Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4268

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/10/715886 / KG ZA 26-219
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opheffing conservatoir beslag en voorschotvordering in procedure tussen ex-echtelieden

Partijen, ex-echtelieden, voeren een procedure over de verdeling van onroerend goed in Marokko die bij de Hoge Raad in behandeling is. De vrouw legde conservatoir beslag op het aandeel van de man in de netto verkoopopbrengst van hun voormalige echtelijke woning ter hoogte van circa €105.000. De man vorderde opheffing of vermindering van het beslag, terwijl de vrouw een tegenvordering tot betaling van een voorschot op schade van €35.000 instelde.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het conservatoir beslag niet summierlijk ondeugdelijk is, mede omdat de cassatieprocedure bij de Hoge Raad nog loopt en alle uitkomsten openstaan. Ook is het beslag niet disproportioneel en maakt de vrouw geen misbruik van bevoegdheid. De belangenafweging valt in het voordeel van de vrouw uit, mede gelet op de woonsituatie van de man die onvoldoende is onderbouwd.

De tegenvordering van de vrouw wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het risico dat zij het voorschot niet kan terugbetalen indien zij in de bodemprocedure in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot opheffing van het conservatoir beslag en tot voorschotbetaling af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/715886 / KG ZA 26-219
Vonnis in kort geding van 13 april 2026
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. P.H. de Bruin,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. K.H. de Vries.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen zijn ex-echtelieden. Zij voeren een procedure over de verdeling van onroerend goed in Marokko, welke procedure op dit moment in behandeling is bij de Hoge Raad. De vrouw is van mening dat de hiervoor genoemde procedure in haar voordeel zal uitvallen en dat zij uit dien hoofde nog een vordering op de man heeft. Daarom heeft de vrouw conservatoir beslag gelegd op het aandeel van de man in de netto verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning van partijen. Het beslag is gelegd voor een bedrag van ongeveer € 105.000,00. De man vordert
primairopheffing van het conservatoir beslag en
subsidiairvermindering van het bedrag waarop beslag mag worden gelegd tot € 5.000,00. De vrouw voert verweer en vordert als tegenvordering dat de man wordt veroordeeld tot betaling van € 35.000,00 als voorschot op schade die de vrouw heeft gelden als gevolg van het niet-meewerken van de man aan de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning van partijen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man en de vrouw af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 6 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie (tegenvordering), met bijlagen 1 tot en met 12;
  • de pleitnota van mr. De Bruin, met bijlagen 5 tot en met 13;
  • de aanvullende bijlagen 13 tot en met 16 van de vrouw;
  • de mondelinge behandeling op 30 maart 2026.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.
De man vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
primairde vrouw te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis het door haar ten laste van de man gelegde conservatoir beslag onder Notariskantoor Vermeul, gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam (3082 LM) aan de Dorpsweg 203, volledig op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag, dan wel gedeelte daarvan, dat de vrouw in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 15.000,00,
subsidiairhet al onder de notaris gelegde beslag te reduceren tot een maximumbedrag van € 5.000,00, zodat de notaris het aan de man toekomende bedrag van € 100.000,00 kan uitkeren, en
primair en subsidiairde vrouw te veroordelen in de proceskosten in conventie.
3.2.
De vrouw voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de proceskosten in conventie. Verder vordert de vrouw als tegenvordering om de man bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een voorschot op de door de vrouw geleden schade à € 35.000,00, dan wel een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen voorschotbedrag, dit alles binnen tien dagen
na het te wijzen vonnis, met veroordeling van de man in de proceskosten in reconventie.
3.3.
De man voert verweer dat strekt tot afwijzing van de tegenvordering van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in reconventie.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het verzoekschrift tot het leggen van het conservatoir beslag in deze zaak niet wordt beoordeeld; beoordeeld wordt enkel of er een grond is om het gelegde conservatoir beslag op te heffen of het bedrag waarvoor het beslag is gelegd te verminderen. Daarvoor is, anders dan partijen lijken te menen, niet vereist dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft.
4.2.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, als (1) op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, (2) summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag of (3), als het beslag is gelegd voor een geldvordering, voor die vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv Pro). Bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag moet altijd een belangenafweging plaatsvinden.
4.3.
De man stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de vordering waarvoor het conservatoir beslag is gelegd summierlijk ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter volgt de man niet in dat standpunt. In de cassatieprocedure zijn inmiddels twee conclusies genomen door de advocaat-generaal. [1] De advocaat-generaal concludeert – kort gezegd – dat een deel van de cassatieklachten slaagt. De uitspraak van de Hoge Raad wordt eind oktober 2026 verwacht. Het is niet aan de voorzieningenrechter om nu vooruit te lopen op het nog door de Hoge Raad te geven oordeel, zeker niet aangezien de voorzieningenrechter niet over de processtukken van de (cassatie)procedure beschikt. Op dit moment is slechts relevant dat alle mogelijke uitkomsten van de cassatieprocedure nog open liggen. Gelet daarop is er op dit moment geen sprake van dat is gebleken dat de vordering waarvoor de vrouw conservatoir beslag heeft gelegd summierlijk ondeugdelijk is.
4.4.
De man stelt zich ook op het standpunt dat het gelegde conservatoir beslag disproportioneel is. Daaraan legt de man ten grondslag dat de vrouw in het voor haar meest gunstige geval, en dat is volgens de man het geval als de Hoge Raad de conclusies van de advocaat-generaal volgt, ten hoogste aanspraak kan maken op € 20.000,00. Daarmee miskent de man echter dat de Hoge Raad ook kan besluiten om de conclusies van de advocaat-generaal slechts voor een deel of zelfs helemaal niet te volgen, in welk geval de vordering van de vrouw op de man (een stuk) hoger kan uitvallen. Zoals hiervoor al is overwogen, liggen op dit moment alle mogelijke uitkomsten van de cassatieprocedure nog open. Dit betekent dat op dit moment ook niet is gebleken dat het beslag disproportioneel is.
4.5.
Verder stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw door het leggen van het conservatoir beslag misbruik van bevoegdheid maakt. Volgens de man gebruikt de vrouw het beslag als pressiemiddel om de man te frustreren in zijn mogelijkheden om een koopwoning te verwerven. De vrouw heeft dit echter weersproken en de man heeft zijn stellingen in dit verband niet verder onderbouwd. Bovendien laat het zich aanzien dat de vrouw van mening is een vordering op de man te hebben en heeft de vrouw als zekerheid voor het verhaal van die vordering conservatoir beslag gelegd. Daarmee maakt de vrouw geen misbruik van haar bevoegdheid om conservatoir beslag te leggen, maar maakt zij gebruik van de mogelijkheden die de wet biedt om het verhaal van een vermeende vordering veilig te stellen.
4.6.
Gelet op al het voorgaande bestaat op dit moment geen grond om het conservatoir beslag op te heffen of het bedrag waarvoor het beslag is gelegd te verminderen. Een belangenafweging brengt daar geen verandering in, omdat die afweging uitvalt in het voordeel van de vrouw. De man stelt weliswaar dat zijn huidige huurwoning te klein is voor hem en zijn gezin (een vrouw en een minderjarig kind van zeventien maanden), maar dat is door de vrouw betwist en door de man verder niet onderbouwd, laat staan dat is gebleken dat de man zich als gevolg van zijn woonsituatie op dit moment in een noodsituatie bevindt. Voorshands is daarnaast niet zonder meer aannemelijk dat een driekamerappartement van ongeveer 86 m², zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld, te klein is voor een stel met een jong kind, ook niet als daarbij wordt betrokken dat de man externe opslagruimte huurt voor een deel van zijn inboedel. Verder is relevant dat de man weliswaar stelt dat de huur van € 1.895,00 per maand een zware en voortdurende druk op het gezinsinkomen legt, maar dat de man niet heeft gesteld dat het gezinsinkomen ontoereikend is om de maandelijkse lasten van het gezin uit te betalen. Dat de man een woning wil kopen en dat dit voor hem fiscale voordelen oplevert, weegt mede gelet op het voorgaande niet op tegen het belang van de vrouw om het conservatoir beslag (in ieder geval voorlopig) te laten liggen als zekerheid voor haar vermeende vordering op de man.
4.7.
De conclusie is dat de primaire en subsidiaire vorderingen van de man worden afgewezen.
in reconventie
4.8.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de vrouw ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vordering in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken. In aanvulling op het voorgaande geldt dat bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding, zoals de vrouw vordert, terughoudendheid op zijn plaats is. Bovendien moet rekening worden gehouden met het risico dat de vrouw het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval dat zij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
4.9.
Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is de tegenvordering van de vrouw niet toewijsbaar. De vrouw heeft daar onvoldoende spoedeisend belang bij en bovendien is sprake van een restitutierisico.
4.10.
De vrouw stelt dat de man onvoldoende heeft meegewerkt aan de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning van partijen en dat de man daarom, gelet op een beschikking van deze rechtbank van 28 april 2022 en een beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 24 mei 2024, [2] de dientengevolge door de vrouw geleden schade van € 39.966,25 aan haar moet vergoeden. Deze gestelde schade bestaat echter uit kostenposten die betrekking hebben op de procedures uit 2022 en 2024, en op een blijkbaar aan de kopers van de voormalige echtelijke woning van partijen verschuldigde boete. Zonder nadere toelichting, die de vrouw niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat de vrouw nu voldoende spoedeisend belang heeft bij betaling van een voorschot op de gesteld door de man veroorzaakte schade. Daarbij is ook relevant dat de vrouw enerzijds stelt dat zij een spoedeisend belang bij betaling van het voorschot heeft, maar anderzijds ook stelt dat zij in plaats van toewijzing van het gevorderde voorschot akkoord is met handhaving van het huidige conservatoir beslag op het aandeel van de man in de netto verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning van partijen. Dit stellingen van de vrouw spreken elkaar tegen en doen af aan haar stelling dat zij voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde voorschot heeft.
4.11.
Bovendien volgt uit de stellingen van de vrouw dat zij het gevorderde voorschot wil gebruiken om door haar gemaakte kosten voor rechtsbijstand te betalen. Gelet daarop kan betwijfeld worden of de vrouw in staat is het gevorderde voorschot aan de man terug te betalen als in een bodemprocedure zou worden geoordeeld dat de vrouw daar toch geen of slechts gedeeltelijk recht op zou hebben. In zoverre is dus sprake van een restitutierisico, wat ook in de weg staat aan toewijzing van het gevorderde voorschot.
4.12.
Een belangenafweging maakt al het voorgaande niet anders. De vrouw heeft niets gesteld dat tot de conclusie kan leiden dat het door haar gevorderde voorschot, ondanks alles dat hiervoor is overwogen, toch moet worden toegewezen.
4.13.
De conclusie is dat de tegenvordering van de vrouw wordt afgewezen.
in conventie en in reconventie
4.14.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtelieden is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak, mede in aanmerking genomen dat alle vorderingen over en weer worden afgewezen, geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.
3349 / 3577

Voetnoten

2.De beschikking van deze rechtbank is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, maar bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/576200 / FA RK 19-5197. De beschikking van het Gerechtshof Den Haag is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHDHA:2024:1504.