ECLI:NL:RBROT:2026:2341

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/10/687850 / HA ZA 24-901
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AwgbArt. 7 AwgbArt. 1 GrondwetArt. 6:96 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt over discriminatie door fiscaal advieskantoor wegens politieke overtuiging

Een particulier, aanhanger van het libertarisme, klaagde Deloitte Tax & Legal aan wegens weigering als klant vanwege zijn politieke overtuiging. De rechtbank oordeelde dat het libertarisme een politieke gezindheid is en dat Deloitte verboden onderscheid maakte door de cliënt te weigeren op die grond.

De rechtbank stelde vast dat Deloitte onrechtmatig handelde door de weigering en veroordeelde Deloitte tot vergoeding van een deel van de advocaatkosten, met name die voor de procedure bij het College voor de Rechten van de Mens (CRM). Kosten voor tuchtprocedures en overige advocaatkosten werden afgewezen wegens onvoldoende verband en redelijkheid.

De immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat onvoldoende concrete aantasting van de persoon was aangetoond. Deloitte Support Center werd vrijgesteld van aansprakelijkheid. De rechtbank wees ook de overige vorderingen af en veroordeelde Deloitte in de proceskosten.

De uitspraak bevestigt het discriminatieverbod op grond van politieke gezindheid en benadrukt de toepassing van de dubbele redelijkheidstoets bij vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Deloitte Tax & Legal is aansprakelijk voor discriminatie en moet beperkte schadevergoeding en proceskosten betalen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/687850 / HA ZA 24-901
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. Ph. Dol,
tegen

1.DELOITTE TAX & LEGAL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,
2.
DELOITTE GROUP SUPPORT CENTER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Deloitte c.s.,
en afzonderlijk: Deloitte Tax & Legal en Deloitte Support Center,
advocaat: mr. J.F. Garvelink.
De zaak in het kort
Een particulier spreekt een fiscaal advieskantoor aan omdat hij gediscrimineerd is vanwege zijn politieke overtuiging (libertariër). Hij wordt gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Een groot deel van de schade waarvan hij vergoeding vordert bestaat uit kosten die de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 oktober 2024, met producties 1 tot en met 24;
- de conclusie van antwoord, met 1 productie;
- de mondelinge behandeling van 19 augustus 2025 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van mr. Dol.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in 2021 een drietal onroerende zaken gekocht in [plaats] voor een totaalbedrag van € 13.852.080,00. Van dat bedrag maakt deel uit een bedrag van € 2.404.080,00 aan omzetbelasting.
2.2.
[eiser] is op zoek gegaan naar een Nederlandse belastingadviseur met de vraag of de fiscale last van de omzetbelasting kon worden beperkt en enige gerelateerde vragen rond de fiscale kant van de transactie. [eiser] , althans zijn persoonlijke assistent de heer [naam 1] , heeft in februari 2022 in dat kader contact opgenomen met Deloitte Tax & Legal.
2.3.
Op 16 februari 2022 heeft een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , [naam 1] en twee belastingadviseurs van Deloitte Tax & Legal, te weten de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] . Daarna heeft [eiser] een aantal stukken aangeleverd ten behoeve van het klantacceptatieproces.
2.4.
Op 5 april 2022 schrijft [naam 3] aan [eiser] en [naam 1] – voor zover van belang – het volgende:
“(…)
Inmiddels heb ik terugkoppeling ontvangen vanuit het acceptatieteam. De conclusie is helaas dat wij niet kunnen starten met onze dienstverlening, ik kan je dan ook geen opdrachtbevestiging toesturen. Uit het acceptatieonderzoek (wwft etc.) kwamen in eerste instantie geen negatieve bevindingen naar boven. Uit het onderzoek bleek echter ook, en ik wil daar graag transparant over zijn, het libertarisch gedachtegoed van de heer [eiser] en dat sluit niet aan bij de strategie van Deloitte en de purpose / rol in de maatschappij die wij als Deloitte nastreven.
Op basis daarvan kunnen wij helaas de heer [eiser] niet als cliënt aan ons verbinden.
(…)”
2.5.
Bij brieven van 27 oktober 2022 en 8 november 2022 heeft de advocaat van [eiser] aan Deloitte Accountants B.V. respectievelijk Deloitte Tax & Legal – voor zover relevant – het volgende medegedeeld:
“(…) Nadat u met [eiser] reeds tot een begin van samenwerking was gekomen, ontving de heer [naam 1] - de personal assistent van [eiser] - plots het e-mailbericht van 5 april jl. van mevrouw [naam 3] (bijlage). [eiser] zou bij nader inzien toch niet welkom zijn als klant van Deloitte vanwege zijn "Libertarische gedachtegoed”. Dat bericht heeft [eiser] gekrenkt en hem gediscrimineerd doen voelen. [eiser] werd gediscrimineerd vanwege zijn politieke gezindheid of levensovertuiging, en helder is dat zulks niet mag.
(…)”
2.6.
Bij brief van 18 november 2022 heeft de heer [eiser] namens Deloitte Support Center gereageerd op de brieven van [eiser] van 27 oktober 2022 en 8 november 2022. In de brief staat – voor zover van belang – het volgende:
“(…)
Deloitte heeft in haar afweging gekeken naar het profiel van de heer [eiser] en van de mogelijke opdracht. De heer [eiser] heeft een achtergrond als Crypto valuta belegger, is woonachtig buiten Nederland, is niet doorverwezen door een lokale Deloitte zusterfirma en de verzochte advisering betrof een eenmalige opdracht met een door Deloitte geschatte opdrachtwaarde van circa Eur 2.000. Daarmee zou de mogelijke opdracht een zeer beperkte opdracht zijn van een niet Nederlandse, niet reguliere klant, waar Deloitte in haar klant- en opdrachtacceptatie terughoudend in is. Naast dat profiel heeft ook de libertaire gedachtengoed een rol gespeeld, niet zozeer dat gedachtengoed zelf waar Deloitte geen standpunt over heeft, maar meer de actieve rol van de heer [eiser] in die beweging als "Founding Father / CEO" van het libertarisch genootschap Free Society Foundation en
de maatschappelijk beeldvorming omtrent de libertaire beweging.
De bevestiging per mail, door mevrouw [naam 3] , van de achtergrond van het besluit van Deloitte geeft dan ook niet precies weer wat de beweegredenen van Deloitte waren. Hoewel Deloitte meent dat geen sprake is van discriminatie erkent Deloitte dat de gekozen bewoordingen ongelukkig zijn en wij begrijpen dat de heer [eiser] daar aanstoot aan heeft genomen. Deloitte bied daarvoor aan de heer [eiser] haar excuses aan.
(…)”
2.7.
Op 20 april 2023 heeft [eiser] verzoekschriften ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het CRM). Daarin vraagt hij het CRM te beoordelen of de verwerende partijen verboden onderscheid hebben gemaakt door hem als klant te weigeren en door zijn discriminatieklacht onzorgvuldig te behandelen.
2.8.
Het CRM heeft bij zijn uitspraak van 17 november 2023 – kort samengevat – geoordeeld dat Deloitte belastingadviseurs BV en Deloitte Group Support Center, de verwerende partijen, verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid hebben gemaakt.
2.9.
[eiser] heeft daarnaast op 20 april 2023 een tuchtklacht ingediend tegen [naam 2] en [naam 3] bij het Tuchtcollege van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (hierna: het NOB).
2.10.
Het NOB heeft bij uitspraak van 7 december 2023 de klachten ongegrond verklaard.
2.11.
[eiser] heeft op 7 februari 2024 tegen de uitspraak van het NOB beroep ingesteld.
2.12.
De Raad van Beroep van het NOB heeft bij uitspraak van 16 september 2024 het beroep en de klacht van [eiser] jegens [naam 3] gegrond verklaard. De Raad van Beroep heeft – voor zover relevant – het volgende overwogen:
“(…)
5.2.
Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat Verweerster inhoudelijk niet verantwoordelijk is voor de beslissing van de afdeling Klantacceptatie niet wegneemt dat zij wel verantwoordelijk is voor haar communicatie richting Klager, ook voor zover daarin slechts de beslissing van de afdeling Klantacceptatie wordt weergegeven. Van een NOB-lid dat in de relatie tot een (potentiële) cliënt zelfstandig optreedt, mag ten minste worden verwacht dat hij signaleert dat een beslissing een uitlating bevat die in strijd is met het discriminatieverbod en/of andere fundamentele mensenrechten en dat hiervan melding wordt gemaakt bij de (eind)verantwoordelijke voor die beslissing. Aan deze verplichting heeft Verweerster niet voldaan. Daarom is haar handelen tuchtrechtelijk laakbaar. Dat Verweerster de reden van afwijzing niet als discriminerend heeft herkend, dient voor rekening van Verweerster te blijven.
(…)”

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat het libertarisme een politieke gezindheid is zoals bedoeld in artikel 1 sub b Awgb Pro en artikel 1 Grondwet Pro;
voor recht te verklaren dat Deloitte c.s. jegens [eiser] een direct, althans een indirect verboden onderscheid maakten zoals bedoeld in artikel 1 jo Pro. 7 eerste lid sub a Awgb alsook zich schuldig maakten aan schending van het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 1 Grondwet Pro;
voor recht te verklaren dat Deloitte c.s., vanwege haar discriminatie aan het adres van [eiser] , als bedoeld onder sub 2, onrechtmatig jegens [eiser] handelden;
voor recht te verklaren dat Deloitte c.s., vanwege haar discriminatie aan het adres van [eiser] , als bedoeld onder sub 2, een onrechtmatige daad pleegden jegens [eiser] ;
voor recht te verklaren dat Deloitte c.s., vanwege haar discriminatie aan het adres van [eiser] , gehouden zijn om aan [eiser] de dientengevolge geleden schade te vergoeden;
Deloitte c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 70.685,57 aan materiële schadevergoeding vanwege de gemaakte advocaatkosten in verband met de procedures voor het CRM en het NOB, te vermeerderen met de wettelijke rente;
Deloitte c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 750,00 aan immateriële schadevergoeding vanwege de discriminatie aan zijn adres als bedoeld onder sub 2, te vermeerderen met de wettelijke rente;
Deloitte c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.489,35 aan buitengerechtelijke kosten;
Deloitte c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Deloitte c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de werkelijke kosten van deze procedure wegens misbruik van procesrecht.

4.De beoordeling

4.1.
In deze procedure staat de vraag centraal of Deloitte c.s. een onrechtmatige daad hebben gepleegd jegens [eiser] vanwege (de communicatie rond) de afwijzing van [eiser] als klant. Indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord dan is de vraag of Deloitte c.s. gehouden zijn om de door [eiser] gevorderde vergoeding van zowel materiële als immateriële schade te betalen en zal moeten worden bezien of de door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht toewijsbaar zijn. De rechtbank zal eerst bepalen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Dit geschil heeft een internationaal karakter, nu [eiser] in [woonplaats] woonachtig is en Deloitte c.s. gevestigd zijn in Nederland. De rechtbank dient ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.
4.3.
Partijen zijn geen forumkeuze overeengekomen. Nu gedaagden gevestigd zijn in dit arrondissement is de rechtbank op grond van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis-Verordening bevoegd.
4.4.
Partijen zijn in hun processtukken beide uitgegaan van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht, hetgeen wordt beschouwd als een impliciete rechtskeuze. De rechtbank zal dan ook Nederlands recht toepassen.
Onrechtmatig handelen Deloitte c.s.
4.5.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat Deloitte c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door hem als klant te weigeren vanwege zijn politieke gezindheid. De discriminatie maakt een inbreuk op het recht van [eiser] op gelijke behandeling, is in strijd met de Awgb en artikel 1 Grondwet Pro en is tevens in strijd met de ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen.
In dat verband is van belang dat het [eiser] gaat om de uitgesproken weigering; het resultaat, te weten dat Deloitte Tax & Legal geen klantrelatie met [eiser] is aangegaan, behoeft geen beoordeling, nu [eiser] het niet aangaan van een klantrelatie als zodanig expliciet niet aan zijn vorderingen ten grondslag legt.
4.6.
Deloitte Tax & Legal geeft toe dat zij [eiser] als klant heeft geweigerd, dat zij daarbij ten onrechte heeft laten meewegen dat [eiser] libertariër is en hem in april 2022 het onder 2.4 geciteerde bericht heeft gestuurd. Deloitte c.s. hebben daar ook excuses voor gemaakt.
4.7.
De rechtbank oordeelt als volgt. [eiser] stelt zich op het standpunt dat Deloitte c.s. jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld. De onrechtmatigheid zit hem volgens [eiser] in de volgende omstandigheden:
1. de brief van 5 april 2022 waarin Deloitte Tax & Legal [eiser] weigert als klant en als reden geeft het libertarisch gedachtegoed van [eiser] ; en
2. de brief van 18 november 2022 waarin Deloitte Support Center noemt dat de actieve rol van [eiser] in de beweging van het libertarisch genootschap Free Society Foundation en de maatschappelijke beeldvorming omtrent de libertaire beweging heeft bijgedragen aan de afwijzing van [eiser] als klant.
4.8.
Het is op grond van artikel 7, lid 1, onderdeel a jo artikel 1 lid 1 onderdeel Pro b en c Awgb niet toegestaan om bij het aanbieden van diensten en bij het sluiten van overeenkomsten in de uitoefening van een beroep of bedrijf direct of indirect onderscheid op grond van politieke gezindheid of levensovertuiging te maken. De achtergrond van de discriminatieverboden aangaande politieke gezindheid of levensovertuiging in zowel de Awgb als de Grondwet is gelegen in het beginsel dat het maken van onderscheid op basis van opvattingen van deze aard in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
4.9.
Het libertarisme dat door [eiser] wordt aangehangen wordt door [eiser] beschreven als een politieke filosofie waarin vrijheid van de mens en het individu voorop staan. Belangrijk zijn keuzevrijheid, zelfbestuur, vrijwilligheid en kapitalisme. Hiërarchie en autoriteit past niet in de stroming. [eiser] hangt de gematigde stroming van het libertarisme aan, met als basis het non-agressieprincipe. Daarnaast is [eiser] betrokken bij de World’s First Free Society, een initiatief dat probeert om land aan te kopen om een eigen staat op te richten.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat het libertarisme een verzamelnaam is voor een grote groep politieke opvattingen, die een zekere samenhang en consistentie vertonen waar het gaat om de bestuurlijke en sociale inrichting van de samenleving. In het onderhavige geval is niet in geschil dat [eiser] aanhanger is van een vorm van libertarisme die verenigbaar is met de beginselen van een democratische rechtsstaat.
4.11.
Het CRM heeft in zijn uitspraak van 17 november 2023 overwogen dat het begrip politieke gezindheid in de Awgb dezelfde betekenis heeft als in de Grondwet, te weten een politieke overtuiging die kan worden afgeleid uit uitingen, lidmaatschappen en andere gegevens en die ziet op een gemeenschappelijke opvatting omtrent de bestuurlijke en sociale inrichting van de samenleving. Volgens het CRM kan het libertarisme zoals [eiser] dit aanhangt onder dit begrip worden geschaard.
4.12.
De brief van 5 april 2022 houdt in dat het libertarisch gedachtegoed van [eiser] een doorslaggevende rol heeft gespeeld in het afwijzen van [eiser] als klant bij Deloitte Tax & Legal. Dit wordt door Deloitte c.s. ook niet betwist. Het sturen van de brief van 5 april 2022 komt dus neer op het maken van onderscheid op basis van politieke gezindheid en is daarom in strijd met de wet en de maatschappelijke zorgvuldigheid.
Deloitte Support Center
4.13.
Wat Deloitte Support Center betreft geldt dat zij de brief van 5 april 2022 niet geschreven heeft en de beslissing ook niet genomen heeft, maar slechts binnen de groep navraag heeft gedaan en in de brief van 18 november 2022 uitleg heeft verschaft over de beslissing van Deloitte Tax & Legal. In die brief wordt nadrukkelijk geen standpunt ingenomen over het libertarisme en er worden excuses aangeboden voor de brief van 5 april 2022. De door [eiser] genoemde passage over “de actieve rol van de heer [eiser] in die beweging als "Founding Father / CEO" van het libertarisch genootschap Free Society Foundation” kan, gelet op de tekst van die brief voor het overige, in redelijkheid niet anders worden begrepen dan als een uitleg van de brief van 5 april 2022.
Niet in te zien valt in welk opzicht Deloitte Support Center met de brief van 18 november 2022 in strijd gehandeld zou hebben met de genoemde discriminatie-verboden of anderszins met de wet of hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die brief is dus niet onrechtmatig.
Overigens is onvoldoende gesteld omtrent onrechtmatig handelen of nalaten. Het CRM heeft geoordeeld dat de klachtafhandeling onzorgvuldig is gebeurd doordat, kort samengevat, onvoldoende hoor en wederhoor is toegepast. In deze procedure heeft [eiser] zijn vorderingen niet, zeker niet voldoende kenbaar, gebaseerd op onzorgvuldige klachtbehandeling. Dat aspect kan dus geen rol spelen.
Ten aanzien van Deloitte Support Center worden daarom alle vorderingen afgewezen.
Verklaringen voor recht jegens Deloitte Tax & Legal
4.14.
[eiser] vordert onder 1, 2, 3, 4 en 5 verschillende verklaringen voor recht.
Het feit dat de rechtbank in deze beslissing overweegt dat het libertarisme zoals dat wordt aangehangen door [eiser] onder de bescherming valt van artikel 7 jo Pro. artikel 1 van Pro de Awgb, betekent niet dat de rechtbank de gevorderde verklaringen voor recht zal toewijzen. Bij een verklaring voor recht dient de eiser immers een voldoende belang te hebben.
De rechtbank zal de vordering onder 4 toewijzen jegens Deloitte Tax & Legal en de vorderingen onder 1, 2, 3 en 5 afwijzen. De vordering onder 1 ziet niet op een rechtsverhouding waarbij [eiser] onmiddellijk betrokken is in de zin van art. 3:302 BW Pro. Bij de vorderingen onder 2 en 3 heeft [eiser] onvoldoende belang. Dat eerst sprake is van een onrechtmatige daad als aan enige te onderscheiden (en door [eiser] van elkaar gescheiden) vereisten is voldaan, brengt niet mee dat [eiser] bij beslissingen omtrent elk van die vereisten een belang in de zin van artikel 3:303 BW Pro heeft.
Het belang van de verklaring voor recht als erkenning en daarmee als zelfstandige remedie wordt reeds gediend met de onder 4 gevorderde en hierna toe te wijzen verklaring voor recht. Voor de gevorderde verklaring voor recht onder 5 geldt dat [eiser] naast deze verklaring voor recht op dezelfde gronden ook schadevergoeding vordert. [eiser] heeft daarom onvoldoende belang bij deze vordering naast de vorderingen onder 4, 6 en 7. De vordering onder 5 wordt dus eveneens afgewezen.
Materiële schade
4.15.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij door het onrechtmatig handelen van Deloitte c.s. schade heeft geleden. [eiser] stelt dat de kosten die hij heeft moeten maken voor de procedures bij zowel het CRM als bij het NOB door Deloitte c.s. moeten worden vergoed als zijnde redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. Het CRM was de aangewezen instantie om het handelen van Deloitte c.s. aan voor te leggen om daarmee een goed beeld te krijgen van de rechtspositie van [eiser] . Ook de tuchtprocedures hebben bijgedragen aan het verstevigen van het civiele verwijt aan het adres van Deloitte c.s. [eiser] vordert een bedrag van € 14.017,44 aan advocaatkosten voor de procedure bij het CRM, een bedrag van € 46.377,65 vanwege de advocaatkosten in verband met de beide tuchtprocedures, en een restbedrag van € 10.290,48 in verband met advocaatkosten waarvan niet meer is te achterhalen op welke procedure de kosten betrekking hebben gehad. [eiser] vordert in totaal een bedrag van € 70.685,57.
4.16.
Deloitte c.s. stellen zich op het standpunt dat dergelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro niet kunnen worden gevorderd omdat zij onvoldoende verband houden met de thans ingestelde civiele vorderingen en voorts niet aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Deloitte c.s. stellen voorts dat de advocaatkosten die zijn gemaakt in de procedures voor de tuchtrechter niet voor vergoeding in aanmerking komen; dit is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Bovendien geldt dat het NOB de in het ongelijk gestelde partij kan veroordelen in de kosten, maar daar zag het NOB in dit geval geen aanleiding toe.
De kosten die zijn gemaakt in de procedure bij het CRM komen evenmin voor vergoeding in aanmerking. De vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt ook hier.
Het voeren van tuchtprocedures of procedures bij het CRM is voorts geen voorwaarde voor het kunnen instellen van een civiele procedure. En in beide gevallen is er geen sprake van verplichte procesvertegenwoordiging. Daarmee voldoen de vorderingen niet aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW Pro; de kosten zijn niet redelijkerwijs noodzakelijk en ook de omvang van de kosten is niet redelijk.
Ten slotte merken Deloitte c.s. op dat de facturen van de advocaatkosten niet gericht zijn aan [eiser] , zodat onduidelijk is of hij ze heeft betaald.
4.17.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b, BW, vereist dat:
( a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;
( b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;
( c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en
( d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.
Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586).
4.18.
Voor zover Deloitte c.s. hebben betoogd dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat [eiser] ze niet heeft gemaakt faalt dat betoog. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling uitgelegd wat de constructie achter de facturatie van de advocaatkosten is en waarom de facturen dus niet aan [eiser] zijn gericht, maar uiteindelijk wel te zijnen laste komen. Deloitte c.s. hebben die uitleg niet (gemotiveerd) betwist.
4.19.
Voor wat betreft de kosten die [eiser] vordert in verband met gemaakte kosten in de tuchtprocedures oordeelt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het uitgangspunt dat een tuchtrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid, zodat niet kan worden gezegd dat de kosten daarvan redelijke kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690). Dit heeft ermee te maken dat het tuchtrecht een ander doel dient dan het civiele recht, namelijk in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Hiervoor is niet voldoende dat het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van een beroepsbeoefenaar in een civiele procedure een rol speelt, zoals door [eiser] is gesteld. Door het NOB is bovendien een algemene beroepsnorm getoetst, namelijk de eer en waardigheid van het beroep, en die toetsing is een wezenlijk andere dan de civiele aansprakelijkheidstoets en draagt niet bij aan de vaststelling van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Ook zijn de procedures die [eiser] bij de tuchtrechter heeft gevoerd niet te bestempelen als onvermijdelijk. Ook zonder de uitspraken van het NOB stond de weg naar civiele rechter open en had [eiser] de civiele aansprakelijkheid van Deloitte c.s. kunnen laten vaststellen, te meer nu [eiser] al een uitspraak van het CRM had liggen waarin het handelen van Deloitte c.s. is beoordeeld. De advocaatkosten die [eiser] heeft gemaakt in het kader van de tuchtprocedures kunnen dus niet worden aangemerkt als kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW. Het deel van de vordering dat ziet op de advocaatkosten voor de tuchtprocedures wordt dan ook afgewezen.
4.20.
Voor wat betreft de kosten die [eiser] vordert in verband met gemaakte kosten voor de procedure bij het CRM oordeelt de rechtbank als volgt. Het CRM is het mensenrechteninstituut van Nederland en geeft oordelen over individuele discriminatieklachten aan de hand van de Grondwet en de mensenrechtenverdragen, derhalve een ieder bindende regels op het gebied van grondrechten. Het CRM is daarmee bij uitstek het aangewezen orgaan om de vraag aan voor te leggen of verboden onderscheid is gemaakt en dus of er sprake is geweest van discriminatie. De beslissing van het CRM houdt een deskundig oordeel in over de vraag of Deloitte c.s. verboden onderscheid hebben gemaakt en dus of er sprake is geweest van een normschending. In die zin kon het oordeel van het CRM redelijkerwijs bijdragen aan de vaststelling van de civiele aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW. De kosten die zijn gemaakt voor de procedure bij het CRM komen in beginsel dus voor vergoeding in aanmerking.
4.21.
Zoals door Deloitte c.s. terecht is aangevoerd, komen echter slechts de kosten voor vergoeding in aanmerking die de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. Dit houdt in dat, in de gegeven omstandigheden, de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. In dat kader is het volgende van belang. Voor procedures bij het CRM geldt geen verplichte procesvertegenwoordiging. Strikt genomen is het dus niet noodzakelijk om advocaatkosten te maken voor het voeren van een procedure bij het CRM. Het komt de rechtbank echter niet onredelijk voor dat een advocaat wordt ingeschakeld voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift, het voorbereiden van de zitting en het bijwonen van de zitting bij het CRM. De rechtbank acht het redelijk dat een advocaat in een zaak als deze 6 uur de tijd nodig had om [eiser] bij te staan. Onvoldoende aangetoond is dat in redelijkheid meer tijd nodig was. De feiten stonden immers vast. Een redelijk uurtarief dat kan worden gerekend betreft een bedrag van
€ 300,00. [eiser] vordert een bedrag van € 14.017,44 aan advocaatkosten voor de procedure bij het CRM. Daarvan is dus € 1.800,00 toewijsbaar. De rente is toewijsbaar als na te melden.
4.22.
Het restbedrag van € 10.290,48 in verband met advocaatkosten waarvan niet meer is te achterhalen op welke procedure de kosten betrekking hebben gehad is niet toewijsbaar. Voor zover dit restbedrag bestaat uit advocaatkosten die zijn gemaakt voor de tuchtprocedures geldt dat deze kosten om die reden niet toewijsbaar zijn. Voor het overige geldt dat niet kan worden vastgesteld dat ze voldoende verband houden met de onderhavige vordering en voorts niet onder de forfaitair te berekenen kosten op grond van artikel 237 Rv Pro vallen.
Immateriële schade
4.23.
Naast de materiële schadevergoeding maakt [eiser] aanspraak op een immateriële schadevergoeding. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij vanwege de discriminatie op andere wijze in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 sub b BW Pro. Het libertarisch gedachtegoed is voor [eiser] nauw verbonden met zijn persoon en identiteit. Ook de aantoonbare inzet en kosten om tegen het handelen van Deloitte c.s. op te komen geeft blijk van de aantasting in zijn persoon. [eiser] vordert een bedrag van € 750,00 aan smartengeld.
4.24.
Deloitte c.s. betwisten dat [eiser] immateriële schade heeft geleden. [eiser] heeft onvoldoende aangetoond dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden. Gevoelens van ongemak zijn niet voldoende. Daarnaast heeft [eiser] al genoegdoening ontvangen met de uitspraken van het CRM en het NOB en met de herhaaldelijke excuses die Deloitte c.s. hebben aangeboden.
4.25.
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro kan de benadeelde recht hebben op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [eiser] doet hier een beroep op de laatste categorie. Onder aantasting in de persoon op andere wijze valt in ieder geval geestelijk letsel. Dat daarvan sprake is in de onderhavige zaak niet gesteld of gebleken. Van een aantasting van de persoon op andere wijze kan ook sprake zijn vanwege de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. De aard en de ernst van de normschending kunnen met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon moet worden aangenomen. Echter, een enkele schending van een fundamenteel recht is daartoe niet voldoende (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). [eiser] moet de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] dit onvoldoende gedaan. Het enkele feit dat er sprake is geweest van discriminatie is onvoldoende om de aantasting in zijn persoon vast te kunnen stellen. [eiser] was ook niet in persoon op de mondelinge behandeling aanwezig om de rechtbank nadere uitleg te geven en [eiser] heeft hieromtrent geen verklaring in het geding gebracht.
Van een normschending waarvan, gelet op aard en ernst, zozeer voor de hand ligt dat deze een aantasting in de persoon oplevert is geen sprake; daarbij is mede van belang dat het gaat om een brief die niet nodeloos grievend is geformuleerd. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.26.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Ook deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en daarnaast het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.27.
In het kader van de proceskosten hebben Deloitte c.s. aangevoerd dat [eiser] met deze procedure misbruik maakt van procesrecht en dat [eiser] daarom moet worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten van Deloitte c.s.. Dit is de vierde procedure waarin [eiser] Deloitte c.s. heeft betrokken. [eiser] wil enkel procederen om zijn gelijk nog eens bevestigd te krijgen. Indien [eiser] graag een schadevergoeding had gewenst, dan had hij ook als eerste stap een procedure bij de kantonrechter kunnen starten en hadden de overige procedures achterwege kunnen blijven.
4.28.
Dit betoog behoeft ten aanzien van Deloitte Tax & Legal reeds geen bespreking omdat [eiser] in die verhouding grotendeels in het gelijk wordt gesteld.
4.29.
Wat betreft Deloitte Support Center geldt het volgende. Van misbruik van procesrecht (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten) kan sprake zijn als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro, dient de rechter dit met terughoudendheid te beoordelen. Deze hoge drempel wordt niet gehaald en van misbruik van procesrecht is geen sprake.
4.30.
Deloitte Tax & Legal is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
142,86
- griffierecht
1.325,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.236,86
4.31.
De vordering jegens Deloitte Support Center wordt afgewezen. Niet aannemelijk is dat ten behoeve van Deloitte Support Center zodanige kosten zijn gemaakt dat daaraan in de kostenveroordeling aandacht geschonken moet worden, mede gelet op de omstandigheid dat beide gedaagden door dezelfde advocaat werden bijgestaan.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat Deloitte Tax & Legal door het sturen van de brief van 5 april 2022 verboden onderscheid heeft gemaakt in de zin van artikel 1 jo Pro. 7 eerste lid sub a Awgb en artikel 1 Grondwet Pro en daarmee een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiser] ,
5.2.
veroordeelt Deloitte Tax & Legal om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Deloitte Tax & Legal in de proceskosten van € 4.236,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Deloitte Tax & Legal niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3304/106