Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4466

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/7174
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ParticipatiewetArt. 17 ParticipatiewetArt. 53a Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering wegens onvoldoende financiële duidelijkheid

Eiser diende op 9 maart 2025 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering, nadat zijn eerdere uitkering in maart 2023 was ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht. Tijdens het intakegesprek verklaarde hij geen inkomsten te hebben en te worden onderhouden door zijn vriendin en moeder. Het college vroeg om verifieerbare bewijsstukken om inzicht te krijgen in zijn financiële situatie, maar eiser leverde slechts beperkte en onvoldoende onderbouwde documenten aan.

Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat eiser zijn medewerkingsplicht had geschonden door niet de gevraagde bewijsstukken te overleggen. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de verklaringen van eiser onvoldoende specifiek waren en niet ondersteund werden door bewijs. Daarnaast was er onduidelijkheid over zijn inkomsten, vermogen en uitgaven, onder meer door onverklaarde transacties en een onduidelijk uitgavenpatroon.

De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat het college terecht de aanvraag had afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Haan op 20 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7174

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht, het college

(gemachtigde: mr. J.V. Dieckmann).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser van 9 maart 2025 om een bijstandsuitkering. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie waardoor zijn recht op een uitkering niet valt vast te stellen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 11 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college eisers aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
2.1.
Met een besluit van 28 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar, onder wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Op 18 augustus 2022 heeft het college eiser algemene bijstand toegekend op grond van de Pw. Het college heeft op 13 maart 2023 de bijstandsuitkering ingetrokken wegens het schenden van de inlichtingenplicht.
6. Op 9 maart 2025 heeft eiser een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Tijdens het intakegesprek van 21 maart 2025 heeft eiser verklaard dat hij sinds het voorjaar van 2023 geen inkomsten meer heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Eiser heeft tot de kerst van 2024 bij zijn vriendin in Rotterdam gewoond en die heeft eiser in zijn levensonderhoud voorzien. De contante storting van € 90,- op 5 december 2024 is volgens eiser van zijn vriendin afkomstig. Vanaf de kerst van 2024 verblijft eiser bij zijn moeder in Barendrecht en hier eet hij mee. Eiser had tot 15 januari 2025 een auto op zijn naam staan. De belasting en verzekering werden volgens eiser door een vriend betaald. Het geld van aanschaf van kleding op 11 en 15 februari 2025 op zijn bankrekening heeft eiser naar eigen zeggen verkregen van zijn moeder. Eisers schulden bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CIJB) worden betaald door zijn moeder. Tijdens het intakegesprek heeft het college eiser meegedeeld dat hij niet kan volstaan met schermprintjes, maar graag verifieerbare stukken van eiser wil ontvangen, opdat het college inzicht krijgt in eisers financiële situatie.
Met de brief van 26 maart 2025 heeft het college eiser tot 4 april 2025 de tijd gegeven om stukken te overleggen die duidelijkheid geven over zijn financiële situatie. Op 27 maart 2025 heeft eiser schermprintjes van de verkoop van rum overgelegd. De momentopnamen van zijn cryptomunt geven geen duidelijke inzicht in zijn handelsactiviteiten. Op de vraag hoe eiser in zijn levensonderhoud voorziet heeft hij verklaard dat voedsel voor hem verzorgd wordt op de plek waar hij verblijft en dat hij soms contant geld meekrijgt of dat geld wordt overgemaakt zodat hij de dagen door kan komen.
Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met verifieerbare bewijsstukken. Gegevens en bewijsstukken die inzicht geven in eisers financiële situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode ontbreken. Eiser heeft sinds het voorjaar 2023 geen verifieerbare inkomsten meer. Het college acht de enkele verklaring dat hij is onderhouden door zijn ex-vriendin en zijn moeder niet zonder meer aannemelijk. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstand behoevende omstandigheden verkeert.
7. Met het bestreden besluit heeft het college, in navolging van het advies van de Commissie bezwaarschriften van 25 augustus 2025, het bezwaar, onder wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser zijn verklaringen onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsstukken en nadere toelichtingen, terwijl het college hierom wel heeft verzocht. Als gevolg hiervan heeft eiser zijn medewerkingsplicht geschonden. Door het ontbreken van deze bewijsstukken en toelichtingen bestaat er onduidelijkheid over de financiële situatie van eiser, aldus het college.
Het standpunt van eiser
8. Eiser stelt dat hij het college alle beschikbare informatie heeft gegeven. Hij voorziet in zijn levensonderhoud met giften van vrienden, kennissen en zijn moeder. Eiser betoogt dat het college door steeds door te vragen over diverse onderwerpen een kapstok creëert om de beslissing tot afwijzing van de aanvraag aan op te hangen.
Wettelijk kader
9. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
10. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandsverlenende instantie deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is dit een grond voor weigering van de bijstand. Als ondanks de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, moet de bijstandsverlenende instantie dat recht vaststellen.
10.1.
De medewerkingsverplichting verplicht de belanghebbende om op verzoek van het college de (feitelijke) medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. [1] Het college kan bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt, respectievelijk overgelegd moeten worden. [2] Ook kan het college de wijze en het tijdstip bepalen waarop dit moet gebeuren. In het kader van de medewerkingsverplichting kan het college onder meer vragen om het overleggen van financiële gegevens. [3] Zowel bij de aanvraag als tijdens de bijstandverlening, mag van een betrokkene worden verlangd dat hij zodanige (bewijs)stukken overlegt dat het college kan onderzoeken en beoordelen of toekenning, dan wel voortzetting van de bijstand gerechtvaardigd is.
10.2.
De verklaring van eiser dat hij is onderhouden door familie en kennissen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende specifiek over de wijze waarop eiser in zijn levensonderhoud heeft voorzien zonder inkomen uit werkzaamheden. Op grond van jurisprudentie omvatten de kosten van levensonderhoud meer dan alleen kosten van huisvesting en eten. [4] Ook de kosten van persoonlijke verzorging, het onderhouden van sociale contacten en de kosten van een telefoon horen daarbij.
10.3.
Daarnaast bestaat er onduidelijkheid over eisers inkomsten, het vermogen en zijn uitgaven. Eiser heeft in oktober van 2024 twee flessen whisky verkocht via Catawiki. De twee flessen zijn verkocht voor een gezamenlijk bedrag van € 1.150,43. Het is onbekend op welke wijze eiser de flessen heeft verkregen. Eiser beschikt ook over een account bij OKX.com, een handelsplatform in cryptovaluta. Uit de bankoverzichten blijkt dat drie transacties naar OKX.com hebben plaatsgevonden ter hoogte van € 12,-, € 105,- en € 10,-. Het aangeleverde accountoverzicht over de periode van oktober 2024 tot en met februari 2025 is beperkt tot het totaal aan eigen vermogen per eerste van iedere maand. Welke mutaties tussentijds hebben plaatsgevonden, is niet opgenomen in de overzichten. De transacties van eiser naar OKX.com komen niet terug op het accountoverzicht van OKX.com. Ook is niet bekend wat de oorsprong is van het bedrag van 21,58 USD op
1 januari 2025. De door eiser afgelegde verklaring en aangeleverde stukken zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om inzicht te verkrijgen in de inkomsten, uitgaven en vermogen vanuit (de handel van) cryptovaluta.
10.4.
De rechtbank deelt het standpunt van het college dat het uitgavenpatroon van eiser niet past bij een persoon zonder inkomsten. Uit de bankafschriften blijkt dat de uitgaven van eiser aan kleding niet in verhouding staan tot de enkele ontvangst van kleine bedragen van familie en kennissen zoals is verklaard. De verklaring van eiser dat ook deze bedragen zijn verkregen van familie is niet onderbouwd met bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld verklaringen van de desbetreffende familieleden en kennissen. Daarnaast is eiser in de periode van 6 augustus 2024 tot en met 15 januari 2025 eigenaar geweest van een auto, terwijl onbekend is op welke wijze eiser de aanschaf en overige kosten in verband
met het hebben van een auto, heeft bekostigd.
10.5.
Nu eiser een aanvraag heeft ingediend, lag het op zijn weg om met het overleggen van de gevraagde stukken voldoende duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie. Eiser heeft dat niet gedaan, wat betekent dat hij zijn medewerkingsplicht heeft geschonden. Als gevolg van de schending van de medewerkingsverplichting heeft het college terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet

Artikel 11. Rechthebbenden

1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 17. Inlichtingenplicht

2. De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 53a. Verstrekking en onderzoek gegevens

6. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.

Voetnoten

1.Zie artikel 17, tweede lid, van de Pw.
2.Zie artikel 53a, eerste lid, van de Pw.
3.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1395.
4.Zie de uitspraken van de Raad van 8 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5556 en 3 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2646.