Eiseres ontvangt een IOAW-uitkering en meldde een verblijf in het buitenland van 9 januari tot 6 februari 2023. Later bleek uit bankafschriften en paspoortstempels dat zij ook van 5 april 2023 tot 8 juni 2023 in Marokko verbleef, zonder dit tijdig te melden. Het college legde haar daarom een bestuurlijke boete op van €780 wegens schending van de inlichtingenplicht.
Eiseres voerde aan dat zij het verblijf was vergeten te melden vanwege het overlijden van haar broer en dat de boete gematigd had moeten worden. De rechtbank oordeelde dat het college terecht de boete oplegde omdat eiseres niet onverwijld en uit eigen beweging haar verblijf had gemeld, en dat de stelling van verminderde verwijtbaarheid onvoldoende was onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat de boete proportioneel is, rekening houdend met de ernst van de overtreding, verwijtbaarheid en draagkracht van eiseres. Er waren geen dringende redenen om van de boete af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.