Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4575

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/4290
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding bij intrekking bijstandsuitkering afgewezen

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om zijn bijstandsuitkering in te trekken per 5 augustus 2024. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Eiser stelde dat het besluit naar een verkeerd adres was gestuurd en dat hij door persoonlijke omstandigheden niet tijdig bezwaar kon maken.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het primaire besluit was verstuurd naar het laatst bekende adres van eiser, waar hij woonde volgens de huurovereenkomst en inschrijving in de basisregistratie personen. Eiser had geen verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding, ondanks zijn persoonlijke omstandigheden zoals stress, psychische problemen en dakloosheid.

Verder stelde eiser dat hij niet was gehoord en dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden. De rechtbank verwierp deze stellingen omdat bij een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar geen hoorplicht geldt en het college voldoende gelegenheid had gegeven om de termijnoverschrijding toe te lichten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk blijft en eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar wegens termijnoverschrijding is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4290

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Berkouwer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. el Kaddouri).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college om het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2024 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit bezwaar te laat is ingediend.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met een besluit van 18 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van eiser met ingang van 5 augustus 2024 ingetrokken.
2.2.
Met een besluit van 25 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en haar collega mr. I. Plaisier.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Hiervoor heeft eiser geen verschoonbare redenen aangevoerd. Het college heeft het bezwaar om die reden kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Het standpunt van eiser
4. Eiser betoogt dat het primaire besluit is verstuurd naar een adres waar eiser op dat moment niet zou wonen. Volgens eiser had het college hem per e-mailbericht dan wel telefonisch moeten informeren over het primaire besluit. Eiser betoogt tevens dat de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen en daarmee verschoonbaar is.
Eiser stelt dat het primaire besluit niet eerder zou zijn ontvangen dan maximaal zes weken voor 25 maart 2025. Wanneer en op welke wijze dit zou zijn gebeurd, is volgens de gemachtigde van eiser niet van belang, wel is van belang dat het bezwaar tijdig is ingediend.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat er ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat hij niet is gehoord. Eiser heeft geen uitkering meer ontvangen van de gemeente Rotterdam en is daardoor opnieuw in de schulden beland. Dit heeft zoveel stress veroorzaakt waardoor eiser ernstig is beperkt in zijn doen-vermogen en als gevolg hiervan niet in staat is zijn belangen adequaat te behartigen dan wel te laten behartigen. Eiser sliep bij een vriend op de bank en ontving brieven op zijn oude en nieuwe adres en tot beide adressen had hij beperkt toegang. Ook heeft hij last van psychische problemen als gevolg van zijn scheiding en dakloosheid. De procedures bij de gemeente Rotterdam verlopen bovendien rommelig. Tot slot betoogt eiser dat het besluit is genomen in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
De wet- en regelgeving en rechtspraak
5.1.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bezwaartermijn zes weken en op grond van artikel 6:9 van Pro de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft een niet-ontvankelijkheidsverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is.
5.2.
Op basis van vaste rechtspraak [1] is een termijnoverschrijding slechts verschoonbaar als de termijnoverschrijding niet aan eiser kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die eiser betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot overschrijding heeft geleid.
Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen kan worden gedacht aan psychisch onvermogen, ernstige ziekte van de indiener of ziekte of overlijden van een naaste en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. Daarnaast kan worden gedacht aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress zorgen.
Vervolgens dient te worden vastgesteld of eiser het bezwaar- of beroepschrift zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd heeft ingesteld. Hierbij is eiser zelf verantwoordelijk voor de ontvangst van zijn post.
Het oordeel van de rechtbank
6.1.
Het betoog van eiser dat het besluit is verstuurd naar een adres waar eiser op dat moment niet zou wonen, slaag niet.
Niet in geschil is dat eiser op 5 augustus 2024 de sleutel heeft gekregen van zijn nieuwe woning aan de [adres] in [plaats] en dat op dat moment de defnitieve verhuurovereenkomst van de woning is ingegaan. Uit de huurovereenkomst blijkt dat eiser woonplaats heeft gekozen in het gehuurde (de woning aan de [adres] in [plaats] ). Aan eiser is tevens namens verweerder een huisvestingsvergunning toegekend voor het in gebruik nemen van deze woning. Uit de verhuurdersverklaring blijkt dat eiser geen bezwaar heeft tegen inschrijving (in de basisregistratie personen bij de gemeente [plaats] ) op dit adres.
Op grond van deze gegevens heeft het college heeft het primaire besluit verstuurd naar dit adres in [plaats] . Dit was het bij het college laatst bekende adres en het college is er dan ook terecht van uitgegaan dat dit het juiste adres is.
Het feit dat eiser een aanvraag voor bijzondere bijstand heeft ingediend en in afwachting was van een besluit, doet aan het vorenstaande niet af. Dit geldt eveneens voor de stelling van eiser dat hij zich pas per 1 januari 2025 zou hebben ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente [plaats] . Wat daar ook van zij, gelet op het vorenstaande is het aan eiser om zijn post (tijdig) op te vangen.
Daarnaast heeft eiser meerdere malen telefonisch contact gehad met het college en ook hierbij heeft eiser niet aangegeven dat hij (nog) niet op het adres in [plaats] woonachtig was en waar hij wel te bereiken was. Eiser moest begrijpen dat het college bij het ontbreken van een ander adres, van het laatst bekende adres van eiser gebruik zou maken.
6.2.
Het betoog van eiser dat het college hem per e-mailbericht dan wel telefonisch had moeten informeren over het primaire besluit, slaagt evenmin.
Artikel 2:14, eerste lid, van de Awb biedt een bestuursorgaan de mogelijkheid om berichten langs elektronische weg te versturen, maar verplicht hiertoe niet. Voor het telefonisch informeren bestaat geen wettelijke grondslag. Eiser is bekend dat Werk en Inkomen hem altijd per post informeert en dit is - in het verleden - niet weersproken.
6.3.
Het betoog van eiser dat de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen en daarmee verschoonbaar, slaagt ook niet. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het primaire besluit niet eerder zou zijn ontvangen dan maximaal zes weken voor 25 maart 2025. Wanneer en op welke wijze dit zou zijn gebeurd, is echter niet duidelijk. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij in de maand oktober 2024 op de hoogte is geraakt van het besluit, maar dat de termijnoverschrijding te wijten is aan de stress die is veroorzaakt door het niet ontvangen van de uitkering, hetgeen niet aan eiser toe te rekenen zou zijn. Hierdoor zou hij ernstig beperkt zijn in zijn doen-vermogen en niet in staat zijn om zijn belangen adequaat te behartigen.
Eiser heeft zijn stellingen op dit punt niet onderbouwd en hiermee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van externe omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan eiser toe te rekenen is. Dit betekent dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, zodat het college terecht het bezwaar van eiser kennelijk niet ontvankelijk heeft verklaard.
6.4.
Van omstandigheden waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is de rechtbank ook met inachtneming van recente jurisprudentie over de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen, niet gebleken. [2]
6.5.
Het betoog dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en ook dat hij ten onrechte niet is gehoord, faalt.
Bij de toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb gaat het om een gebonden bevoegdheid.
Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het bezwaar
niet-ontvankelijk worden verklaard. In dat geval is een belangenafweging niet mogelijk.
Dat betekent onder meer dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling niet relevant zijn. [3]
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat het college de hoorplicht niet heeft geschonden. Van het horen in de bezwaarprocedure mag worden afgezien bij een kennelijk
niet-ontvankelijk bezwaar (artikel 7:13, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 7:3, onder a, van die wet). Het horen is erop gericht om nadere informatie te krijgen, zodat het college over alle feiten en omstandigheden beschikt om een besluit op het bezwaar te kunnen nemen. Het college heeft eiser in de gelegenheid gesteld om de redenen voor het te laat indienen van het bezwaarschrift nader toe te lichten. Gelet op hetgeen vervolgens door eiser is aangevoerd, bestond voor het college geen twijfel over de (verschoonbaarheid van de) termijnoverschrijding en mocht hij van het horen afzien.
6.7.
Van strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
2.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
3.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1555.