ECLI:NL:RBROT:2026:1941

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
ROT 24/5003
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten inzageverzoek AVG wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek

Eiseres heeft een inzageverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) met betrekking tot persoonsgegevens van haar zoon over de periode 2008-2011. Het college weigerde aanvankelijk het verzoek en gaf inzage op grond van de Wmo, waarna eiseres bezwaar maakte. Het college trok het primaire besluit in en honoreerde het inzageverzoek deels met twee bestreden besluiten.

Tijdens de beroepsprocedure heeft het college aanvullend onderzoek verricht en nadere stukken verstrekt, maar de rechtbank constateert dat de bestreden besluiten een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek bevatten. De rechtbank vernietigt deze besluiten, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat het college de gebreken in beroep heeft hersteld en eiseres het inzageverzoek blijft toegewezen.

Eiseres heeft tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn aan het college is toe te rekenen. De rechtbank kent een immateriële schadevergoeding van €500 toe en veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek maar laat de rechtsgevolgen in stand en kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5003

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigden: mr. D.J.J. Straver en mr. R.J.M. Codrington).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over besluiten op een inzageverzoek van eiseres op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiseres is het niet eens met deze besluiten en heeft beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft met het primaire besluit van 10 oktober 2023 het inzageverzoek van eiseres afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Op 7 maart 2024 heeft het college het verzoek van eiseres toegewezen en de bezwaarprocedure mede gericht tegen dit besluit. Met de bestreden besluiten I (van 3 april 2024) en II (van 16 april 2024) heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het inzageverzoek gehonoreerd. Tegen deze besluiten heeft eiseres beroep ingesteld.
2.1.
Het college heeft op 4 april 2024 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Het college heeft op 28 februari 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.3.
Het college heeft op 1 april 2025 een nadere schriftelijke toelichting ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

3. Eiseres heeft op 21 juli 2023 een inzageverzoek ingediend bij het college. Daarbij heeft zij verzocht om inzage in het dossier van haar zoon ( [persoon A] ) over zijn opvang in de periode 2008 tot 2011. Het college heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om dossierinzage (en niet als inzageverzoek op grond van de AVG). Dit omdat eiseres met een dossierinzage meer inzicht krijgt, zowel inhoudelijke informatie over het dossier als informatie over de verwerking van persoonsgegevens. Eiseres heeft op 26 september 2023 per e-mailbericht laten weten ook AVG-inzage te wensen. Met het primaire besluit heeft het college het inzageverzoek van eiseres afgewezen, omdat met de dossierinzage reeds aan het verzoek van eiseres is voldaan. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 7 maart 2024 heeft het college schriftelijk laten weten het primaire besluit in te trekken en daarbij vermeld dat eiseres alsnog recht heeft op AVG-inzage. Het college heeft in een bijlage bij deze brief een overzicht opgenomen van de verwerkte persoonsgegevens van [persoon A] . Op 3 april 2024 heeft het college het bestreden besluit I genomen en bepaald dat het, voor zover dat nog niet is gebeurd in de brief van 7 maart 2024, voornemens is alsnog een besluit te nemen op het inzageverzoek van eiseres. Dit heeft het college vervolgens gedaan met het bestreden besluit II van 16 april 2024. Daarbij heeft het college het dossier van [persoon A] toegezonden aan eiseres. Het betreft het dossier van zowel de afdeling Participatie en stedelijke zorg als de afdeling Publieke gezondheid.
Wat is het wettelijk kader?
4. In artikel 15 van Pro de AVG is het inzagerecht geregeld. Dit artikel geeft een betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die verwerkte persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van Pro de AVG is dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. [1] Op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG heeft een betrokkene onder meer het recht om inzage te verkrijgen in de verwerkingsdoeleinden, de betrokken categorieën van persoonsgegevens, de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt en de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen. Eiseres heeft verzocht om inzage in verwerkte persoonsgegevens van haar zoon. Partijen zijn het erover eens dat eiseres een betrokkene is in de zin van de AVG.
5. Op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke, in dit geval het college, de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Dit betekent niet dat het college verplicht is om een kopie van de documenten, waarin de persoonsgegevens voorkomen, te verstrekken. Het college mag dat doen, maar mag ook voor een andere vorm kiezen, als met die gekozen vorm aan het doel van artikel 15 van Pro de AVG wordt voldaan. [2]
Waar gaat het om in deze zaak?
6. Waar het in deze procedure om gaat is dat het college zich in het bestreden besluit op het standpunt stelt volledige inzage te hebben gegeven in de persoonsgegevens van [persoon A] als bedoeld in de AVG. De rechtbank moet aan de hand van wat eiseres aanvoert beoordelen of dat standpunt juist is.
7. Eiseres voert aan dat het college over meer stukken beschikt dan zij heeft ontvangen. Het is voor haarzelf en haar zoon belangrijk dat zij inzage verkrijgen in alle stukken waarin zijn persoonsgegevens voorkomen, omdat informatie in het dossier niet klopt. [persoon A] zou volgens de stukken vrijwillig zijn overgegaan naar een GGZ-instelling in Beilen, terwijl van vrijwilligheid volgens eiseres geen sprake was. Op zitting heeft eiseres specifiek naar een tweetal stukken verwezen die zij in haar bezit heeft, maar niet in de verstrekte stukken van het college zitten. Het betreft een op verzoek van de gemeente ingediende lijst met namen van behandelaars van zorginstellingen. Daarnaast heeft eiseres verwezen naar een brief van de psychiater waarin reiskosten van eiseres van en naar de zorginstelling in Beilen worden vergoed in de periode 2009-2010.
Wat is het beoordelingskader?
8. In het geval een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, het document toch onder het bestuursorgaan berust. Het bestuursorgaan moet inzichtelijk maken dat voldoende zorgvuldig onderzoek is gedaan. Hierbij hoort ook dat het bestuursorgaan moet onderzoeken of de gevraagde documenten (hebben) bestaan en bij hem hadden behoren te berusten. Dit is vaste rechtspraak. [3]
Wat oordeelt de rechtbank?
De verstrekte namen van behandelaars en brief met betrekking tot reiskosten
9. Ten aanzien van de door eiseres genoemde lijst van behandelaars en brief over de reiskosten van en naar de zorginstelling in Beilen overweegt de rechtbank het volgende. Het college heeft met de toelichting op zitting aannemelijk gemaakt dat deze stukken niet naar boven zijn gekomen bij de inventarisatie van verwerkte persoonsgegevens van [persoon A] . Het college heeft toegelicht dat in de zoektocht naar verwerkte persoonsgegevens is gezocht op gegevens die direct te koppelen zijn aan [persoon A] , zoals zijn naam, geboortedatum en BSN. De gegevens die hieraan zijn gekoppeld, zijn verstrekt aan eiseres. Het college heeft verder toegelicht dat het in de systemen niet op namen van behandelaars kan zoeken, omdat de gegevens niet per behandelaar worden opgeslagen, maar per cliënt/patiënt (zoals in dit geval [persoon A] ). Om die reden komt een door eiseres (en niet door [persoon A] ) ingediende lijst met namen van behandelaars niet naar voren. Ten aanzien van de brief van de psychiater heeft de gemachtigde van het college op zitting toegelicht dat deze brief waarschijnlijk een aanvraag betreft die namens eiseres is ingediend bij een andere afdeling dan de afdeling Zorg (de afdeling Inkomen). De aanvraag ziet op eiseres, en niet [persoon A] , zodat de brief om die reden niet naar boven is gekomen in de zoektocht naar persoonsgegevens van [persoon A] .
De verwerkte persoonsgegevens bij de afdeling Participatie en stedelijke zorg
10. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college ervoor kiezen om eiseres in de primaire fase inzage te geven in het dossier van [persoon A] op grond van de Wmo (in plaats van de AVG) van de afdeling Participatie en Stedelijke zorg. Dit omdat deze afdeling taken verricht op grond van de Wmo en artikel 5.3.2 van de Wmo regelt dat desgevraagd inzage in en afschrift(en) verstrekt van de bescheiden waarover zij met betrekking tot de betrokkene beschikken. Het college heeft aan eiseres alle beschikbare digitale stukken vanuit deze afdeling (die betrekking hebben op [persoon A] ) verstrekt. Over de verzochte periode (2008-2011) zijn geen stukken verstrekt aan eiseres. In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat de privacy officer is verzocht nader onderzoek te verrichten naar fysieke stukken uit de periode 2008-2011. Uit een nadere zoekslag is gebleken dat die er niet zijn. Het college heeft uitgezocht en nagevraagd bij de bij de betrokken afdelingen dat alle dossiers die er zijn, digitaal zijn gemaakt en dat eiseres daarmee over alle relevante dossierstukken bezit. Er is daarnaast aanvullend gezocht in een dossierregistratiesysteem dat in het verleden is gebruikt door Maatschappelijke ondersteuning (e-Vita). Daar zijn geen nadere stukken gevonden die betrekking hebben op [persoon A] . De rechtbank is van oordeel dat het college tijdens deze beroepsprocedure inzichtelijk en afdoende heeft toegelicht dat zorgvuldig onderzoek is verricht naar de beschikbare verwerkte persoonsgegevens.
De verwerkte persoonsgegevens bij de GGD
11. Gelet op rechtsoverweging 4 mocht het college volstaan met het verstrekken van een overzicht van verwerkte persoonsgegevens met bijlage A bij de brief van 7 maart 2024.
12. Wel heeft een archivaris van de GGD tijdens de beroepsprocedure aanvullend onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van meer stukken over [persoon A] . Uit een nadere toelichting van het college over dit aanvullend onderzoek blijkt dat een delegatie, waaronder de privacy officer van de GGD, het fysieke GGD-archief heeft bezocht en heeft gezocht aan de hand van inventarisatielijsten op OGGZ, Beilen, Drenthe, PGA (persoonsgerichte aanpak), toeleidingscommissie. Daarnaast is in archieven van de P- en K-schijf gezocht. Los van beleidsstukken en stukken van organisaties en antwoorden vanuit de GGD zijn geen cliëntdossiers (en daarmee ook verwerkte persoonsgegevens van [persoon A] ) aangetroffen. Wel zijn naar aanleiding hiervan aanvullende stukken verstrekt. De rechtbank oordeelt dat het college over dit aanvullende onderzoek tijdens deze beroepsprocedure ook inzichtelijk en afdoende heeft toegelicht dat zorgvuldig onderzoek is verricht..
13. Met inachtneming van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek, stelt de rechtbank in vast dat het college in de besluitvorming inzage heeft gegeven in dossierstukken, dan wel een overzicht heeft verstrekt van (de verwerking van) de persoonsgegevens van [persoon A] . Gedurende de beroepsprocedure heeft het college een aanvullende zoekslag verricht en nadere stukken verstrekt, en een toelichting op de zoekslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit overzicht niet compleet is of dat het college meer documenten had moeten verstrekken.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op het standpunt van het college in het eerste verweerschrift van 4 april 2024, en het uitgevoerde aanvullende onderzoek, bevatten de bestreden besluiten (van 3 april 2024 en 16 april 2024) een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Eiseres heeft namelijk een reden gehad om beroep in te stellen, nu naar aanleiding van het aanvullend onderzoek tijdens de beroepsprocedure aanvullende stukken zijn verstrekt en een aanvullende motivering is gegeven over de hoe en waar is gezocht naar persoonsgegevens. [4]
15. Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres gegrond is omdat de besluiten van 3 april 2024 en 16 april 2024 in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. [5] De rechtbank zal deze besluiten vernietigen, maar laat de rechtsgevolgen in stand, omdat het college de gebreken in beroep heeft hersteld. [6] Concreet betekent dit voor eiseres dat haar inzageverzoek blijft toegewezen, met inbegrip van wat het college in beroep heeft toegevoegd aan nadere informatie.
16. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn
17. Eiseres heeft op zitting aangevoerd dat de besluitvorming onredelijk lang duurt. De rechtbank heeft dit opgevat als een verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Een partij kan daarvoor in aanmerking komen als hij of zij door de lange behandelduur van een zaak spanning en frustratie heeft gehad.
18. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgehandeld. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding wordt een tarief gehanteerd van € 500,- per half jaar (naar boven afgerond) waarmee die termijn is overschreden. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment dat het bestuursorgaan (in dit geval het college) een bezwaarschrift ontvangt. [7]
19. Het bezwaarschrift van eiseres is bij het college ingekomen op 15 oktober 2023 (waarna de beslissingen op bezwaar volgden op 3 en 16 april 2024). In dit geval ligt er tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en het doen van uitspraak in eerste aanleg een periode van 2 jaar en 5 maanden. Gelet op rechtsoverweging 17 is de redelijke termijn dus in beginsel overschreden met 5 maanden (afgerond naar boven een half jaar). Deze overschrijding leidt tot een bedrag aan schadevergoeding van € 500,-. Naar het oordeel van de rechtbank is de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak toe te rekenen aan het college. De behandeling in bezwaar heeft een half jaar geduurd. De behandeling in beroep heeft langer dan anderhalf jaar geduurd. Weliswaar heeft de beoordeling in beroep (te) lang geduurd, maar bij de toerekening aan het college betrekt de rechtbank dat het college bij eerste verweerschrift op 4 april 2024 heeft verzocht het interne aanvullende onderzoek naar verwerkte persoonsgegevens af te willen wachten. Daarover heeft het college de rechtbank (pas) op 28 februari 2025 nader bericht, dus krap 10 maanden later. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college.
20. Bij het verzoek om schadevergoeding is verder niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de besluiten van 3 april 2024 en 16 april 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. ECLI:NL:RVS:2023:394, te raadplegen via www.rechtspraak.nl.
2.Vgl. ECLI:NL:RVS:2022:647, te raadplegen via www.rechtspraak.nl.
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:1040 te raadplegen via www.rechtspraak.nl.
4.Zie hiervoor de rechtsoverwegingen 10 tot en met 13.
5.Awb = Algemene wet bestuursrecht.
6.De rechtbank past hiermee artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb toe.
7.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2014:188 en ECLI:NL:RVS:2023:3846, te raadplegen via www.rechtspraak.nl.