ECLI:NL:RVS:2023:3846
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure
In deze zaak heeft appellant een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De procedure betrof een bezwaar- en beroepsprocedure bij de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De redelijke termijn begon te lopen op 17 april 2020 bij ontvangst van het pro-forma bezwaarschrift. De NIWO behandelde het bezwaar binnen de redelijke termijn van zes maanden, maar de Afdeling bestuursrechtspraak deed pas uitspraak op 22 maart 2023, ruim 2 jaar en 8 maanden later. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaar voor de gehele procedure met ongeveer 11 maanden overschreden.
De overschrijding wordt volledig toegerekend aan de Afdeling bestuursrechtspraak, omdat de behandeling van het beroep langer dan anderhalf jaar duurde. De Afdeling veroordeelt de Staat tot betaling van een forfaitaire vergoeding van €1.000,- voor immateriële schade en tot vergoeding van proceskosten van €418,50.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. H.C.P. Venema en is op 18 oktober 2023 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000,- schadevergoeding en €418,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.