ECLI:NL:RBROT:2026:428

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/9183
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 3 TransportverordeningArt. 6 TransportverordeningBijlage I Hoofdstuk II paragraaf 1 sub 1.1 TransportverordeningArt. 6.2 Wet dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete vernietigd voor transporteur pluimvee wegens ontoelaatbare uitbreiding en onredelijkheid boeteoplegging

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van een pluimveetransporteur tegen een boete van €1.275,- opgelegd door de minister van Landbouw voor overtreding van de Wet dieren. De boete betrof het niet beschermen van kuikens tegen extreme hitte tijdens transport op 3 augustus 2022. De minister had in bezwaar de boetegrondslag uitgebreid met een overtreding wegens overbelading, wat de rechtbank als ontoelaatbaar beoordeelde vanwege het verbod op reformatio in peius.

De feiten betroffen een warme dag met temperaturen tussen 27 en 31 graden, waarbij toezichthouders ernstige hittestress en overbelading bij de kuikens constateerden. De transporteur voerde aan dat de planning en het laden door het slachthuis en pluimveehouder waren bepaald, dat de chauffeur geen invloed had op het laden en dat de chauffeur de instructies van toezichthouders opvolgde. De rechtbank vond het rapport van de toezichthouder betrouwbaar en erkende de overtreding, maar oordeelde dat gezien de bijzondere omstandigheden het opleggen van een boete onredelijk was.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalt dat de boete vervalt. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de transporteur. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en redelijke toepassing van bestuursrechtelijke boetes, met inachtneming van het verbod op verslechtering na bezwaar en de feitelijke omstandigheden van het transport.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de boete en herroept het primaire besluit wegens ontoelaatbare uitbreiding en onredelijkheid boeteoplegging.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9183

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. C.R. Post),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S. Geurtjens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.275,- die verweerder met het besluit van 5 april 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder – met een aanvulling van de grondslag – bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] en [naam]. Namens verweerder zijn verschenen: de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 5 februari 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA.
De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.

Op 3 augustus 2022 omstreeks 18:40 uur bevond ik mij in de aanvoerhal van [de slachterij] voor een antemortem-inspectie.[…]
Het was een erg warme dag, met 's middags temperaturen tussen 27 en 31 graden (zie bijlage KNMI-rapport voor 03.08.2022). Bij het controleren van het welzijn van de kuikens in de containers op de vrachtwagen met kenteken 05-BRD-6 zag ik dat veel kuikens in de lades tekenen van ernstige hittestress vertoonden; ik zag dat de meeste kuikens onrustig waren, ze snakten duidelijk naar lucht en staken hun kop uit de lades. In de lades zag ik wat apathische kuikens en ook enkele dode kuikens. De vrachtwagen met kenteken [kenteken] reed vervolgens de aanvoerhal binnen en de medewerkers begonnen met het lossen van de containers; hierdoor kon ik de lades en de kuikens beter inspecteren.
Ik kon duidelijk zien dat sommige lades op deze vrachtwagen te vol waren; de kuikens zaten dicht op elkaar. Ook nu zag ik dat de kuikens onrustig waren en dat veel kuikens in de lades benauwd waren, omdat ze naar lucht aan het happen waren en de koppen buiten de container staken; dit is een teken van hittestress (zie foto's 3, 4, 5, 10 en video's 1 en 2). Ik zag ook veel dode kuikens (in sommige lades 3-4 dode kuikens).
Omdat ik tijdens mijn inspectie in de aanvoerhal had gezien dat in sommige lades veel kuikens waren geladen, had ik een container met twee heel volle lades uitgeselecteerd om de kuikens in de twee volle lades te kunnen tellen (zie foto's 1, 2 en 13).[…]
Ik heb met hulp van de chef aanvoer de kuikens in de twee volle lades (de 2e en 3e lade van boven) geteld en overgeplaatst naar lades in een lege container. Wij hebben in elke lade 35 kuikens geteld. Volgens de daglijst vervoer waren er 30 kuikens per lade gepland (zie bijlage daglijst vervoer). De koppel had een gemiddeld gewicht van 2,5 kg[…].
Bij de berekening volgens bijlage berekening overbelading kom je dan op een tekort aan oppervlakte van 6,45 cm 2 (= 160 - ((13.436 cm 2 (opp. lade) / 87,5 kg (gem. gewicht van de 35 kuikens)) en een overbelading van 4,03% (= 6,45 / 160 * 100).[…]
Ik heb ter plekke sectie verricht op zes dode kuikens (drie uit een lade van een container die in de aanvoerhal stond, drie uit de cat-2-bak bij de aanhangers). Ik constateerde dat de zes kuikens onderhuids paars waren op de borst en poten. De kop en vooral de kam en lellen van de kuikens waren donker paars en droog. Sommige kammen hadden verkleurde plekken. Deze kleur van de kammen en spieren treden vaak op als kuikens voor een lange periode aan extreme hitte worden blootgesteld (zie sectiefoto's 7, 8, 11 en 12). Ik zag dat bij deze en bij de andere dode kuikens in de cat-2-bakken er geen rigor mortis (lijkstijfheid) was; dit is het verstijven van het lichaam na het overlijden, wat 1-3 uur na het overlijden optreedt. Hieruit maakte ik op dat deze kuikens, tijdens transport waren gestorven (zie in de volgende alinea de vertrektijd vanaf pluimveebedrijf, aankomsttijd slachterij en tijdstip lossen van de kuikens).[…]
Ik zag op laadbon 135124 vermeld staan dat de aanvangstijd van het laden van de vrachtwagen met kenteken [kenteken] met kuikens uit stallen 1 en 2 van het [het pluimveebedrijf] 15:15 uur was (geplande tijd begin laden was 14:45 uur); geplande vertrektijd was 15:30 uur; de aankomsttijd bij het slachthuis was 18:35 uur (zie bijlage laadbon 135124). Er is om ongeveer 19:00 uur gestart met het lossen van de containers van de vrachtwagen met kenteken [kenteken]. Het laden en transport samen heeft dan in totaal minimaal 3 uur en 45 minuten geduurd.[…]
V
olgens routenet is de transporttijd van het pluimveebedrijf in [plaats] naar het slachthuis in [plaats] 23 km, maximaal 30 minuten.[…]
Op de laadbon zag ik ook vermeld staan dat de buitentemperatuur bij laden/transport 28 graden was (zie bijlage laadbon 135124).[…]
De vrachtwagen met kenteken [kenteken] was afkomstig uit een B-gebied (een gebied van 3 km rond een uitbraak van vogelgriep, met speciale beperkingen) en was in de middag geladen. Vanwege reisbeperkingen moest deze vrachtwagen een specifieke, afgesproken route volgen, en mocht de vrachtwagen niet stoppen of rondjes rijden om de kuikens geventileerd te houden (zie bijlage besluit ontheffing vervoer gevogelte uit beschermingszone).
Zoals bevestigd door collega toezichthouder met nummer 37124 (zie bijlage bevindingen lijst van 03.08.2022 voor [de slachterij]) hebben de vrachtwagens bij het pluimveebedrijf, met extreme hitte en zonder goede ventilatie, 3 uur moeten wachten, waarmee er ook is verklaard waarom de transporttijd van de vrachtwagen met kenteken[kenteken] veel langer heeft geduurd dan de reistijd die door routenet was berekend.
Op 16.08.2022 had ik een telefoongesprek met een Inspecteur Vervoer Dierenwelzijn van de NVWA die naar [plaats] was gestuurd door de NVWA om toezicht te houden op het laadproces op 03-08-2022 bij [het pluimveebedrijf]. Hij zei dat hij zich echt zorgen had gemaakt om het welzijn van de dieren, omdat het een erg warme dag was en het vangen van de kuikens te vroeg was begonnen, aangezien de eerste vrachtwagen om 17.30 uur bij het slachthuis zou aankomen. Hij had een gesprek met het personeel op het pluimveebedrijf gehad en had aangeraden te stoppen met vangen, maar dat wilden zij niet. De Inspecteur Vervoer Dierenwelzijn had dit meerdere keren aangegeven. Om 14:20 uur had de Inspecteur Vervoer Dierenwelzijn contact proberen op te nemen met de planner, [de slachterij], en vervolgens met de transporteur, [eiseres] In het eerste geval werd hij niet teruggebeld, in het tweede geval werd er geen toereikende oplossing voor zijn zorgen bedacht en in werking gesteld. De vrachtwagens werden toch geladen en omdat de vrachtwagens geen andere routes konden rijden of onderweg konden stoppen, moesten de vrachtwagens bij het pluimveebedrijf wachten, onder enkele bomen, met temperaturen die 28 graden en hoger bereikten. De Inspecteur Vervoer Dierenwelzijn zei tegen mij dat de overbelading in sommige lades, de extreme hitte en vooral de slechte planning een risico voor het welzijn van de vervoerde dieren hadden gevormd. De Inspecteur Vervoer Dierenwelzijn heeft zijn bevindingen in een email gezet (zie bijlage email 18.08.2022).[…]
Vrachtwagen met kenteken [kenteken] die werd gebruikt voor het transport van kuikens op 03-08-2022 naar slachthuis [de slachterij], had geen actief ventilatiesysteem; de vrachtwagen moest dan ook in beweging zijn om de luchtcirculatie te kunnen waarborgen en het risico van hittestress te vermijden: het feit dat de volgeladen vrachtwagen, waarbij enkele lades overbeladen waren, lange tijd stilstond, tijdens de warmere uren van de dag, zorgde ervoor dat de temperatuur in de vrachtwagen opliep.[…]
De chauffeur had maatregelen kunnen nemen, bijvoorbeeld door er voor te zorgen dat de kuikens voldoende ventilatie kregen, zodat het welzijn van de dieren voldoende geborgd was. Ook had de chauffeur de overbeladen lades, net zoals ik dat zag vanaf de buitenkant van de wagen, kunnen zien en ten aanzien van de overbeladen lades maatregelen kunnen nemen.
In dit geval heeft [eiseres] er niet voor kunnen zorgen dat het welzijn van de kuikens beschermd was tijdens het transport en vooral in de periode tussen laden en aankomst in het slachthuis. Er zijn niet voldoende maatregelen genomen om de kuikens te beschermen tegen de extreme hitte.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder in het boetebesluit vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“De vervoermiddelen, containers en toebehoren zijn niet zodanig ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze onderhouden en gebruikt dat zij de dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden, extreme temperaturen en klimaatveranderingen.”
In het boetebesluit is vastgesteld dat eiseres daarmee een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3 en Pro artikel 6, derde lid, gelet op Bijlage I, Hoofdstuk II, paragraaf 1, sub 1.1 onder b van de Transportverordening [1] . Verweerder heeft eiseres daarvoor eiser boete opgelegd van € 1.275,-.
3.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van de boete aangevuld en vastgesteld dat eiseres tevens artikel 3, aanhef en onder g, van de Transportverordening heeft overtreden.

Beoordeling door de rechtbank

De toezichthouders
4. Eiseres voert aan dat verweerder de bevoegdheid van de betrokken toezichthouders niet heeft aangetoond en daarom het boetebesluit niet op de bevindingen van deze personen kan baseren. In het bijzonder wil eiseres weten of de toezichthouder die op het pluimveebedrijf aanwezig was bevoegd en bekwaam is, omdat deze in de ogen van eiseres onvoldoende controle over de situatie had.
4.1.
De toezichthouder die op het slachthuis zijn bevindingen heeft gedaan en het rapport heeft opgesteld, was op de zitting aanwezig en eiseres heeft ter zitting aangegeven diens bevoegdheid niet langer te betwisten. Van de andere toezichthouder, die op het pluimveebedrijf aanwezig was, heeft verweerder ter zitting aan de rechtbank getoond wie dit is, dat deze persoon werkzaam is voor de NVWA en staat ingeschreven in het diergeneeskundigenregister, waarna met eiseres ook de bevoegdheid van deze toezichthouder is vastgesteld.
Reformatio in peius
5. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit een nieuwe overtreding is vastgesteld, die in het primaire besluit niet aan de boete ten grondslag was gelegd en dat verweerder daarmee in strijd handelt met het verbod op reformatio in peius. Eiseres wordt door de toevoeging van een nieuwe overtreding benadeeld, onder meer omdat deze grond biedt voor verhoging van een boete bij eenzelfde volgende overtreding, aldus eiseres.
5.1.
In het boetebesluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het beboetbare feit zoals genoemd onder 3.2 van deze uitspraak heeft begaan en daarmee artikel 3 en Pro artikel 6, derde lid, gelet op Bijlage I, Hoofdstuk II, paragraaf 1, sub 1.1 onder b van de Transportverordening heeft overtreden. Dit feit ziet op het niet beschermen van de kuikens tegen extreme hitte. In het bestreden besluit heeft verweerder gehandhaafd dat eiseres dit feit heeft begaan en daarnaast vastgesteld dat eiseres ook artikel 3, aanhef en onder g, van de Transportverordening heeft overtreden. De rechtbank merkt op dat een duidelijke omschrijving van het beboetbaar feit op dit punt in het bestreden besluit ontbreekt, maar begrijpt dat verweerder hiermee doelt op overbelading in de zin van een te kort aan oppervlakte voor de vervoerde kuikens.
5.2.
Verweerder vindt de uitbreiding van de grondslag van de boete toelaatbaar en verwijst daarbij naar uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [2] waaruit volgt dat de systematiek en uitgangspunten van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meebrengen dat in bezwaar een primair besluit in volle omvang wordt heroverwogen en dat deze heroverweging de gelegenheid biedt fouten te herstellen, waarbij de eis geldt dat het nieuwe besluit moet zijn te beschouwen als het resultaat van die heroverweging. In beide uitspraken van het CBb werd een wijziging van de wettelijke grondslag voor de overtreding op basis van hetzelfde feitencomplex beschouwd als een resultaat van de volledige heroverweging van het primaire besluit, zoals neergelegd in artikel 7:11 van Pro de Awb, en daarmee toelaatbaar geacht. In de zaak van eiseres gaat het evenwel niet om een wijziging op basis van hetzelfde feitencomplex. Weliswaar is in hetzelfde rapport waarin de hittestress van de kuikens is beschreven, ook benoemd dat sprake was van overbelading en betrof dit hetzelfde transport, maar het gaat om verschillende feitelijke gedragingen die aan de door verweerder vastgestelde overtredingen ten grondslag liggen. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de gelegenheid die de volledige heroverweging in bezwaar biedt wel een ondergrens kent, namelijk het verbod op reformatio in peius [3] . Dit verbod houdt in dat degene die bezwaar heeft gemaakt door de beslissing op dat bezwaar in beginsel niet in een slechtere positie terecht mag komen dan waarin hij zou hebben verkeerd als hij geen bezwaar zou hebben gemaakt. In het bestreden besluit is het boetebedrag weliswaar niet verhoogd, maar de overtreding die verweerder in het bestreden besluit aan de boete heeft toegevoegd, biedt wel grond om bij een toekomstige zelfde overtreding het aan eiseres op te leggen boetebedrag te verhogen, gelet op artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. Verweerder heeft dit ook niet betwist. Daarmee is de rechtspositie van eiseres door de toevoeging van een andere overtreding in het bestreden besluit verslechterd ten opzichte van haar positie na het primaire besluit.
5.3.
Nu de toevoeging van de overtreding ten aanzien van overbelading is gebaseerd op andere feitelijke gedragingen dan de in het primaire besluit vastgestelde overtreding en eiseres in een nadeligere positie brengt, vindt de rechtbank deze uitbreiding in het bestreden besluit ontoelaatbaar. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb, voor zover het besluit ziet op de vaststelling dat eiseres artikel 3, aanhef en onder g, van de Transportverordening heeft overtreden. De overige gronden die eiseres heeft gericht tegen de vaststelling van deze overtreding laat de rechtbank dan ook buiten bespreking. Over de andere door verweerder vastgestelde overtreding van artikel 3, aanhef en onder c, van de Transportverordening – die al wél in het primaire besluit aan de boete ten grondslag was gelegd – zal de rechtbank hierna oordelen.
Overtreding van artikel 3, aanhef en onder c, van de Transportverordening
6. Eiseres voert aan dat de dieren zijn vervoerd met een daarvoor geschikte en in de praktijk gebruikelijke vrachtwagen waar niets aan mankeerde. Uit het rapport van bevindingen blijkt niet dat een overtreding is begaan. Op het moment dat de chauffeur van de toezichthouder toestemming kreeg om te gaan rijden, is het transport vlot en correcte uitgevoerd. Door de beweging van de vrachtwagen werd de luchtcirculatie gewaarborgd en het risico van hittestress bij de dieren vermeden. Het transport heeft dan ook niet op een dusdanige manier plaatsgevonden dat het de dieren onnodig lijden heeft berokkent. Verweerder stelt dat eiseres als transporteur verantwoordelijk is voor de gehele vervoersoperatie, maar miskent hiermee dat eiseres vastzit aan de planning van de slachterij en dat de chauffeur ter plaatse geen enkele invloed had op de gang van zaken. Eiseres heeft voorafgaand aan het transport bij de NVWA gemeld dat de dieren lang zouden moeten wachten, maar daar is toen niets mee gedaan. Ter plaatse heeft de pluimveehouder met zijn vangploeg de dieren gevangen, in containers geplaatst en op de vrachtwagen geladen. De chauffeur had daar geen invloed op en ook de aanwezige toezichthouder bleek niet in staat om de pluimveehouder en vangploeg het vangen en laden uit te laten stellen. Wel heeft de chauffeur van eiseres gehoor gegeven aan het verbod van de toezichthouder om direct na het laden naar de slachterij te rijden. Vanwege de beperkingen wegens vogelgriep was het niet toegestaan om met het voertuig met geladen dieren rond te gaan rijden en daarmee te zorgen voor luchtcirculatie. De toezichthouder heeft besloten om vanwege de hitte de vrachtwagen tijdelijk onder enkele bomen te stallen. Uiteindelijk werd pas ruim 3,5 uur later toestemming verleend om het transport uit te voeren en pas vanaf dat moment had de chauffeur opnieuw 'zeggenschap' over de situatie en is het transport op correcte wijze en met daartoe geschikt materieel uitgevoerd, aldus eiseres.
6.1.
Verweerder verwijt eiseres een overtreding te hebben begaan van artikel 3, aanhef en onder c, en Bijlage I, Hoofdstuk II, paragraaf 1, sub 1.1 onder b, van de Transportverordening, waarin staat dat het verboden is om dieren op zodanige wijze te vervoeren dat het ze waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent, waarbij – onder meer – geldt dat het vervoermiddel zodanig moet zijn ontworpen en worden gebruikt dat het de dieren bescherming biedt tegen extreme temperaturen. Volgens verweerder waren de kuikens bij dit transport niet beschermd tegen de extreme hitte van die dag.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het rapport van bevindingen voldoende duidelijk beschreven wat de toezichthouder op het slachthuis heeft waargenomen en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de inhoud van het rapport te twijfelen. De toezichthouder beschrijft in het rapport dat de meeste kuikens in de containers onrustig waren en dat veel kuikens naar lucht aan het happen waren en de koppen buiten de container staken. Bij het rapport zijn ook foto’s en video’s gevoegd waarop kuikens te zien zijn met geopende snavel en/of met de kop buiten een lade gestoken. De toezichthouder concludeert op basis van deze waarnemingen dat veel kuikens tekenen van ernstige hittestress vertoonden en de rechtbank ziet geen reden daaraan te twijfelen. Verder stelt de toezichthouder in het rapport vast dat het die middag 27 tot 31 graden Celsius was, dat de vrachtwagen geen actief ventilatiesysteem had en drie uur heeft gewacht op het pluimveebedrijf, wat door eiseres ook niet wordt betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de bevindingen van de toezichthouder terecht geconcludeerd dat de chauffeur van eiseres de kuikens bij het vervoer niet heeft beschermd tegen extreme hitte. Daarbij merkt de rechtbank op dat het vervoer reeds aanvangt bij het laden van de kuikens in de vrachtwagen [4] en dat – anders dan eiseres stelt – al vanaf dat moment op eiseres de verplichting rust om ervoor te zorgen dat de dieren letsel of lijden bespaard blijft. Deze verplichting omvat bovendien niet alleen de inzet van een geschikt vervoermiddel dat geen gebreken vertoont, maar ook de wijze waarop het wordt gebruikt, zoals volgt uit artikel 3, aanhef en onder c, van de Transportverordening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres als vervoerder van de kuikens dit voorschrift heeft overtreden.
6.3.
Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren [5] is verweerder in beginsel bevoegd om eiseres voor deze overtreding een boete op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval evenwel ten onrechte van die bevoegdheid gebruik gemaakt. Verweerder had in het samenstel van de bijzondere feiten en omstandigheden in deze zaak aanleiding moeten zien om van boeteoplegging af te zien. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres heeft toegelicht dat de planning van het vangen, laden en vervoer door het slachthuis wordt gemaakt en dat eiseres in opdracht van het slachthuis het geplande transport van de kuikens uitvoert. De omstandigheid dat de kuikens na het vangen langere tijd op het pluimveebedrijf hebben moeten wachten is in de eerste plaats het gevolg geweest van die planning door het slachthuis. Bij ontvangst van deze (te ruime) planning heeft eiseres ook onderkend dat dit tot problemen zou kunnen leiden en eiseres heeft gesteld dat zij voorafgaand aan het transport de NVWA hiervan op de hoogte heeft gebracht. Dit is door een medewerker van eiseres ter zitting bevestigd en door verweerder niet betwist. Ook stelt eiseres voorafgaand aan het transport contact te hebben gezocht met het slachthuis over de planning. Dit alles heeft niet tot aanpassing van de planning geleid en vervolgens zag de chauffeur van eiseres zich op de desbetreffende dag geconfronteerd met een pluimveehouder en vangploeg die de kuikens al om 15.15 uur in de vrachtwagen begonnen te laden terwijl de wagen pas om 18.30 uur op het slachthuis werd verwacht. De rit naar het slachthuis zou ongeveer 30 minuten in beslag nemen en vanwege de bijzondere beperkingen die golden door de uitbraak van vogelgriep had de chauffeur van eiseres ook niet de mogelijkheid om met de kuikens rondjes te rijden en zo te zorgen voor voldoende luchtcirculatie om ze te beschermen tegen de hitte. Wellicht had de chauffeur nog andere mogelijkheden om de kuikens lijden te besparen, bijvoorbeeld door het laden door de vangploeg tegen te houden of met een lege wagen weg te rijden, maar de rechtbank vindt daarbij relevant dat de toezichthouder van de NVWA die ter plekke aanwezig was er ook niet in slaagde om het vroege laden tegen te houden. Uit een e-mail van de desbetreffende toezichthouder (die bij het rapport van bevindingen is gevoegd) begrijpt de rechtbank dat de chauffeur van eiseres na aankomst bij de pluimveehouder aan de toezichthouder (opnieuw) heeft gemeld dat de kuikens pas uren later zouden worden geslacht en dat de toezichthouder vervolgens contact heeft gezocht met het slachthuis en gevraagd het vangen uit te stellen. De slachterij heeft hier vervolgens niet op gereageerd en ook de pluimveehouder heeft – ondanks de aanwezigheid van de toezichthouder ter plekke – geweigerd het vangen te stoppen. De chauffeur van eiseres heeft daarentegen wel gehoor gegeven aan de opdracht van de toezichthouder om het transport van de kuikens uit te stellen en de wagen in de schaduw te stallen. Ook als de chauffeur van eiseres kan worden verweten dat hij niet alle mogelijkheden heeft benut om te voorkomen dat de kuikens te lang zonder ventilatie in een stilstaande wagen moesten doorbrengen, vindt de rechtbank het gezien al het voorgaande niet redelijk om eiseres voor het feit dat de kuikens geen bescherming tegen de hitte is geboden, te beboeten.
6.4.
Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder ten onrechte een boete heeft opgelegd, behoeven de overige gronden van eiseres over matiging van de boete geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit. Dit betekent dat de boete vervalt.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 5 september 2024;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:11, eerste lid
Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Transportverordening

Artikel 3, aanhef en onder c en g
Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
c. het vervoermiddel is zodanig ontworpen en geconstrueerd, en wordt op zodanige wijze onderhouden en gebruikt dat de dieren letsel en lijden bespaard blijft en dat hun veiligheid is gegarandeerd;
g. de dieren beschikken, gelet op hun grootte en op het voorgenomen transport, over voldoende vloeroppervlak en stahoogte;
Artikel 6, derde lid
De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.
Bijlage I, Hoofdstuk II, paragraaf 1, sub 1.1 onder b
De vervoermiddelen, containers en toebehoren moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze worden onderhouden en gebruikt dat:
zij de dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden, extreme temperaturen en klimaatveranderingen;

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling houders van dieren

Artikel 4.8
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…).

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG
3.ECLI:NL:CBB:2019:151, r.o. 5.4.8 en
4.Zit volgt uit de definitie van ‘vervoer’ in artikel 2, aanhef en onder w, van de Transportverordening
5.Gelezen in samenhang met artikel 6.1, eerste lid, van de Wet dieren en artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren