Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
[gedaagde 4],
[gedaagde 5],
6.
[gedaagde 6],
[gedaagde 7],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
Behoudens na te noemen voorbehoud wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg van en naar de [straat] – voor agrarische doeleinden ten behoeve van percelen V[ [3] ] en VI[ [4] ] en ten laste van perceel IV[ [5] ] over een op het kadastrale perceel [perceelnummer 8] aan te leggen dam, van welke dam de kosten van aanleg en onderhoud voor rekening komen van de eigenaren van de percelen, die hiervan gebruik maken. De kosten van deze dam zullen door de koper van perceel IV, die voor de aanleg van de dam moet zorgen, worden voorgeschoten en met zijn mede-gebruikers worden verrekend.
Voorts werd eenzelfde erfdienstbaarheid gevestigd – evenwel voor particuliere doeleinden – ten behoeve van perceel IV en ten laste van perceel I.
OMSCHRIJVING ERFDIENSTBAARHEDEN, (…)
4.Het geschil
€ 250,00 per keer, tot een maximum van € 50 .000,00 dat dit gebod wordt overtreden;
namens [gedaagde 3+4] :
€ 5.000,00 per dag medewerking te verlenen aan de kadastrale grenscorrectie conform hiervoor sub i. omschreven;
5.De beoordeling
Deze erfdienstbaarheid wordt niet gevestigd indien de heersende erven worden aangekocht door eigenaren van aangrenzende percelen, in welk geval deze erfdienstbaarheid slechts zal bestaan voor particuliere doeleinden ten behoeve van het op perceel II staande woonhuis.”
[gedaagde 3+4] betwisten dat en stellen dat ten gunste van hun percelen wel erfdienstbaarheden bestaan, hetzij door vestiging, hetzij door verjaring tot stand gekomen.
Voor de uitleg van de erfdienstbaarheden in de aktes, is verder de daaruit af te leiden gang van zaken met betrekking tot de diverse betrokken en in de aktes genoemde percelen van belang. Relevant is dat de percelen van [eisers] en alle buren oorspronkelijk in handen waren van één familie en dat wonen en de uitoefening van een landbouwbedrijf samengingen. Toen het perceel werd gesplitst, moest er een voorziening komen om het perceel dat ingesloten raakte aan te sluiten op de openbare weg. Daarvoor werden in 1970 erfdienstbaarheden gevestigd voor gebruik van de weg (zie 3.6). De weg is enkele jaren later verlegd naar de locatie zoals ingetekend op het kaartje bij de akte uit 1978 (zie 3.7). De loop van de weg op dat kaartje is nog steeds actueel. Het kaartje vormt dan ook een belangrijke basis voor de uitleg van de aktes. Zichtbaar is een handgetekende weg, zonder exacte maatvoering.
De zuidelijke sliert/strook van het perceel omvat niet meer dan de weg met berm. De weg loopt vanaf de [straat] tussen de percelen van [gedaagde 6+7] . en [gedaagde 1+2] door, dan om het woonperceel van [eisers] heen richting en over de percelen van [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] . Gelet op deze vaststellingen is een redelijke interpretatie van de akte met bijbehorend kaartje dat het sliertvormige deel van het perceel van [eisers] niet meer is dan omkadering van het eerste deel van de weg. Er is redelijkerwijs geen sprake van een tuin of andere directe betrokkenheid bij het woonperceel anders dan als toegangsweg.
In combinatie met het ontbreken van maatvoering op het kaartje bij de akte en/of in de akte zelf, rechtvaardigt dit de conclusie dat het hele hiervoor beschreven sliertvormige deel door [gedaagde 3+4] en [gedaagde 5] op de minst bezwaarlijke wijze mag worden gebruikt voor de uitoefening van de erfdienstbaarheden ten gunste van hun percelen.
Ook voor het vervolg van de weg geldt dat het perceelsgedeelte waarvan gebruik mag worden gemaakt, zich niet beperkt tot het verharde deel van de weg.
Verder past die uitleg bij de vaststelling dat de weg (het sliertvormige deel en het vervolg) voor agrarische doeleinden gebruikt mag worden zonder beperkingen. Binnen die vaststelling moeten [eisers] als eigenaren van het dienende erf aanvaarden dat de ontwikkeling in de tijd groter materieel met zich meebrengt dat de breedte van het verharde deel van de weg overschrijdt, waarbij de berm als zwenk- en draairuimte wordt gebruikt. [eisers] stellen dan ook ten onrechte dat de erfdienstbaarheid niet meer omvat dan het verharde deel van het de weg met daaraan gerelateerde breedtematen.
De vorderingen op deze onderdelen jegens [gedaagde 1+2] delen het lot van die afwijzing en behoeven geen verdere afzonderlijke beoordeling.
[eisers] menen enerzijds dat [gedaagde 3+4] hooguit een recht van noodweg hebben en geen erfdienstbaarheid en beroepen zich anderzijds op een bepaling over kostenverdeling in de akte van vestiging van erfdienstbaarheid. Dat is onnavolgbaar, aldus [gedaagde 3+4] Naar de letter van de akte van 1 mei 1992 zijn de kosten voor [eisers] en voor zover sprake is van verkrijging van een erfdienstbaarheid door verjaring geldt dat sinds 1992 nooit structurele bijdragen zijn gedaan en dat niet is deelgenomen aan overleggen hierover omdat zij meenden dat de bepalingen uit de akte van 1992 golden. Dat de rechtsvoorgangers [eisers] op eigen kosten het pad hebben onderhouden, ondersteunt die gedachte, aldus [gedaagde 3+4]
slechts een fractie van alles wat er gebeurd is”. In dit licht bezien zijn [eisers] met de zeer summiere onderbouwing van hun vorderingen jegens [gedaagde 6+7] . in de dagvaarding tekortgeschoten in hun procesrechtelijke verplichtingen ten aanzien van hun stellingen en beschrijving van de bekende verweren. In de dagvaarding volstaan [eisers] met de blote stelling dat de paardenbak gedeeltelijk op hun perceel staat, dat [gedaagde 6] water loost op de weg van [eisers] en dat in de gezamenlijke overlegmomenten geen oplossing is gevonden. Dat is in het licht van de hiervoor beschreven maatstaf onvoldoende.
De omstandigheid dat [eisers] hun vorderingen niet hebben toegespitst op [gedaagde 6] als eigenaar van het perceel waarop de paardenbak is gelegen en op [gedaagde 7] als opstalgerechtigde tot de paardenbak onderschrijft de gebrekkigheid, maar behoeft gezien het oordeel onder 5.31-5.38 en de beslissingen verder geen afzonderlijke bespreking.
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
De bolcamera heeft een vaste lenspositie gericht op de oprijlaan van [eisers] De positie kan niet automatisch of op afstand worden aangepast. [eisers] hebben aangeboden om de cameraspecificaties waaruit dat zou blijken op zitting te tonen. Beelden worden bovendien slechts acht dagen bewaard. [eisers] beroepen zich voor zover nodig op het belang van bescherming van hun eigendommen en woon- en leefomgeving.
Subsidiair beroepen zij zich op een afspraak met [eisers]
De rechtsvoorgangers van [eisers] en [gedaagde 6+7] . hebben naar aanleiding van onzekerheid over de precieze loop van de erfgrens met elkaar afgesproken welke feitelijke grens zij als erfgrens beschouwden en daarnaar gehandeld. Gelet op deze afspraak kan uit de plaatsing van het hek niet worden afgeleid dat de rechtsvoorganger van [gedaagde 6] als bezitter is gaan optreden. De verklaringen over wat de afspraak inhield geven geen uitsluitsel over de eigendomspositie, over een eventuele intentie van eigendomsovergang en/of een eventuele beperking van de tijdsduur waarvoor de afspraak zou gelden. Al met al is er niet meer dan een afspraak tussen de rechtsvoorgangers van [gedaagde 6] , zonder betekenis voor de bezitsvraag.
€ 107,00
€ 107,00