2.3.1.Partiële vrijspraak voor moord
Vaststaat dat het slachtoffer, hierna genoemd: [voornaam slachtoffer 1] , in de nacht van 11 op 12 oktober 2024 door een steek met het mes van de verdachte om het leven is gekomen. De vraag is of bewezen kan worden dat de verdachte, zoals hem wordt verweten, opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Voorbedachte raad?
De vraag die moet worden beantwoord, is of de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan moord, dat wil zeggen dat hij opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. Daarbij moet het gewicht worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft er niet aan in de weg te staan dat aan contra-indicaties een zwaarder gewicht wordt toegekend.
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte en [voornaam slachtoffer 1] waren ruim een jaar vrienden van elkaar en zochten elkaar vaak op. In de dagen voor 11 oktober 2024 is tussen de verdachte en [voornaam slachtoffer 1] een ruzie ontstaan. Uit chatgesprekken van 4 oktober 2024 blijkt dat [voornaam slachtoffer 1] een paar schoenen van de verdachte terug zou willen en dat de verdachte op zijn beurt nog geld zou moeten krijgen van [voornaam slachtoffer 1] . Vanaf 9 oktober 2024 is hierover via chatberichten ruzie ontstaan waarbij zij elkaar over en weer hebben beledigd en uitgedaagd. De verdachte stuurt onder meer naar [voornaam slachtoffer 1] :
‘Bra je ben half handicap en jij gaat mij victem worden. Let op.’en
‘Weet dat als ik jou zie. Dat je klaar bent’. De verdachte stelt ook meerdere malen voor om met [voornaam slachtoffer 1] te ‘
meeten’ om het op te lossen. Uit getuigenverklaringen volgt dat zij in die periode ook meerdere videogesprekken hebben gevoerd waarbij de verdachte [voornaam slachtoffer 1] onder meer met de dood heeft bedreigd. De getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij de verdachte heeft horen zeggen: ‘
Wanneer ik jou tegenkom dan ga ik je slaan en ga ik je neersteken’. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij in de week voor 11 oktober 2024 na een lange tijd weer met een mes op zak is gaan lopen.
Op 11 oktober 2024 treffen de verdachte en het slachtoffer elkaar laat in de avond in de metro op weg naar Maassluis. Ook op dat moment heeft de verdachte een mes op zak. Op camerabeelden is te zien dat de verdachte en [voornaam slachtoffer 1] op metrostation Steendijkpolder om 23:52 uur de metro uitstappen. [voornaam slachtoffer 1] stapt eerst uit en 5 seconden later volgt de verdachte door dezelfde deur. In de steeg achter de woningen aan de Tinbergendreef in Maassluis komt het tot een fysieke confrontatie tussen de verdachte en [voornaam slachtoffer 1] . Deze plek is gelegen op de meest logische route van het metrostation naar de woning van [voornaam slachtoffer 1] .
Hoewel de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden naar de uiterlijke verschijningsvorm belangrijke aanwijzingen vormen dat de verdachte het besluit had genomen om [voornaam slachtoffer 1] van het leven te beroven, zijn deze feiten en omstandigheden onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Uit de getuigenverklaring van [naam getuige 2] volgt dat op 11 oktober 2024 rond middernacht in de steeg achter zijn woning een ruzie tussen twee of drie jongens heeft plaatsgevonden. Van belang is dat hij verklaart dat de ruzie meerdere minuten heeft geduurd, dat er is geschreeuwd en gescholden en dat volgens hem pas tijdens de laatste fase van deze ruzie een worsteling heeft plaatsgevonden. De rechtbank hecht ook waarde aan de inhoud van de opgenomen gesprekken vanuit de Penitentiaire Inrichting. Tijdens het gesprek met zijn moeder en tante vertelt de verdachte dat hij een paar dagen voor de steekpartij ruzie had met [voornaam slachtoffer 1]
.Tegen zijn vrienden vertelt hij dat hij de ruzie aanvankelijk wilde uitpraten. Hij zegt vervolgens: ‘
Ik dacht eigenlijk ik geef hem m’n been klaar’. Vervolgens vertelt hij dat [voornaam slachtoffer 1] op enig moment tijdens de ruzie met zijn hoofd tegen hem aan kwam. Hij werd naar eigen zeggen toen ‘
kankerpara’ en heeft hem vervolgens één keer geraakt.
Deze omstandigheden wijzen er niet op dat de verdachte bezig was met het uitvoeren van een plan om [voornaam slachtoffer 1] van het leven te beroven, maar op een acute situatie waarin door de verdachte in een gemoedsopwelling is gehandeld. Het valt op basis van deze omstandigheden niet uit te sluiten dat de verdachte de confrontatie met [voornaam slachtoffer 1] heeft opgezocht om de ruzie uit te praten en mogelijk het gevecht aan te gaan, maar dat de situatie ter plekke is geëscaleerd. De rechtbank is van oordeel dat aan deze contra-indicaties een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan de hiervoor genoemde aanwijzingen en de omstandigheid dat voor de verdachte tijd en gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden over het genomen of het te nemen besluit en na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank gaat ervan uit dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat hij moet worden vrijgesproken van moord.
2.3.3.Bewijsmiddelen feit 1
De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte
In de late avond van 11 oktober 2024 kwam ik [voornaam slachtoffer 1] toevallig tegen in de metro. We hadden al een paar dagen ruzie en ik kreeg in de metro een discussie met hem. We zijn uitgestapt bij Steendijkpolder in Maassluis en toen hij het poortje doorging wachtte hij op mij. We liepen samen naar de overkant in de richting van waar hij woont. Ik liep met hem mee. De sfeer sloeg om. Ik had zelf een mes bij me. In de steeg kwamen we met de hoofden tegen elkaar. [voornaam slachtoffer 1] had ook een mes. Dat viel op de grond. Ik greep mijn mes. Ik had het mes in mijn rechterhand. Ik had het mes met het handvat beet. Ik had het naar boven gericht. We raakten in een worsteling en vielen op de grond. Er is gestoken met mijn mes. [voornaam slachtoffer 1] stond op en rende weg om het hoekje. Ik zag hem ergens tegenaan vallen. Ik heb de messen toen weggezet bij mijn been en ben toen weggerend.
2.
NFI rapport forensisch pathologisch onderzoek
1. Overledene
[slachtoffer 1] is levenloos aangetroffen ter hoogte van [adres 2] in Maassluis op 12 oktober 2024.
6. Interpretatie van resultaten
Steek- en snijletsel
Aan de borstkas links was een steekletsel (sub B2) door krachtinwerking met een scherp voorwerp (zoals een mes). Hierbij was er perforatie van onder andere de linkerborstholte, de linkerlong, het hart, de longslagader en de luchtpijp. Dit heeft geleid tot ernstig bloedverlies (sub B3) en hart-, ademhalings- en longfunctiestoornissen; op basis waarvan het overlijden zonder meer wordt verklaard.
Aan het voorhoofd links was een steekletsel en aan de rechterhand was een snijletsel (sub B4) door krachtinwerking met een scherp voorwerp. Deze letsels waren gering en zonder directe betekenis ten aanzien van het overlijden. Het letsel aan de rechterhand kan, gezien de locatie, eventueel passen bij af- of verweerletsel.
7. Conclusie
[slachtoffer 1]
,20 jaar oud, is overleden als gevolg van één steek in de borst (met perforatie van de linkerborstholte, de linkerlong, het hart, de longslagader en de luchtpijp).
3.
Proces-verbaal van de politie
Op 29 oktober 2024, werd vertrouwelijke communicatie opgenomen (OVC), in de P.I. te [detentieplaats] .
- Verdachte [voornaam verdachte]
- Moeder verdachte ( [naam 1] )
- Tante verdachte ( [tante] )
[tante] : Wat is er gebeurd [voornaam verdachte] ?
[voornaam verdachte] : Ik heb gewoon ruzie met hem.
(…)
[tante] : Hoe heb je ruzie met hem gehad?
[voornaam verdachte] : Gewoon hij zei domme dingen gewoon.
(…)
[voornaam verdachte] : Ik had hem één (1) keer geraakt gewoon.
[tante] : Waar heb je hem geraakt?
[voornaam verdachte] : Ik weet niet precies waar. Gewoon bovenlichaam zeg maar de romp.
(…)
[tante] : En met wat heb je hem gestoken?
[voornaam verdachte] : Mes
[tante] : Van mama thuis, of had je een mes bij je?
[voornaam verdachte] Ik heb zelf.
4.
Proces-verbaal van de politie
Op 15 november 2024, werd vertrouwelijke communicatie (OVC) opgenomen in de bezoekersruimte van de P.I. te [detentieplaats] alwaar de verdachte [verdachte] bezoek ontving van drie personen genaamd:
- [naam 2] . geboren [geboortedatum 2] -2004 te [geboorteplaats 2] ,
- [naam 3] , geboren [geboortedatum 3] -2009 te [geboorteplaats 2] en
- [naam 4] , geboren [geboortedatum 4] -2007 te [geboorteplaats 2] .
J = [verdachte]
N = NN mannen: [naam 2] / [naam 3] / [naam 4]
J: Maar broer … ntv … uit die metro, dit en dat. Eh… Ik stap met hem uit die metro.
N: Maar voor wat? (…)
J: Je weet toch. Normaal komt die met die man broer. En ik dacht eigenlijk als ie echt gek doet ik geef hem gewoon enige been. (…)
J: (…) Broer ik wou nog uitpraten en zo. Ik dacht eigenlijk ik geef hem m’n been klaar. (…) Hij komt met zijn hoofd tegen mij aan, broer toen werd ik kankerpara broer. Ik viel naar achteren. Ik bek (fon) die ding. Daarna broer, ik heb hem één keer he. Ik weet niet waar ik hem …ntv... gestoken heb maar ik heb hem één keer geraakt niffo
.
N: Er stond eh steekwapen.
J: Boys ik heb hem geraakt. Ik heb hem één keer geraakt. Broer heb hem verkeerd geraakt broer. (…)
N: Wie heeft geraakt?
J: Dat ding ging door zijn longen, door zijn hart, alles in 1 keer. Je weet toch. Daarna die man rent weg ik weet niet (…)
2.3.6.Bewijsmiddelen feit 2
De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte
Op 15 november 2023 was ik in de woning van [naam 5] in Rotterdam. ST (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) stond in de keuken. Ik stond op en ging naar de keuken. Hij stond met zijn voorkant naar mij toe. Ik heb hem met de schaar geraakt in zijn arm. Ik merkte dat ik hem raakte. De schaar kwam tegen hem aan. Ik heb hem één keer getrapt.
2.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 2]
Op 15 november 2023 was ik in de avond in het huis van [naam 5] in Rotterdam. (…) Er zaten 4 jongens in de woonkamer. [naam 5] en zijn vriend groetten één van de jongens. Ik noem hem hierna verdachte 1. Op enig moment wil verdachte 1 wat in mijn oor fluisteren en hierdoor staan we bijna schouder aan schouder. Ik duwde hem weg om afstand te creëren. Hierna werd hij helemaal gek en ging hij trappen en slaan. Later bleek dat hij aan het steken was. Ik viel op de grond en werd hierna getrapt. Ik heb meerdere trappen op mijn hoofd gehad. Ik heb pijn in mijn hoofd en in mijn onderarm.
Ik weet dat ik met een schaar ben gestoken doordat ik die schaar heb gezien. Daarna stond hij ook boven mij met die schaar. Ik heb 2 kleine steekwonden in mijn onderarm.
3. Schriftelijk stuk
Patiënt [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum 5] -2010, zagen we op 15-11-2023 op de Spoedeisende Hulp, locatie Franciscus Vlietland.
Reden van komst / Verwijzing
Molest
Conclusie
Een 13-jarige jongen presenteert zich op de SEH na een mishandeling met een tweetal steekverwondingen in de linker onderarm.