Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4231

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
12085382 VV EXPL 26-64
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 7:213 BWArt. 2 huurovereenkomstArt. 6:119 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming sociale huurwoning wegens niet hebben hoofdverblijf en schending waarheidsplicht

De zaak betreft een kort geding tussen Stichting Woonplus Schiedam en een huurder die sinds januari 2024 een sociale huurwoning betrekt. Woonplus vordert ontruiming omdat de huurder zijn hoofdverblijf niet in de woning zou hebben, gebaseerd op vrijwel nihil energie- en waterverbruik.

De huurder betwist de gegevens en voert aan dat hij vanwege medische redenen tijdelijk elders verbleef en zuinig was met energie. De kantonrechter constateert echter dat het verbruik veel lager is dan het landelijk gemiddelde voor een eenpersoonshuishouden, en dat de huurder onwaarheden heeft verklaard en zijn verplichting tot het aanvoeren van de waarheid (artikel 21 Rv Pro) ernstig heeft geschonden.

Hierdoor wordt het verweer van de huurder verworpen. De kantonrechter oordeelt dat het niet hebben van het hoofdverblijf een schending is van de huurovereenkomst en goed huurderschap, wat een geldige ontruimingsgrond vormt. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen, de dwangsom en ontruimingskosten worden afgewezen, en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning wegens het niet hebben van zijn hoofdverblijf en schending van de waarheidsplicht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12085382 VV EXPL 26-64
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigden: mr. V.T. Acar en mr. M. Dibbets,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.P. Harten.
De partijen worden hierna ‘Woonplus’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 26 februari 2026, met producties;
  • twee producties van [gedaagde] ;
  • de spreekaantekeningen van Woonplus;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Op 6 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig namens Woonplus [naam 1] (regisseur leefbaarheid), [naam 2] (senior medewerker gebiedsteam) en gemachtigde mr. M. Dibbets. [gedaagde] is verschenen met gemachtigde
mr. M.P. Harten.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 16 januari 2024 de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Woonplus stelt dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet heeft in de woning en vordert daarom dat [gedaagde] de woning moet ontruimen. Zij vordert daarbij ook een dwangsom en ontruimingskosten. [gedaagde] voert verweer.
2.2.
De vordering tot ontruiming wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Woonplus heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
3.2.
Uit de stellingen van Woonplus volgt de spoedeisendheid, zodat zij ontvankelijk is in haar vorderingen.
3.3.
Woonplus baseert haar stelling dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft op het energie- en waterverbruik. Woonplus stelt dat het verbruik van [gedaagde] vanaf aanvang huurovereenkomst gedurende ongeveer 21 maanden nihil is geweest. Dit blijkt volgens Woonplus uit de maandelijkse energierapporten van Engie en het overzicht van Evides, die [gedaagde] zelf op 5 januari 2026, op verzoek van Woonplus aan haar heeft gestuurd.
3.4.
[gedaagde] betwist de verbruiksgegevens van Woonplus en stelt dat dat slechts aanwijzingen zijn. Met betrekking tot het waterverbruik voert hij aan dat hij nooit een meterstand heeft doorgegeven. De opgaaf van Evides, dat van 18 januari 2024 tot 6 oktober 2025 nul liter water is verbruikt, kan dus niet meer zijn dan een schatting. Uit de jaarafrekening van Engie over de periode van 16 januari 2025 tot 16 januari 2026 blijkt volgens [gedaagde] juist dat er wel elektriciteit en gas is verbruikt. Dat dat verbruik laag is komt doordat [gedaagde] vanaf april 2025 tot half december 2025 bij zijn opa verbleef vanwege medische klachten en daarom minder energie en water is verbruikt. Bovendien is hij zuinig met energie, aldus [gedaagde] .
3.5.
Met betrekking tot het waterverbruik heeft de kantonrechter ter zitting de veronderstelling uitgesproken dat [gedaagde] , om zijn verweer ten aanzien van het door Evides opgegeven verbruik te onderbouwen, vast een recente foto van de watermeter zou tonen. Daarop antwoorde (de advocaat van) [gedaagde] dat hij dat niet zou doen, omdat [gedaagde] “
niets hoeft te bewijzen”. [gedaagde] miskent daarmee dat hij wel voldoende gemotiveerd moet betwisten. De kale stelling dat de opgaaf van Evides niet klopt omdat [gedaagde] nooit meterstanden zou hebben doorgegeven is in het licht van de door Woonplus in het geding gebrachte schriftelijke opgaaf van Evides bijzonder mager. Temeer omdat niets makkelijker en voordehandliggender was geweest dan wel zo’n foto van de watermeter te laten zien. De kantonrechter komt hieronder onder 3.10 op dit verweer terug.
3.6.
Met betrekking tot het verbruik van elektriciteit en gas is van belang dat uit eenvoudig toegankelijke openbare bronnen blijkt dat het landelijk gemiddeld verbruik voor een eenpersoonshuishouden ligt tussen de 500 tot 1.000 m3 gas en 1.600 tot 1.800 kWh elektriciteit per jaar. Dat betekent gemiddeld 42 tot 83 m3 gas en 133 tot 150 kWh elektriciteit per maand. Deze gemiddelden zijn tijdens de zitting aan partijen voorgehouden en geen van partijen heeft de juistheid van deze gemiddelden betwist.
3.7.
Uit de door [gedaagde] in het geding gebrachte jaarafrekening blijkt dat zijn verbruik van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 (over een heel jaar dus) 46 m3 gas en 55 kWh elektriciteit was. In dit verband is van belang dat [gedaagde] tijdens de zitting zowel zelf, als bij monde van zijn advocaat, meermaals heeft verklaard dat hij een slimme meter heeft en dat het verbruik van elektra en gas dus automatisch, zonder dat daar enige handeling van [gedaagde] voor nodig is, aan de leverancier (Engie) worden doorgegeven. [gedaagde] verbruikte in een heel jaar dus nog minder elektriciteit en gas dan het gemiddelde eenpersoonshuishouden in een maand verbruikt! Zo’n laag verbruik is naar het oordeel van de kantonrechter niet te verklaren met enkel tijdelijke afwezigheid en (gestelde) zuinigheid. Dat geldt temeer omdat uit diezelfde jaarafrekening blijkt dat [gedaagde] van 1 januari 2026 tot 16 januari 2026 75m3 gas en 53 kWh elektriciteit verbruikte. In de eerste 16 dagen van januari 2026 is dus meer energie verbruikt dan in heel het jaar 2025.
3.8.
Daar komen de door [gedaagde] zelf naar Woonplus gestuurde (en, nota bene, op de meetgegevens van de slimme meter gebaseerde) maandrapporten bij. Deze betreffen de maanden februari 2025 tot en met november 2025. Op al die maandrapporten is het verbruik steeds hetzelfde: 0 kWh elektriciteit en 0 m3 gas. In dit verband is van groot belang dat [gedaagde] tijdens de zitting, wederom zowel zelf als bij monde van zijn advocaat, meermaals heeft verklaard van april tot half december 2025 bij zijn grootvader te hebben verbleven. Daarvoor en daarna woonde [gedaagde] volgens zijn eigen verklaring wel in het gehuurde. Als [gedaagde] in februari en maart 2025 echter daadwerkelijk in het gehuurde zou hebben gewoond, had het verbruik over deze maanden niet 0 kunnen zijn. Zeker niet omdat [gedaagde] ter zitting ook heeft verklaard gas te verbruiken voor douchen en koken.
3.9.
De kantonrechter heeft [gedaagde] ter zitting met al deze ongerijmdheden geconfronteerd en hem uitdrukkelijk op de verplichtingen van artikel 21 Rv Pro gewezen. [gedaagde] heeft daarop verklaard dat hij geen onwaarheid sprak en bij zijn verklaringen bleef.
3.10.
De kantonrechter komt op grond van al het voorgaande echter tot een andere conclusie. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de kantonrechter op zitting herhaaldelijk en zelfs nog na daar expliciet naar te zijn gevraagd en voor gewaarschuwd, onwaar verklaard. Daarmee heeft [gedaagde] op de grofst denkbare wijze zijn verplichting geschonden om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Rv Pro). Dat kan niet zonder gevolgen blijven. Daarbij is van belang dat in een civiele procedure de rechter in grote mate afhankelijk is van de informatie van partijen en in beginsel uitgaat van de juistheid en betrouwbaarheid van die informatie. De rechter zal in beginsel uitgaan van de betrouwbaarheid van de ter zitting afgelegde verklaringen en de authenticiteit daarvan niet controleren. Ook een partij mag in beginsel vertrouwen op de betrouwbaarheid van hetgeen de wederpartij ter zitting verklaard. Een en ander vloeit voort uit de op partijen rustende waarheidsplicht, maar ook uit de goede trouw die partijen jegens elkaar en jegens de rechter in acht dienen te nemen en in het algemeen ook plegen te nemen. Als een van partijen de waarheidsplicht op een zo ernstige wijze schendt als hier aan de orde is, is daarmee de grondslag aan het bedoelde vertrouwen komen te ontvallen. De geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de betreffende partij worden daardoor in bredere zin dan alleen ten aanzien van de onware verklaring aangetast. Nog daargelaten dat het in dat licht voor de rechter in redelijkheid niet meer mogelijk is om nog een gefundeerde beslissing te nemen over de overige onderdelen van het verweer – zo komt door deze kennelijke losse omgang met de waarheid door [gedaagde] , ook het niet in het geding brengen van een recente foto van de watermeter in een heel ander licht te staan – is de kantonrechter van oordeel dat een dergelijk processueel optreden zodanig in strijd is met het doel en de strekking van artikel 21 Rv Pro, dat enkel het geheel verwerpen van de gevoerde verweren passend is (vgl. ook ECLI:NL:GHAMS:2015:85 en ECLI:NL:HR:2021:1144, maar dan ten aanzien van de vorderingen van de artikel 21 Rv Pro schendende partij).
3.11.
Voor zover uit r.o. 3.5 tot en met 3.8 dus niet al blijkt dat het verweer van [gedaagde] inhoudelijk geen enkel hout snijdt, worden zijn verweren op grond van zijn schending van artikel 21 Rv Pro verworpen.
3.12.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf had in de woning, waartoe hij op grond van artikel 2 onder Pro 17 van de huurovereenkomst wel verplicht was. Dat het zorg element van de aanvankelijk Huur- / Zorgovereenkomst inmiddels is beëindigd doet aan die verplichting tot bewoning niets af. Zeker gezien de omstandigheid dat Woonplus als toegelaten instelling de taak heeft om sociale huurwoningen in gebruik te geven aan mensen die daarvoor in aanmerking komen en daadwerkelijk gebruik maken van de woning, betekent deze tekortkoming door [gedaagde] dat voldoende aannemelijk is dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden toegewezen (vergelijk ook Gerechtshof Amsterdam 8 september 2015,ECLI:NL:GHAMS:2015:3717). Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure daarop vooruit te lopen door [gedaagde] te veroordelen om de woning te ontruimen. De overige door Woonplus gestelde grondslagen behoeven gezien het voorgaande geen bespreking.
3.13.
Het beroep op 8 EVRM heeft [gedaagde] onderbouwd met het argument dat in deze zaak de “
klassieke ‘zware’ ontruimingsgronden (huurachterstand, structurele overlast, onderverhuur)” ontbreken. [gedaagde] miskent daarmee echter twee dingen. Ten eerste is de verplichting om in het gehuurde daadwerkelijk het hoofdverblijf te hebben in dit geval (gezien artikel 2 onder Pro 17 van de huurovereenkomst) een van de hoofdverplichtingen van de huurder. Ten tweede kan ook zonder een dergelijke contractuele bepaling het niet daadwerkelijk zelf bewonen van de (in dit geval nota bene sociale) huurwoning een schending van goed huurderschap (artikel 7:213 BW Pro) betekenen; ook een hoofdverplichting van de huurder (zie ook het hiervoor al aangehaalde arrest van het gerechtshof Amsterdam). Er is dus weldegelijk sprake van wat [gedaagde] een “zware ontruimingsgrond” noemt. Daarnaast heeft [gedaagde] in dit verband enkel aangevoerd dat tegenover het “
generiek schaarstebelang” een “
concreet woonbelang” van [gedaagde] staat. Zonder nadere toelichting – die [gedaagde] niet heeft gegeven – blijkt uit de aard van de tekortkoming in dit geval nu juist echter dat [gedaagde] niet of nauwelijks belang heeft bij het gehuurde als woning. De kantonrechter verwerpt het beroep op artikel 8 EVRM Pro dan ook.
Ontruiming
3.14.
[gedaagde] moet binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning ontruimen. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] de gebruikelijke huur van € 718,68 per maand blijven betalen.
Afwijzing dwangsom
3.15.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Woonplus kan met deze uitspraak namelijk zelf een gedwongen ontruiming laten uitvoeren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die het nodig maken dat er daarnaast een extra prikkel voor [gedaagde] moet zijn om het gehuurde te ontruimen.
Afwijzing ontruimingskosten
3.16.
Het staat nog niet vast of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn. Daarom worden er geen ontruimingskosten toegewezen.
Proceskosten
3.17.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonplus moet betalen op € 153,17 aan dagvaardingskosten, € 139,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.013,17. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.18.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. Van Woonplus kan gelet op de hierboven genoemde omstandigheden, dat vanaf aanvang huurovereenkomst geen daadwerkelijk gebruik is gemaakt van de woning, niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een eventuele procedure in hoger beroep moet afwachten. Woonplus heeft er, gelet op de lange wachtlijst, belang bij om de woning op zo kort mogelijke termijn te kunnen verhuren aan een woningzoekende die wel gebruik wenst te maken van de woning. Daar komt bij dat [gedaagde] in deze procedure duidelijk heeft gemaakt zich te laten leiden door opportunisme en zich weinig aan te trekken van algemene processuele waarborgen en voorschriften. De kantonrechter acht dan ook zeker niet uitgesloten dat [gedaagde] enkel teneinde uitstel te bewerkstelligen tot aanwending van een rechtsmiddel over zal gaan. Ook om te voorkomen dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis door oneigenlijk gebruik van rechtsmiddelen gefrustreerd kan worden en de woning nog langer onbeschikbaar blijft voor diegenen die hem wel hard nodig hebben, is uitvoerbaar bij voorraad verklaring daarom noodzakelijk.
Advocaat
3.19.
Ten slotte heeft het de kantonrechter verbaasd hoe makkelijk de door [gedaagde] in deze zaak geuite onwaarheden door zijn advocaat zijn herhaald en onderschreven. Dat klemt temeer nu de onwaarheid van de stelling dat [gedaagde] het gehuurde voor december 2025 wel zelf daadwerkelijk heeft bewoond, op grond van de door [gedaagde] zelf voorgebrachte stukken (de maandrapportages en jaarafrekening) zo in het oog springend is, dat dit voor elke redelijk bekwame en redelijk handelende beoefenaar van het rechtsbedrijf, meteen duidelijk moet zijn. Voor zover een advocaat al niet gehouden is om het ter zitting presenteren van dergelijke overduidelijke onwaarheden te beletten, had de advocaat, als dominus litis, zijn cliënt voor deze ernstige procedurele misstap horen te behoeden. Op zijn allerminst had het op de weg van de advocaat gelegen deze onwaarheden niet zelf actief en bij herhaling ter zitting als waarheid te poneren.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te [postcode] [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonplus te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 maart 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Woonplus te betalen € 718,68 per maand met de verhoging die is toegestaan;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 1.013,17 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken.
48436