De zaak betreft een verzoek van werkneemster tegen werkgever wegens het niet verlengen van haar derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Werkneemster stelt dat dit besluit het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen, omdat werkgever het contract niet verlengde vanwege haar chronische ziekte, en vordert een billijke vergoeding.
De kantonrechter beoordeelt eerst de ontvankelijkheid en stelt vast dat het verzoek tijdig is ingediend. Vervolgens wordt onderzocht of sprake is van strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). Werkneemster lijdt aan PTSS, maar het is niet gebleken dat deze ziekte leidt tot langdurige beperkingen die deelname aan het arbeidsproces belemmeren zoals vereist onder de Wgbh/cz.
De werkgever was bekend met de PTSS, maar werkneemster was op het moment van het besluit succesvol aan het re-integreren met uitzicht op volledig herstel. De kantonrechter concludeert dat geen sprake is van een chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz en dat het niet verlengen van het contract niet gebaseerd was op deze ziekte.
Ook is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen door werkgever. De re-integratie-inspanningen zijn voldoende geweest, ondanks enkele administratieve tekortkomingen. Werkneemster heeft geen deskundigenoordeel aangevraagd over de re-integratie. De verzoeken worden afgewezen en werkneemster wordt veroordeeld in de proceskosten.