Eiser heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor een benedenwoning vanwege gezondheidsproblemen, waaronder een hersen- en hartinfarct, omdat hij met zijn gezin op een bovenwoning zonder lift woont. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af op basis van een medisch advies van een verzekeringsarts, die concludeerde dat eiser geen ernstige, blijvende aandoening heeft en geen dringende noodzaak tot verhuizing binnen drie maanden bestaat.
Eiser maakte bezwaar en stelde dat het medisch advies onvoldoende was gemotiveerd en niet actueel, en dat hij niet adequaat is gehoord. De rechtbank oordeelt dat het college terecht is uitgegaan van het zorgvuldige en begrijpelijke medisch advies, dat eiser persoonlijk is onderzocht en dat eiser geen aanvullende medische stukken heeft overgelegd. Ook is het recht op horen niet geschonden omdat het college voldoende pogingen heeft gedaan om contact te leggen.
Verder stelde eiser dat de hardheidsclausule onjuist is toegepast, maar de rechtbank stelt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat zijn situatie schrijnend of uitzonderlijk is. De afwijzing van de urgentieverklaring blijft daarom in stand. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen urgentieverklaring.