Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4693

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/4355
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 IOAWArt. 20a IOAWArt. 2 Boetebesluit socialezekerheidswettenArt. 2aa Boetebesluit socialezekerheidswettenArt. 2a Boetebesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenplicht bij verblijf in buitenland

Eiseres ontvangt een IOAW-uitkering en meldde een verblijf in het buitenland van 9 januari tot 6 februari 2023. Later bleek uit bankafschriften en paspoortstempels dat zij ook van 5 april 2023 tot 8 juni 2023 in Marokko verbleef, zonder dit tijdig te melden. Het college legde haar daarom een bestuurlijke boete op van €780 wegens schending van de inlichtingenplicht.

Eiseres voerde aan dat zij het verblijf was vergeten te melden vanwege het overlijden van haar broer en dat de boete gematigd had moeten worden. De rechtbank oordeelde dat het college terecht de boete oplegde omdat eiseres niet onverwijld en uit eigen beweging haar verblijf had gemeld, en dat de stelling van verminderde verwijtbaarheid onvoldoende was onderbouwd.

De rechtbank concludeerde dat de boete proportioneel is, rekening houdend met de ernst van de overtreding, verwijtbaarheid en draagkracht van eiseres. Er waren geen dringende redenen om van de boete af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de bestuurlijke boete van €780 wegens het niet tijdig melden van verblijf in het buitenland.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4355

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. El Idrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college eiseres terecht een boete heeft opgelegd..
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boete terecht is opgelegd, omdat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 18 november 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 780,-.
2.1.
Met een besluit van 9 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. De gemachtigde van het college heeft de rechtbank bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW-uitkering). Met het formulier 'Melding verblijf buitenland' heeft eiseres op 4 januari 2023 gemeld dat zij van
9 januari 2023 tot en met 6 februari 2023 in het buitenland zou verblijven. Dit heeft zij besproken met haar contactpersoon van Werk & Inkomen (W&I).
3.1.
Met de brief van 9 januari 2023 heeft W&I bevestigd dat eiseres met behoud van haar uitkering over de periode van 9 januari 2023 tot en met 6 februari 2023 in het buitenland mag verblijven. In totaal heeft zij recht op 28 dagen verblijf in het buitenland met behoud van uitkering.
3.2.
Met de brief van 21 augustus 2024 is eiseres, in het kader van haar aanvraag om bijzondere bijstand, verzocht om bankafschriften te overleggen over de periode van 1 mei 2024 tot en met 31 juli 2024. Op de op 3 september 2024 overgelegde bankafschriften zijn over de periode van 25 juni 2024 tot en met 24 juli 2024 pintransacties geconstateerd in het buitenland, namelijk in Marokko. Eiseres heeft dit verblijf in het buitenland niet gemeld.
3.3.
Met de brief van 10 september 2024 is verzocht om een kopie van de paspoortstempels en een kopie van de vliegtickets naar Marokko te overleggen.
3.4.
Op 17 september 2024 heeft eiseres een kopie van haar paspoort overgelegd. Hierin staan drie stempels met entrée 5 april 2023, entrée 8 juni 2023 en entrée 6 juni 2024. Eiseres heeft ook vluchtgegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij op 6 juni 2024 naar Marokko zou vliegen en op 4 juli 2024 van Marokko zou terugvliegen naar Nederland. Het verblijf in het buitenland vanaf 5 april 2023 heeft eiseres niet gemeld. Eiseres is op 5 april 2023 vanwege de begrafenis van haar broer naar Marokko vertrokken, waar zij zes dagen zou hebben verbleven. Op 24 september 2024 heeft eiseres verklaard dat zij in de periode van 5 april 2023 tot en met 8 juni 2023 naar het buitenland is vertrokken vanwege de begrafenis van haar broer.
3.5.
Niet eerder dan op 24 september 2024, dus nadat het college op basis van het paspoort heeft geconstateerd dat eiseres van(af) 5 april 2023 in het buitenland heeft verbleven, heeft eiseres (telefonisch) verklaard dat zij op 5 april 2023 inderdaad naar het buitenland is vertrokken vanwege de begrafenis van haar broer, waar zij zes dagen heeft verbleven.
3.6.
Op 24 september 2024 volgt het besluit met betrekking tot de herziening van het recht op bijstand over de periode 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023 en een terugvordering van € 3.176,66. Tegen de herziening en terugvordering heeft eiseres bezwaar gemaakt.
3.7.
In de beslissing op bezwaar van 9 mei 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het recht op bijstand over de periode 6 april 2023 tot en met 7 juni 2023 niet kan worden vastgesteld nu niet is gebleken of eiseres die periode in het buitenland verbleef, waar zij verbleef en/of wanneer zij weer naar Nederland is teruggekeerd. Vast staat dat eiseres op 5 april 2023 en op 8 juni 2023 in het buitenland verbleef. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de betreffende beslissing op bezwaar. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer: ROT 25/4828 en daarop wordt vandaag ook separaat uitspraak gedaan.
3.8.
Met de brief van 24 september 2024 is eiseres door W&I in kennis gesteld van het voornemen haar een bestuurlijke boete op te leggen. Zij is in deze brief gewezen op de cautie. Eiseres dient vóór 8 oktober 2024 te reageren op het voornemen. Eiseres heeft geen zienswijze ingediend. Vervolgens heeft het college het primaire besluit genomen.
3.9.
Met het betreden besluit heeft het college het bezwaar, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij op 5 april 2023 naar het buitenland is vertrokken en dat zij zich vanaf 8 juni 2023 opnieuw in het buitenland bevond. Nu zij geen inlichtingen heeft verstrekt over haar verblijf en eventuele terugkeer in de periode van 6 april 2023 tot en met 7 juni 2023, wordt geconcludeerd dat zij ook gedurende deze periode haar inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres betoogt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door het verblijf in het buitenland van(af)
5 april 2023 niet onverwijld en uit eigen beweging te melden bij het college omdat zij vanwege het overlijden van haar broer zou zijn vergeten om het verblijf in het buitenland te melden en zij het verblijf in het buitenland op 24 september 2024 hebben gemeld bij het
college. Eiseres betoogt dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het college had eiseres een waarschuwing moeten geven en de boete moet dan worden gematigd naar 10% van het benadelingsbedrag.
Relevante wet- en regelgeving
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
6. Verblijf buiten Nederland is een gegeven dat onmiskenbaar van belang is voor de verlening van bijstand. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij daarvan melding moest maken. Dit is bijvoorbeeld van belang om te bepalen wat het begin van het verblijf buiten Nederland is zodat de maximale termijn van dat verblijf kan worden vastgesteld. Het had eiseres duidelijk moeten zijn dat zij daarvan melding hadden moeten maken bij het college. [1] Uit het dossier blijkt immers dat eiseres op 3 januari 2023 wel toestemming heeft gevraagd voor een verblijf in het buitenland van 9 januari 2023 tot en met 6 februari 2023. Het college heeft eiseres met de brief van 9 januari 2023 er nog op gewezen dat zij 28 dagen per jaar in het buitenland mag verblijven met behoud van haar uitkering. Nu eiseres haar verblijf in het buitenland van(af) 5 april 2023 niet onverwijld en uit eigen beweging heeft gemeld bij het college heeft eiseres haar inlichtingenplicht geschonden.
7. Het betoog dat eiseres zou zijn vergeten haar verblijf in het buitenland te melden vanwege het overlijden van haar broer, slaagt evenmin. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij niet in staat was om haar verblijf in het buitenland onverwijld te melden voor vertrek, dan wel zo spoedig mogelijk na haar vertrek. Dat eiseres op 24 september 2024 heeft erkend dat zij in het buitenland heeft verbleven maakt niet dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Met de verklaring van 24 september 2024 heeft eiseres haar verblijf in het buitenland van(af) 5 april 2023 niet onverwijld en uit eigen beweging gemeld bij het college. Door het college was, onder meer op basis van de overgelegde stukken, al vastgesteld dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van het geheel ontbreken van verwijtbaarheid is dan ook geen sprake. Het college heeft eiseres dan ook terecht een boete opgelegd.
8. Eiseres betoogt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Ze was vergeten het verblijf in het buitenland te melden. Het college had moeten volstaan met een waarschuwing dan wel de boete matigen naar 10% van het benadelingsbedrag. De beroepsgrond slaagt niet.
8.1.
Onder verwijzing naar artikel 2aa van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) kan niet worden volstaan met een waarschuwing nu van een situatie zoals bedoeld in artikel 2aa, eerste lid, onder a of b, van het Boetebesluit geen sprake is.
8.2.
De enkele stelling dat eiseres de melding zou zijn ‘vergeten’ vanwege het overlijden van haar broer is onvoldoende om aannemelijk te maken dat sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid vanwege een situatie zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid, onder a tot en met e, van het Boetebesluit. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij daadwerkelijk voor een begrafenis in Marokko was, laat staan dat zij niet dan wel beperkt in staat zou zijn geweest om haar verblijf in het buitenland onverwijld – binnen twee weken – te melden bij het college.
9. Bij normale verwijtbaarheid moet de boete binnen twaalf maanden kunnen worden
voldaan vanuit de beslagvrije ruimte van de toepasselijke bijstandsnorm. De
beslagvrije ruimte bedraagt 5% van de toepasselijke norm. Dit betekent voor
eiseres dat de maximale boete € 780,- bedraagt. Gezien de hoogte van de
boete is er voldoende rekening gehouden met de draagkracht. De rechtbank ziet geen
aanleiding de boete verder te matigen.
10. De opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van
verwijtbaarheid en de overige gebleken omstandigheden.
11. De leeftijd van eiseres levert geen dringende reden op om van een boete af te zien, waardoor deze grond niet kan slagen. Eiseres heeft niet met stukken onderbouwd dat sprake is van andere (financiële) omstandigheden die zouden moeten leiden tot het afzien van de boete. Het ligt op de weg van eiseres inzicht te geven in haar financiële situatie. Gebleken is dat eiseres maandelijks een bedrag van € 30,- aflost op de boete. Er zijn geen dringende
redenen om af te zien van de boete.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de IOAW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.
Op grond van artikel 20a van de IOAW in samenhang met artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) legt verweerder bij schending van de inlichtingenverplichting een boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag.
Op grond van het tweede lid wordt in dit artikel - voor zover van belang - onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
Op grond van het zevende lid kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Op grond van artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag indien er geen sprake is van opzet of grove schuld.
Op grond van artikel 2aa, eerste lid, van het Boetebesluit kan het bestuursorgaan afzien van een bestuurlijk boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien:
a. de overtreding van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag of het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,-, of
b. de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.
Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAWE, IOAZ Rotterdam 2017 (beleidsregels)
Artikel 2
Boete en waarschuwing bij schending inlichtingenplicht
1. Het niet, niet behoorlijk of niet tijdig voldoen aan de inlichtingenplicht is een overtreding die wordt gesanctioneerd met een boete of een waarschuwing.
2. Er wordt tijdig voldaan aan de inlichtingenplicht indien de vereiste inlichtingen verstrekt worden binnen een termijn van uiterlijk twee weken gerekend vanaf het moment dat de inlichtingen voor belanghebbende beschikbaar zijn.
3. De hoogte van de boete wordt bepaald in evenredigheid met de mate waarin de inlichtingenplicht is geschonden, waarbij in ieder geval betrokken worden de ernst van de overtreding, de omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid.
4. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de individuele situatie van de belanghebbende.
5. De hoogte van de boete, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, wordt als volgt vastgesteld:
(….)
c. er wordt een boete van 50% van het benadelingsbedrag opgelegd indien de belanghebbende heeft nagelaten om een of meer wijzigingen van feiten en omstandigheden waarvan de belanghebbende weet of redelijkerwijs kan en behoort te weten dat deze van belang zijn voor de uitkering, tijdig en op de voorgeschreven wijze te melden;
(…..)
Artikel 5
Afstemming van de boete op de omstandigheden
Indien belanghebbende de op grond van de artikelen 2, 3 en 4 van deze beleidsregels berekende boete wegens financiële omstandigheden niet in één keer kan betalen, wordt de maximale hoogte van de op te leggen boete als volgt bepaald:
(…..)
c. bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 12 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10;
Artikel 6
Dringende redenen
Van dringende redenen is sprake bij bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Deze regel kan slechts toegepast worden indien door het bij de verrekening in acht nemen van de beslagvrije voet, voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zullen optreden. Vast dient te staan dat sprake is van een zeer incidenteel geval en dat de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, het toepassen van aflossing van de boete met het bedrag van het beslag vatbare deel niet toelaat. Zeker bij opzet dan wel bij grove schuld, moet zeer terughoudend worden omgegaan met het aannemen van dringende redenen. Slechts in zeer exceptionele omstandigheden kan daarvan sprake zijn.
Als er wordt afgezien van het opleggen van een boete wegens dringende redenen, kan deze schending van de inlichtingenplicht wel gevolgen hebben bij het opleggen van een boete in geval van een toekomstige schending van de inlichtingenplicht (recidive).

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2112 en 22 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2405