Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, het college
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Verder heeft hij toen verklaard dat hij pas na de melding voor een bijstandsuitkering op
23 januari 2025 voor het eerst contact heeft gehad met een medewerker van verweerder. Zijn stelling ter zitting dat hij zijn melding niet digitaal kon indienen omdat de website van verweerder dat niet toestond zonder inschrijving de BRP, heeft eiser ook niet nader onderbouwd terwijl verweerder die stelling heeft betwist. Gelet hierop en op zijn eerdere verklaring dat hij op 3 januari 2025 alleen een afspraak heeft gemaakt voor een inschrijving in de BRP, gaat de rechtbank verder voorbij aan deze stelling van eiser. Omdat eiser op 3 januari 2025 kennelijk wel in staat was om een afspraak te maken voor inschrijving in de BRP, had hij zich op dat moment ook kunnen melden voor een bijstandsuitkering. Hij heeft daar, zo heeft hij in bezwaar zelf verklaard, vanaf gezien omdat hij er, ten onrechte, zelf van uit ging dat hij eerst in de BRP ingeschreven moest staan. Bijzondere persoonlijke omstandigheden waarom hij op dat moment niet in staat was om een melding voor een bijstandsuitkering te doen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Dat eiser door de ingangsdatum van de bijstandsuitkering twee weken uitkering ‘mist’, komt doordat hij zich niet op 3 januari maar op 23 januari 2025 voor een bijstandsuitkering heeft gemeld. Verweerder is hem onverplicht tegemoet gekomen door uit coulance als ingangsdatum de datum van inschrijving in de BRP aan te houden. Verweerder kan op grond van de Pw in dit geval niet worden verplicht een nog eerdere ingangsdatum te hanteren.