ECLI:NL:RBROT:2026:2550

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/6087
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op eerdere ingangsdatum bijstandsuitkering Participatiewet

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet met een gewenste ingangsdatum van 1 augustus 2024. Het college heeft de uitkering toegekend per 17 januari 2025, de datum waarop eiser zich inschreef in de Basisregistratie Personen (BRP) van Nissewaard.

Eiser betoogt dat hij zich op 3 januari 2025 feitelijk heeft gemeld voor bijstand en dat deze datum leidend moet zijn voor de ingangsdatum. Hij stelt dat hem is meegedeeld dat een aanvraag pas na inschrijving in de gemeente kon worden ingediend en voert bijzondere persoonlijke omstandigheden aan, zoals zijn woonsituatie, psychische gesteldheid en overgang tussen gemeenten.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij zich op 3 januari 2025 daadwerkelijk heeft gemeld en dat hij geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. De stelling dat hij zich niet eerder kon melden vanwege inschrijving in de BRP wordt niet ondersteund door bewijs en is tegenstrijdig met eerdere verklaringen. Het college heeft uit coulance een eerdere ingangsdatum gehanteerd dan de datum van melding op 23 januari 2025.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen gelijk en geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 18 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en de uitkering blijft toegekend per 17 januari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6087

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Berkouwer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, het college

(gemachtigde: mr. L. Daniëlse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiser toegekende bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet met die datum eens en voert daarvoor een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ingangsdatum van de toegekende bijstandsuitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering terecht per 17 januari 2025 heeft toegekend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 3 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van
14 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 23 januari 2025 bij het college een aanvraag om een uitkering op grond van de Pw ingediend. Hij heeft daarbij 1 augustus 2024 als gewenste ingangsdatum genoemd.
3.1.
Het college heeft uit coulance de bijstandsuitkering per 17 januari 2025 toegekend, omdat eiser zich op die datum heeft laten inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) van Nissewaard.
Het standpunt van eiser
4. Eiser betoogt - kort weergegeven - dat hij per 3 januari 2025 aanspraak heeft op een bijstandsuitkering. Op die datum heeft eiser zich feitelijk gemeld voor een bijstandsuitkering. Eiser stelt dat hem is meegedeeld dat hij geen aanvraag om een bijstandsuitkering kon indienen voordat hij zich in de gemeente had ingeschreven. Volgens eiser is de datum van zijn melding leidend voor de toekenning van een bijstandsuitkering en niet de datum van de aanvraag. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum dan 17 januari 2025 rechtvaardigen, gelet op zijn individuele omstandigheden zoals zijn woonsituatie ten tijde van de aanvraag en daarvoor, zijn psychische gesteldheid en een overgangssituatie tussen twee gemeenten. Eiser betoogt dat hem niet kan worden verweten dat hij pas op 17 januari 2025 een afspraak heeft kunnen krijgen om zich in te schrijven bij de gemeente. Tot slot betoogt eiser dat het niet krijgen van een bijstandsuitkering voor de periode van 3 januari 2025 tot en met 17 januari 2025 voor hem een enorm bedrag is. Eiser heeft sinds augustus 2024 geen inkomen meer ontvangen. Eiser heeft hierdoor te kampen met toenemende schulden.
Het oordeel van de rechtbank
5. In artikel 44, eerste lid, van de Pw is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen [2] .
6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijstandsuitkering per 3 januari 2025 wordt toegekend. Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van eiser om zich tijdig bij het college te melden. De stelling van eiser dat hij zich op 3 januari 2025 heeft gemeld maar dat hij geen aanvraag kon doen omdat hij zich volgens de gemeente eerst moest inschrijven, heeft hij niet nader onderbouwd met stukken waaruit zou blijken dat hij zich op die datum heeft gemeld. Zijn stelling is bovendien in tegenspraak met zijn verklaring tijdens de hoorzitting in bezwaar. Daar heeft hij verklaard dat hij op 3 januari 2025 langs digitale weg een afspraak heeft gemaakt voor inschrijving in de BRP omdat hij op grond van ervaringen in andere gemeenten dacht dat hij pas na inschrijving een bijstandsuitkering kon aanvragen.
Verder heeft hij toen verklaard dat hij pas na de melding voor een bijstandsuitkering op
23 januari 2025 voor het eerst contact heeft gehad met een medewerker van verweerder. Zijn stelling ter zitting dat hij zijn melding niet digitaal kon indienen omdat de website van verweerder dat niet toestond zonder inschrijving de BRP, heeft eiser ook niet nader onderbouwd terwijl verweerder die stelling heeft betwist. Gelet hierop en op zijn eerdere verklaring dat hij op 3 januari 2025 alleen een afspraak heeft gemaakt voor een inschrijving in de BRP, gaat de rechtbank verder voorbij aan deze stelling van eiser. Omdat eiser op 3 januari 2025 kennelijk wel in staat was om een afspraak te maken voor inschrijving in de BRP, had hij zich op dat moment ook kunnen melden voor een bijstandsuitkering. Hij heeft daar, zo heeft hij in bezwaar zelf verklaard, vanaf gezien omdat hij er, ten onrechte, zelf van uit ging dat hij eerst in de BRP ingeschreven moest staan. Bijzondere persoonlijke omstandigheden waarom hij op dat moment niet in staat was om een melding voor een bijstandsuitkering te doen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Dat eiser door de ingangsdatum van de bijstandsuitkering twee weken uitkering ‘mist’, komt doordat hij zich niet op 3 januari maar op 23 januari 2025 voor een bijstandsuitkering heeft gemeld. Verweerder is hem onverplicht tegemoet gekomen door uit coulance als ingangsdatum de datum van inschrijving in de BRP aan te houden. Verweerder kan op grond van de Pw in dit geval niet worden verplicht een nog eerdere ingangsdatum te hanteren.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:416.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:159.