ECLI:NL:RBROT:2026:4637
Rechtbank Rotterdam
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor eerste maand huur wegens ontbreken actuele kosten
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om hun aanvraag om bijzondere bijstand voor de eerste maand huur af te wijzen. Het college had de aanvraag afgewezen omdat op het moment van de aanvraag geen daadwerkelijke kosten meer bestonden, aangezien de eerste huurnota reeds was betaald.
De rechtbank heeft op 17 april 2026 de zaak mondeling behandeld en geoordeeld dat het college terecht heeft gehandeld. Volgens artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet moeten de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich daadwerkelijk voordoen. Omdat eisers de huur al hadden voldaan voordat zij de aanvraag indienden, was niet aan deze voorwaarde voldaan.
Eisers voerden aan dat sprake was van bijzondere omstandigheden en dwang, maar de rechtbank verwierp deze stellingen. Er was geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanwege het dwingende karakter van de wet. Bovendien hadden eisers de mogelijkheid om eerder een aanvraag in te dienen, ook al was de huurhoogte nog niet exact bekend.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit niet in strijd is met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Het beroep is ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor de eerste maand huur is ongegrond verklaard omdat de kosten al waren voldaan bij de aanvraag.