ECLI:NL:RBROT:2026:391

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/3989 V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet vastgestelde dwangsom in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026 uitspraak gedaan op het verzet van [persoon A] tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2025. Het verzet richtte zich tegen het niet vaststellen van de op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschuldigde dwangsom door de Dienst Toeslagen. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling van [persoon A] niet prematuur was, omdat deze op 16 januari 2024 door de Dienst Toeslagen had moeten worden ontvangen. De rechtbank baseerde haar oordeel op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd geoordeeld dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, door het bestuursorgaan als geldig kan worden beschouwd. De rechtbank concludeerde dat het beroep wegens niet tijdig beslissen terecht was ingesteld en dat de Dienst Toeslagen een bestuurlijke dwangsom van € 1.442 had verbeurd. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond en vernietigde de eerdere uitspraak, waarbij de Dienst Toeslagen werd veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht en proceskosten aan [persoon A].

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3989 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026

op het verzet van

[persoon A] , uit Rotterdam,

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2025 (de uitspraak) in het geding tussen
[persoon A]
en

Dienst Toeslagen

en

uitspraak in de zaak tussen

[persoon A]

en

Dienst Toeslagen

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van [persoon A] gaat over de uitspraak van de rechtbank waarin de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen een besluit van 27 april 2022 die ziet op de afwijzing van een eerste toets niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Omdat het verzet gegrond is, doet de rechtbank voorts opnieuw uitspraak op het beroep wegens niet tijdig beslissen van [persoon A] . Omdat niet om een zitting is verzocht en een zitting niet nodig is, wordt die einduitspraak vereenvoudigd afgedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

3. In de uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat [persoon A] geen procesbelang meer heeft bij haar beroep wegens niet tijdig beslissen omdat inmiddels op 26 maart 2024 door de Dienst Toeslagen een besluit op bezwaar is genomen (waarbij [persoon A] het bedrag van
€ 30.000 is toegekend). Overwogen is verder dat [persoon A] geen aanspraak maakt op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb omdat zij de Dienst Toeslagen prematuur in gebreke heeft gesteld. Omdat de Dienst Toeslagen wisselende standpunten heeft ingenomen en het derde verweerschrift pas kwam nadat [persoon A] schriftelijk had geregeerd heeft de rechtbank bepaald dat de Dienst Toeslagen het griffierecht aan [persoon A] dient te vergoeden.
4. In het verzet heeft [persoon A] aangevoerd dat de ingebrekestelling van 15 januari 2024 niet eerder dan 16 januari 2024 door de Dienst Toeslagen kan zijn ontvangen en dat [persoon A] bovendien op 18 januari 2024 opnieuw een ingebrekestelling aan de Dienst Toeslagen heeft gezonden, die ook is ontvangen. [persoon A] heeft bij haar verzetschrift stukken bijgevoegd om dit te onderbouwen.
5. De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Er is niet van rechtswege een beroep ontstaan tegen het besluit van 26 maart 2024, omdat dit besluit geheel tegemoet komt aan het beroep (artikel 6:20, derde lid, van de Awb). Het verzet richt zich tegen het niet door de rechter vaststellen van de op grond van artikel 4:17 van de Awb verschuldigde dwangsom.
7. Niet in geschil tussen partijen is dat de Dienst Toeslagen tot 16 januari 2024 had om tijdig te beslissen op het bezwaar. Bij de vraag of een ingebrekestelling te vroeg is ingediend, is de ontvangst ervan en niet de verzending ervan maatgevend (ECLI:NL:RVS:2013:BY9944). Voor zover de Dienst Toeslagen stelt dat hij de ingebrekestelling heeft ontvangen op 15 januari 2024, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 22 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:724) onder verwijzing naar paragraaf 1.1 van de Circulaire Wet dwangsom en beroep geoordeeld dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, door het bestuursorgaan wel als geldig kan worden beschouwd en dat een ingebrekestelling, die op de laatste dag van de beslistermijn door de naamvoorganger van de Dienst Toeslagen is ontvangen, en daarmee een dag te vroeg is ingediend door de dienst ten onrechte als prematuur is beschouwd. De tweede ingebrekestelling van 18 januari 2024 was in zoverre niet noodzakelijk.
8. De rechtbank ziet aanleiding ook bij de toepassing van artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb tot eenzelfde oordeel te komen. Het beroep wegens niet tijdig is beslissen is op 5 februari 2024 ontvangen door de Rechtbank Den Haag. Omdat tenminste twee weken is gewacht met instellen van het beroep wegens niet tijdig beslissen te rekenen vanaf 16 januari 2024 is het rechtsmiddel niet prematuur. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook indien zou worden uitgegaan van de ingebrekestelling van 18 januari 2024 het beroep niet prematuur is.
9. Omdat voor de toepassing van artikel 8:55c van de Awb, op grond waarvan de bestuursrechter zelf de verschuldigde dwangsom kan vaststellen, een gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen noodzakelijk is, heeft [persoon A] een belang gehouden bij de toepassing van artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb ondanks dat inmiddels op het bezwaar is beslist (ECLI:NL:RVS:2017:701 en ECLI:NL:CRVB:2019:2430).
9. Indien de zaak niet vereenvoudigd was afgedaan, maar [persoon A] ter zitting zou zijn gehoord, dan had zij mede aan de hand van de in verzet door haar ingediende stukken (nogmaals) kunnen aanvoeren dat geen sprake is geweest van een premature ingebrekestelling. Gelet hierop en op het voorgaande is het verzet gegrond en kan de uitspraak niet in stand blijven.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

10. Gelet op wat in verzet is geoordeeld is het beroep wegens niet tijdig beslissen terecht ingesteld, terwijl de rechtbank is verzocht zelf de verschuldigde dwangsom vast te stellen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar gegrond en vernietigt dat besluit.
11. De Dienst Toeslagen heeft gelet op de eerste drie leden van artikel 4:17 van de Awb de volledige dwangsom van € 1.442 verbeurd. De rechtbank stelt daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb vast dat de Dienst Toeslagen dit bedrag aan dwangsommen heeft verbeurd.

Conclusie en gevolgen

12. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak is komen te vervallen. De rechtbank doet opnieuw uitspraak zonder zitting en verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. De rechtbank stelt verder vast dat de Dienst Toeslagen een bestuurlijke dwangsom van € 1.442 heeft verbeurd.
13. Omdat de uitspraak met de verzetuitspraak is komen te vervallen, zal de rechtbank opnieuw vaststellen dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht aan [persoon A] dient te vergoeden.
14. Omdat de gemachtigde van [persoon A] weliswaar geen jurist is, maar wel vaker als gemachtigde optreedt, ziet de rechtbank aanleiding om in overeenstemming met de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – met de daarin per 1 januari 2025 vermelde bedragen – een proceskostenvergoeding vast te stellen. Voor het indienen van een beroepschrift wordt 1 procespunt toegekend en voor het indienen van een verzetschrift 0,5 punt. Per procespunt geldt een waarde van € 934. Omdat het gaat om een beroep niet tijdig beslissen geldt een wegingsfactor van 0,5 voor zowel het indienen van het beroepschrift als voor het indienen van een verzetschrift. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen tot een proceskostenvergoeding van € 700,50 wordt veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond,
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar
- stelt de hoogte van de door de Dienst Toeslagen aan [persoon A] verschuldigde dwangsom vast op € 1.442;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51 aan [persoon A] moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van [persoon A] tot een bedrag van € 700,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Tegen de einduitspraak staat binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden verzet open. De partij die verzet aantekent kan daarbij verzoeken om te worden gehoord.