Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2062

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
11545257 CV EXPL 25-3342
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:212 BWArt. 6:230m BWArt. 6:230v lid 7 BWArt. 6:270 BWArt. 6:277 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding wegens schending informatieplicht en tekortkoming bij arbeidsovereenkomst

De rechtbank Rotterdam heeft op 6 februari 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak tussen [persoon A] en [persoon B] als eisers en [VOF E] c.s. als gedaagden. De zaak betrof geschillen over de nakoming van overeenkomsten, met name de informatieverplichtingen bij overeenkomsten op afstand en de uitvoering van een arbeidsovereenkomst.

De rechtbank stelde vast dat [VOF E] c.s. ongerechtvaardigd verrijkt was door ten onrechte btw in rekening te brengen aan [persoon A], die zich tijdens het sluiten van de overeenkomst in het buitenland bevond. Tevens werd geoordeeld dat [VOF E] niet had voldaan aan essentiële informatieverplichtingen over het ontbindingsrecht, wat een ernstige schending vormde. Hierdoor werd de betalingsverplichting van [persoon A] verminderd met 20%.

Ten aanzien van [persoon B] oordeelde de rechtbank dat [VOF E] tekort was geschoten in haar verplichting om [persoon B] te laten starten bij een erkende kliniek, wat rechtvaardigde tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst. [VOF E] werd veroordeeld tot vergoeding van schade en vermindering van de betalingsverplichting met 20%. De totale veroordeling aan [persoon A] bedroeg € 11.067,- en aan [persoon B] € 63.038,43.

De proceskosten werden grotendeels aan [VOF E] c.s. toegerekend, terwijl [persoon A] en [persoon B] de kosten van [bedrijf H] c.s. moesten dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: VOF E c.s. wordt hoofdelijk veroordeeld tot gedeeltelijke ontbinding, schadevergoeding en vermindering betalingsverplichtingen aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11545257 CV EXPL 25-3342
datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van

1..[persoon A] ,

woonplaats: [woonplaats 1] ,
2. [persoon B]
woonplaats: [woonplaats 2] ,
eiseressen (in conventie),
verweersters (in reconventie),
gemachtigde: mr. M. Taheri,
tegen

1..[persoon C] ,

woonplaats: [woonplaats 3] ,
2. [persoon D],
woonplaats: [woonplaats 3] ,
3.de vennootschap onder firma
[VOF E],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
gedaagden,
gemachtigde: voorheen mr. S. Yadegari, nu zonder gemachtigde.
en

4..[persoon F] ,

woonplaats: [woonplaats 3] ,
5. [persoon G],
woonplaats: [woonplaats 3] ,
6. [bedrijf H] .,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,

7. [bedrijf I] .

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gemachtigde: mr. E. Luijendijk en mr. A.M. de Nijs.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon B] ’, ‘ [persoon C] ’, ‘ [persoon D] ’, ‘ [VOF E] ’, ‘ [persoon F] ’, ‘ [persoon G] ’, ‘ [bedrijf H] ’ en ‘ [bedrijf I] ’ genoemd.
[persoon C] , [persoon D] en [VOF E] worden gezamenlijk ‘ [VOF E] c.s.’ genoemd.
[persoon F] , [persoon G] , [bedrijf H] en [bedrijf I] worden gezamenlijk ‘ [bedrijf H] c.s.’ genoemd.

1. De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 17 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de akte van 12 november 2025 van [persoon A] en [persoon B] , met bijlagen;
  • de akte van [VOF E] c.s., met bijlagen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis zijn [persoon A] , [persoon B] en [VOF E] c.s. in de gelegenheid gesteld om op een aantal specifieke punten nader in te gaan. Deze partijen hebben vervolgens aan akte genomen. In de akte stellen zij ook veel andere en soms ook nieuwe punten aan de orde. Zoals in het tussenvonnis al is overwogen, laat de kantonrechter dit allemaal buiten beschouwing.
Geen verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep
2.2.
[persoon A] en [persoon B] vragen aan de kantonrechter om verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep, tenzij het eindvonnis binnen vier maanden wordt uitgesproken. Omdat dit vonnis een eindvonnis is en binnen die termijn wordt uitgesproken, zal de kantonrechter het verzoek van [persoon A] en [persoon B] niet inhoudelijk beoordelen.
De vordering van [persoon A] tegen [VOF E] c.s.
2.3.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat [VOF E] niet tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst met [persoon A] . De kantonrechter had wel meer informatie nodig over de totstandkoming van de overeenkomst, zodat beoordeeld kan worden of [VOF E] aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en of [VOF E] ongerechtvaardigd is verrijkt door btw bij [persoon A] in rekening te brengen. De kantonrechter ziet aanleiding eerst daarop in te gaan.
[VOF E] is ongerechtvaardigd verrijkt door ten onrechte btw in rekening te brengen
2.4.
[persoon A] stelt dat zij in Iran verbleef toen zij de overeenkomst sloot. Dat betwisten [VOF E] c.s. niet en staat dus vast. Zoals in het tussenvonnis staat, is daarom sprake van een uitzondering op de hoofdregel dat btw wordt geheven. [VOF E] heeft desondanks wel btw in rekening gebracht bij [persoon A] . De btw is ook door [persoon A] betaald aan [VOF E] . Naar het oordeel van de kantonrechter is [VOF E] daarmee ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [persoon A] . Voor zover [VOF E] de btw heeft afgedragen aan de Belastingdienst (dat blijkt overigens nergens uit), kan zij een teruggaveverzoek indienen. Omdat [VOF E] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [persoon A] , moet [VOF E] haar schade vergoeden (artikel 6:212 BW Pro). De schade bedraagt het btw-bedrag dat [persoon A] aan [VOF E] heeft betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat het gaat om € 5.775,-.
[VOF E] heeft niet voldaan aan al haar informatieverplichtingen
2.5.
[persoon A] legt in haar akte uit hoe de overeenkomst tot stand is gekomen. [VOF E] betwist dit niet. Daarom staat vast dat potentiële klanten, waaronder [persoon A] , via social media in aanraking zijn gekomen met [VOF E] en al het contact vervolgens via Google Meet, Whatsapp en e-mail heeft plaatsgevonden, terwijl er geen sprake is geweest van gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van [VOF E] en [persoon A] . De kantonrechter stelt daarom vast dat de overeenkomst op afstand tot stand is gekomen. Bij zulke overeenkomsten moet de handelaar uiterlijk bij het sluiten van de overeenkomst en op een voldoende duidelijke en begrijpelijke wijze aan de consument bepaalde informatie geven (artikel 6:230m BW). De handelaar moet dezelfde informatie uiterlijk bij levering verstrekken op een duurzame gegevensdrager (artikel 6:230v lid 7 BW). De kantonrechter komt tot het oordeel dat [VOF E] niet heeft voldaan aan de essentiële informatieplicht over het ontbindingsrecht, niet precontractueel en ook niet op een duurzame gegevensdrager (artikel 6:230m onder h BW). [VOF E] heeft [persoon A] namelijk helemaal niet geïnformeerd over het recht van de consument om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. Daarom is sprake van een voldoende ernstige schending van deze informatieverplichting.
2.6.
Volgens [persoon A] heeft [VOF E] ook de informatieverplichtingen over de kenmerken van de dienst (artikel 6:230m onder a BW) en de identiteit van de handelaar (artikel 6:230m onder b BW) geschonden. De kantonrechter vindt dat er geen sprake is van een voldoende ernstige schending van deze informatieverplichtingen. Uit de overeenkomst blijkt namelijk voldoende duidelijk welke diensten [VOF E] zal verrichten (zie r.o. 3.9 van het tussenvonnis) en ook de identiteit van de handelaar blijkt voldoende uit de overeenkomst (zie r.o. 3.7 van het tussenvonnis).
De betalingsverplichting van [persoon A] wordt gedeeltelijk vernietigd
2.7.
Omdat aan [persoon A] helemaal geen informatie over het ontbindingsrecht is verstrekt, acht de kantonrechter het gerechtvaardigd om de betalingsverplichting van [persoon A] te verminderen. [1] Het Europees consumentenrecht, waar de hiervoor aangehaalde bepalingen op zijn gebaseerd, moet namelijk doeltreffend en afschrikkend zijn. In lijn met de Sanctierichtlijn die de rechtbanken hebben opgesteld, wordt de betalingsverplichting van [persoon A] verminderd met 20%. Aangezien vaststaat dat [persoon A] voor de geleverde diensten € 26.460,- exclusief btw aan [VOF E] heeft betaald, wordt de betalingsverplichting van [persoon A] verminderd met € 5.292,-.
Conclusie: [VOF E] c.s. moeten € 11.067,- aan [persoon A] betalen
2.8.
De conclusie is dat [VOF E] in totaal een bedrag van € 11.067,- aan [persoon A] moet betalen. [VOF E] c.s. worden daartoe hoofdelijk veroordeeld, omdat [persoon C] en [persoon D] als vennoten van [VOF E] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap (artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel).
De vordering van [persoon B] tegen [VOF E] c.s.
2.9.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat [VOF E] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst met [persoon B] . Zij is daarop in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of zij de rechtsgevolgen van (gedeeltelijke) ontbinding wil inroepen. In haar akte heeft [persoon B] deze rechtsgevolgen ingeroepen, primair de gehele ontbinding en subsidiair de gedeeltelijke ontbinding.
Gedeeltelijke ontbinding is gerechtvaardigd
2.10.
[VOF E] is tekortgeschoten in haar contractuele verplichting om [persoon B] met een arbeidsovereenkomst te laten starten bij een erkende kliniek (r.o. 4.9 van het tussenvonnis). Deze tekortkoming rechtvaardigt geen gehele ontbinding van de overeenkomst, omdat [VOF E] een heel belangrijk onderdeel van de overeenkomst, namelijk ervoor zorgen dat [persoon B] als kennismigrant naar Nederland kon komen, wel is nagekomen. De tekortkoming rechtvaardigt daarentegen wel de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, namelijk het gedeelte van de overeenkomst op grond waarvan [VOF E] verplicht was [persoon B] te laten starten bij een erkende kliniek. Nu ook niet in geschil is dat nakoming blijvend onmogelijk is, is de overeenkomst rechtsgeldig gedeeltelijk ontbonden door [persoon B] .
2.11.
Door de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst worden de wederzijdse prestaties evenredig verminderd (artikel 6:270 BW Pro). De kantonrechter mag de vermindering van de wederzijdse prestaties schatten. [2] Zij sluit voor de vermindering aan bij artikel 4 van Pro de overeenkomst, waarin staat dat [persoon B] € 7.562,50 verschuldigd wordt bij aanvang van de arbeidsovereenkomst bij de erkende kliniek. Dit bedrag moet [VOF E] aan [persoon B] vergoeden.
[VOF E] moet ook de schade van [persoon B] vergoeden
2.12.
Door de tekortkoming van [VOF E] is zij ook aansprakelijk voor de schade die [persoon B] leidt doordat de overeenkomst niet volledig is nagekomen (artikel 6:277 BW Pro). Volgens [persoon B] bedraagt haar schade € 50.938,43. Dat bedrag bestaat uit de gemiste inkomsten uit de arbeidsovereenkomst met [bedrijf H] voor de duur van een jaar, verminderd met haar inkomsten die zij dat jaar wel heeft gehad uit andere werkzaamheden. [VOF E] voert aan dat het speculatief is dat de arbeidsovereenkomst met [bedrijf H] een volledig jaar had geduurd. De kantonrechter oordeelt dat het inderdaad niet zeker is dat [persoon B] een volledig jaar loon had gekregen van [bedrijf H] als [VOF E] wel aan haar verplichtingen had voldaan, maar dit scenario vindt de kantonrechter wel het meest aannemelijk. [VOF E] heeft namelijk geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die een ander scenario aannemelijker maken.
2.13.
[VOF E] betwist de bedragen die [persoon B] heeft gebruikt voor de berekening van haar schade niet. Daarom moet zij een schadevergoeding van € 50.938,43 aan [persoon B] betalen.
[VOF E] heeft niet voldaan aan al haar informatieverplichtingen
2.14.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter [persoon B] ook in de gelegenheid gesteld om meer informatie te geven over de totstandkoming van de overeenkomst, zodat beoordeeld kan worden [VOF E] aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan.
2.15.
[persoon B] legt in haar akte uit hoe de overeenkomst tot stand is gekomen. [VOF E] betwist dit niet. Daarom staat vast dat potentiële klanten, waaronder [persoon B] , via social media in aanraking zijn gekomen met [VOF E] en al het contact vervolgens via Google Meet, Whatsapp en e-mail heeft plaatsgevonden, terwijl er geen sprake is geweest van gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van [VOF E] en [persoon B] . De kantonrechter stelt daarom vast dat de overeenkomst op afstand tot stand is gekomen. Bij zulke overeenkomsten moet de handelaar uiterlijk bij het sluiten van de overeenkomst en op een voldoende duidelijke en begrijpelijke wijze aan de consument bepaalde informatie geven (artikel 6:230m BW). De handelaar moet dezelfde informatie uiterlijk bij levering verstrekken op een duurzame gegevensdrager (artikel 6:230v lid 7 BW). De kantonrechter komt tot het oordeel dat [VOF E] niet heeft voldaan aan de essentiële informatieplicht over het ontbindingsrecht, niet precontractueel en ook niet op een duurzame gegevensdrager (artikel 6:230m onder h BW). [VOF E] heeft [persoon A] namelijk helemaal niet geïnformeerd over het recht van de consument om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. Daarom is sprake van een voldoende ernstige schending van deze informatieverplichting.
2.16.
Volgens [persoon B] heeft [VOF E] ook de informatieverplichtingen over de kenmerken van de dienst (artikel 6:230m onder a BW) en de identiteit van de handelaar (artikel 6:230m onder b BW) geschonden. De kantonrechter vindt dat er geen sprake is van een voldoende ernstige schending van deze informatieverplichtingen. Uit de overeenkomst blijkt namelijk voldoende duidelijk welke diensten [VOF E] zal verrichten (zie r.o. 4.9 van het tussenvonnis) en ook de identiteit van de handelaar blijkt voldoende uit de overeenkomst (zie r.o. 4.7 van het tussenvonnis).
De resterende betalingsverplichting van [persoon B] wordt gedeeltelijk vernietigd
2.17.
Omdat aan [persoon B] helemaal geen informatie over het ontbindingsrecht is verstrekt, acht de kantonrechter het gerechtvaardigd om de betalingsverplichting van [persoon B] te verminderen. [3] Het Europees consumentenrecht, waar de hiervoor aangehaalde bepalingen op zijn gebaseerd, moet namelijk doeltreffend en afschrikkend zijn. In lijn met de Sanctierichtlijn die de rechtbanken hebben opgesteld, wordt de resterende betalingsverplichting van [persoon B] verminderd met 20%. In totaal heeft [persoon B] € 30.250,- aan [VOF E] betaald. Hiervoor is overwogen dat [VOF E] daarvan € 7.562,50 aan [persoon B] moet terugbetalen. De resterende betalingsverplichting is dus € 22.687,50 en dat bedrag wordt verminderd met 20%. [VOF E] moet daarom € 12.100 aan [persoon B] betalen.
Conclusie: [VOF E] c.s. moeten € 63.038,43 aan [persoon B] betalen
2.18.
De conclusie is dat [VOF E] in totaal een bedrag van € 63.038,43 aan [persoon B] moet betalen. [VOF E] c.s. worden daartoe hoofdelijk veroordeeld, omdat [persoon C] en [persoon D] als vennoten van [VOF E] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap (artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel).
[VOF E] c.s. moeten de proceskosten van [persoon A] en [persoon B] betalen
2.19.
De proceskosten van [persoon A] en [persoon B] komen voor rekening van [VOF E] c.s., omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW Pro). [4] De kantonrechter begroot de kosten die [VOF E] c.s. aan [persoon A] en [persoon B] moeten betalen op:
  • € 140,17 aan dagvaardingskosten (de dagvaarding aan [VOF E] c.s. is eenmaal betekend);
  • € 412,- aan griffierecht (het griffierecht van € 732,- verminderd met het griffierecht van € 320,- dat is betaald voor het verzoek voor het leggen van conservatoir beslag);
  • € 2.165,- aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punt x € 866,-);
  • € 144,- aan nakosten;
  • € 2.221,71 aan beslagkosten (liquidatiepunt tarief V 2024 en drie overgelegde beslagexploten van elk € 97,57).
Dat is in totaal € 5.082,88. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
[persoon A] en [persoon B] moeten de proceskosten van [bedrijf H] c.s. betalen
2.20.
De proceskosten van [bedrijf H] c.s. komen voor rekening van [persoon A] en [persoon B] , omdat hun vorderingen tegen [bedrijf H] c.s. worden afgewezen. Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. De kantonrechter begroot de kosten die [persoon A] en [persoon B] aan [bedrijf H] c.s. moeten betalen op € 2.020,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 1.010,- en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.164,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing staat.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.21.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon B] en [persoon A] dat eisen en [VOF E] c.s. daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
veroordeelt [VOF E] c.s. hoofdelijk om aan [persoon A] te betalen € 11.067,-;
3.2.
veroordeelt [VOF E] c.s. hoofdelijk om aan [persoon B] te betalen € 63.038,43;
3.3.
veroordeelt [VOF E] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van [persoon A] en [persoon B] , die worden begroot op € 5.082,88;
3.4.
veroordeelt [persoon A] en [persoon B] hoofdelijk in de proceskosten van [bedrijf H] c.s., die worden begroot op € 2.164,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
in reconventie
3.7.
wijst de vordering af;
3.8.
veroordeelt [bedrijf H] c.s. in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] en [persoon B] worden begroot op nul.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
49039

Voetnoten

1.Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677
2.Hoge Raad 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8175
3.Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677
4.Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942