In deze civiele zaak tussen buren staat centraal of het gebruik van een beveiligingscamera door geïntimeerden een onrechtmatige inbreuk vormt op de privacy van appellanten. Appellanten wonen sinds 2002 naast geïntimeerden, die in 2009 vier beveiligingscamera's plaatsten, waarvan één camera gericht is op het pad met erfdienstbaarheid ten gunste van appellanten.
Appellanten vorderden verwijdering van deze camera omdat zij zich voortdurend gefilmd voelen op het pad naar hun woning, wat hun woonplezier aantast. Geïntimeerden stelden dat de camera noodzakelijk is voor hun veiligheid, mede vanwege de rolstoelgebondenheid van de heer geïntimeerde1, en dat de camera ook zicht biedt op hun brievenbus.
Het hof overweegt dat de camera alleen het perceel van geïntimeerden filmt, niet de woning van appellanten, en dat het pad zichtbaar is vanuit ramen van geïntimeerden. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat de inbreuk op de privacy beperkt en proportioneel is, mede omdat de camera een beveiligingsbelang dient dat niet op minder ingrijpende wijze kan worden gewaarborgd.
Daarom worden de grieven van appellanten verworpen en het vonnis van de rechtbank Overijssel bekrachtigd, met veroordeling van appellanten in de proceskosten van het hoger beroep.