennen. Deze citaten zijn niet voldoende om alle eerder in dit vonnis besproken feiten en omstandigheden, die juist duiden op uitkoop van [eiser] , aan de kant te schuiven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] benadrukt dat er weliswaar is overlegd over een oplossing en dat over en weer voorstellen zijn gedaan, maar dat hij niemand heeft gemachtigd om namens hem te spreken, laat staan om afspraken te maken. Wat anderen zeggen, kan ook als die ander een broer of vader van [gedaagde] is dus niet zonder meer als zijn standpunt of voorstel worden gezien, laat staan dat dit een bindend voorstel of akkoord zou zijn. De rechtbank acht deze redenering van [gedaagde] , die niet gemotiveerd door [eiser] is weersproken, juist.
Omdat de vof op 7 april 2023 door [eiser] is opgezegd en [gedaagde] het daarmee eens is, is de vof uiteindelijk op 7 april 2023 beëindigd.
- tussen 28 april 2020 en 22 augustus 2022 geldt een winstverdeling van 40% voor [eiser] , 40% voor [naam 4] en 20% voor [gedaagde] ;
- tussen 28 april 2020 en 22 augustus 2022 heeft [gedaagde] recht op loon van € 7,00 per uur;
- van 22 augustus 2022 tot 7 april 2023 geldt een winstverdeling van 50% voor [eiser] en 50% voor [gedaagde] ;
- van 22 augustus 2022 tot 7 april 2023 heeft [gedaagde] recht op loon van € 15,00 per uur;
- [gedaagde] moet nog € 13.000,00 betalen aan [eiser] . Over dit bedrag is geen rente verschuldigd.
- Ad (i): de rechtbank ziet niet in waarom rekeningcourantvorderingen van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zonder meer in mindering dienen te strekken op de aan [eiser] toekomende winstuitkering. Dat deze ondernemingen aan [eiser] zijn (of waren) gelieerd, betekent niet dat vorderingen op deze ondernemingen zonder meer kunnen worden verrekend met het aan [eiser] als voormalig vennoot van [bedrijf 1] toekomende winstdeel. De schulden van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn niet zonder meer schulden van [eiser] zelf. [gedaagde] zal dit beroep op verrekening dan ook nader moeten onderbouwen of moeten laten vallen.
- Tussen partijen is niet in geschil dat, om een eindafrekening te kunnen opmaken, de facturen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] nodig zijn. [eiser] dient deze facturen, conform zijn aanbod, aan [gedaagde] te verstrekken binnen vier weken na de datum van dit vonnis.
- Ad (ii): één van de betalingen aan [eiser] (€ 3.200,00 op 14 augustus 2022) heeft blijkens de omschrijving betrekking op geleverd brood in de periode van 1 januari tot 1 juni 2022. Niet in te zien valt waarom deze betaling in mindering dient te strekken op het aan [eiser] toekomende winstdeel. De andere door [gedaagde] genoemde betalingen komen ook terug in de door [eiser] overgelegde berekening. Partijen lijken het over die andere betalingen dus eens te zijn.
7.De beoordeling in het artikel 223 Rv Pro-incident
8.De beslissing
20 mei 2026de in 6.64.2 bedoelde facturen aan [gedaagde] verstrekt en dat de zaak vervolgens op de rol zal komen van
17 juni 2026voor het nemen van een akte door [gedaagde] met de afrekening als bedoeld in 6.63, op te stellen met inachtneming van wat in 6.60 tot en met 6.64.2 is overwogen,