Uitspraak
- [slachtoffer 1] , bijgestaan door advocaat mr. T.S.G. Joemman;
- [slachtoffer 2] , bijgestaan door advocaat mr. M.S.L. Leeflang;
- [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , allen bijgestaan door advocaat mr. P.R. Hogerbrugge.
1.Tenlastelegging
2.Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Kopschoppers-zaak(ECLI:NL:HR:2015:3024, r.o. 4.3.2). In deze gevallen is het niet nodig om (ook) te toetsen aan de beginselen van een behoorlijke procesorde of aan de hand van de factoren uit artikel 359a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
3.Bewijs
modus operandi, in grote mate overeenkomt. De politie onderzoekt vervolgens of er meer meldingen zijn gedaan die passen bij het signalement en de
modus operandivan de nog onbekende verdachte. De politie vindt twee soortgelijke meldingen van aanranding in de politiesystemen, die op 20 september 2024 en 10 november 2024 zouden hebben plaatsgevonden in het centrum van Rotterdam
.De politie ontdekt nog een melding van aanranding op 10 november 2024 in de politiesystemen, die zo’n drie kwartier vóór de andere melding op die dag zou hebben plaatsgevonden met opnieuw een vergelijkbaar signalement en
modus operandi.In het onderzoek naar deze melding zijn camerabeelden aangetroffen waarop de onbekende verdachte te zien is. Deze beelden zijn op 9 januari 2025 in een nieuwsbericht verspreid ter herkenning van de onbekende verdachte. Op 10 januari 2025 volgt een nieuwe melding van een aanranding die op 4 januari 2025 in het centrum van Rotterdam zou hebben plaatsgevonden.
modus operandiaansluiten bij die van de eerdere meldingen. De verspreiding van de beelden heeft daarnaast een anonieme herkenning en een anonieme tip opgeleverd. De man op de beelden zou [voornaam verdachte] worden genoemd en woonachtig zijn in Rotterdam Ommoord. De anonieme tipgever herkent de man als medewerker van een [naam garage] aan de [straatnaam] in Rotterdam. Uit onderzoek blijkt van een politieregistratie over deze garage waaraan de naam [verdachte] is gekoppeld. De verbalisant die de tip onderzoekt, vindt een foto van deze man in de politiesystemen, vergelijkt deze met een still van de beelden uit het nieuwsbericht en herkent de man op de camerabeelden vervolgens als [verdachte] (hierna: de verdachte). De eigenaar van de [naam garage] verklaart op 12 januari 2025 dat de verdachte tot anderhalve week daarvoor in zijn zaak heeft gewerkt. Een vriend van de verdachte verklaart hem op de beelden in het nieuwsbericht te herkennen. Iedereen in de buurt zou hem kennen en afstand van hem hebben genomen. Ook een andere aanwezige in de [naam garage] verklaart dat de verdachte daar werkte. Zijn broer zag hem een dag eerder op de fiets aan de Crooswijkseweg. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte mogelijk in Spanje verblijft. De verdachte heeft eerder verklaard gebruik te maken van telefoonnummer [gsm-nummer] . Via een daaraan gekoppeld Snapchat- en Gmail account komt de politie uit bij twee IMEI-nummers, waarvan de IP-adressen eerst in België en later in Spanje uitstraalden. Op 14 april 2025 is de verdachte naar aanleiding van een Europees aanhoudingsbevel in Spanje aangehouden. De onderzochte IMEI-nummers en het telefoonnummer blijken te zijn gekoppeld aan het toestel dat bij de verdachte is aangetroffen.
modus operandivrijwel steeds een man op een fiets die vrouwen achtervolgt en van achteren benadert op een openbare plek in Rotterdam, waarna hij in de meeste gevallen hun billen aanraakt, daarin knijpt of duwt. Opvallend is daarnaast dat de man na afloop vaak ‘sorry, sorry’ zegt en weer wegfietst. Ook het door de aangeefsters beschreven signalement komt in grote mate overeen. Zij beschrijven steeds een licht getinte of – meer concreet – Turkse, Marokkaanse, Armeense, Noord-Afrikaanse of Arabische man. Dit signalement komt overeen met het signalement van de verdachte. De aanrandingen vonden meestal in de vroege ochtend of tijdens de nachtelijke uren plaats en duurden niet lang. Tot slot vonden alle incidenten plaats in het centrum van Rotterdam of in het Kralingse bos.
inde broek niet bij de werkwijze van de verdachte, die zich kenmerkt door het onverhoeds maar zonder dusdanig geweld van achteren benaderen van vrouwen en het aanraken boven de kleding. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van opzetaanranding van [slachtoffer 3] .
modus operandi, veelgebruikte bewoordingen na afloop, signalementen en overige omstandigheden in de verschillende zaken. De aangiftes van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] vertonen daarmee grote overeenkomsten, zoals het achtervolgen, van achteren benaderen, de billen aanraken, het signalement van de getinte/Arabische man op een fiets in het centrum van Rotterdam en – in het geval van [slachtoffer 6] – de kenmerkende ‘sorry, sorry’ na afloop. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overeenkomsten zo specifiek voor het gedrag van de verdachte, dat gesproken kan worden van een patroon in zijn gedrag. De bewijsmiddelen die voor de bewezen feiten zijn gebruikt mogen daarom ook worden gebruikt ter ondersteuning van de aangiftes van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] . In het bijzonder zijn daarvoor ondersteunend de herkenningen naar aanleiding van de veiliggestelde camerabeelden in de zaken [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] alsook de aangiftes waarin zij een vergelijkbaar signalement en
modus operandibeschrijven.
opzettelijkde ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt.
gekwalificeerdeopzetaanranding door toepassing van dwang. Gekwalificeerde opzetaanranding is de strafverzwarende variant van opzetaanranding, strafbaar gesteld in het tweede lid van artikel 241 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr). Het Openbaar Ministerie beschouwt het onverhoeds handelen van de verdachte als dwang.
modus operandivan de verdachte bestond uit het onverhoeds van achteren benaderen van willekeurige vrouwen op straat. Verdachte heeft met deze aanpak de nietsvermoedende vrouwen compleet overrompeld, waardoor zij geen mogelijkheid hadden zich aan zijn seksuele handelingen te onttrekken. Na afloop scholden veel vrouwen hem uit, renden achter hem aan of zij probeerden zich alsnog aan de situatie te onttrekken door weg te rennen of fietsen. Een aantal van hen beschrijft de boosheid en/of angst die zij na afloop voelden. Daarmee is ten aanzien van alle onder 1 bewezenverklaarde feiten sprake van gekwalificeerde opzetaanranding.
een andere feitelijkheidgedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De andere feitelijkheid heeft bestaan uit het onverhoeds van achteren benaderen van aangeefster en het bij de arm vastpakken, waardoor haar de mogelijkheid werd ontnomen zich aan de daaropvolgende ontuchtige handelingen te kunnen onttrekken. De ontuchtige handelingen bestonden uit het aanraken van haar billen en kruis, het knijpen in haar billen en het grijpen in haar kruis. De feitelijke aanranding van de eerbaarheid van aangeefster [slachtoffer 1] onder feit 2 is dan ook bewezen.
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.Straf en maatregel
6.Vordering van de benadeelde partijen
- [slachtoffer 1] :het eigen risico gedeeltelijk toewijsbaar is, omdat de behandelingen gedeeltelijk zijn ondergaan vanwege het strafbare feit. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk voor wat betreft de gevorderde toekomstige schade;
- [slachtoffer 3] :de kosten voor de parkeervergunning toewijsbaar zijn, omdat de schade goed is onderbouwd en een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit;
- [slachtoffer 5] :de reiskosten gedeeltelijk toewijsbaar zijn, omdat deze zijn gemaakt voor behandelingen die gedeeltelijk zijn ondergaan vanwege het strafbare feit. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De kosten ter vervanging van de broek zijn toewijsbaar, omdat voorstelbaar is dat de benadeelde partij deze niet meer wil dragen. De rechtbank wordt verzocht bij het begroten van de schade gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid;
- [slachtoffer 8]: het eigen risico gedeeltelijk toewijsbaar is, omdat de behandelingen gedeeltelijk zijn ondergaan vanwege het strafbare feit. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank;
- [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]: de materiële schade niet is onderbouwd. Hierdoor zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk voor dit deel van de vorderingen.
- [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]: de vorderingen niet zijn onderbouwd;
- [slachtoffer 1],
[slachtoffer 3],
[slachtoffer 5]en
[slachtoffer 8]: de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.
[slachtoffer 3]op het meer subsidiaire standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen tot € 337,50 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is.
- [slachtoffer 1] : 11 mei 2024
- [slachtoffer 4] : 30 oktober 2024
- [slachtoffer 5] : 10 november 2024
- [slachtoffer 6] : 25 november 2024
- [slachtoffer 7] : 29 december 2024
- [slachtoffer 2] : 29 december 2024
- [slachtoffer 8] : 4 januari 2025
7.Wettelijke voorschriften
8.Beslissingen
gevangenisstraf van 22 (tweeëntwintig) maanden;
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 (twee) jaar, inhoudende dat de verdachte zich niet bevindt in de gemeente Rotterdam;
vervangende hechteniswordt toegepast voor de duur van
2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de staat
€ 1.500,=te betalen, en de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] aan de staat
€ 1.500,=te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] aan de staat
€ 1.500,=te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6] aan de staat
€ 1.500,=te betalen, en de wettelijke rente vanaf 25 november 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 7] aan de staat
€ 1.500,=te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] aan de staat
€ 1.500,=te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 8] aan de staat
€ 1.500,=te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;