ECLI:NL:RBROT:2026:175

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/9511
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 6:22 AwbArt. 3:2 AwbArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering overname private schuld wegens ontbreken authentieke buitenlandse akte

Eiser verzocht de minister om overname van een private schuld van €98.000,- op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister wees dit af omdat het ingediende document niet voldeed aan de eis van een authentieke notariële akte, zoals vereist voor informele schulden.

De rechtbank oordeelde dat de minister de informele schuld niet hoefde over te nemen omdat niet was komen vast te staan dat sprake was van een authentieke buitenlandse akte. Wel was sprake van een motiveringsgebrek omdat de minister eiser niet in de gelegenheid had gesteld het document te legaliseren, wat de rechtbank als een schending van de hoorplicht kwalificeerde. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat eiser geen nadeel had geleden.

Eiser kon vanwege de oorlog in Rusland het document niet legaliseren en kon ook geen deskundigenverklaring overleggen. De rechtbank concludeerde dat het document onvoldoende bewijs vormde voor het bestaan van een authentieke akte en dat de minister terecht de schuld niet overnam. Verzoeken tot toepassing van de hardheidsclausule en het oproepen van de schuldeiser als getuige werden afgewezen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens het motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Hendrik-Ido-Ambacht, eiser

(gemachtigde: mr. N. Rachid),
en

De Minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: mr. S. Salhi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de overname van een private schuld van eiser. De minister heeft geweigerd het ingediende bedrag over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de informele schuld niet over hoeven te nemen, omdat niet vast is komen te staan dat sprake is van een authentieke buitenlandse akte. Wel had de minister eiser in de gelegenheid moeten stellen om het door hem overgelegde document te legaliseren, waardoor het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 mei 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser om de schuld aan [naam 3] over te nemen, afgewezen. Met het besluit van 8 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. T.P. Monteiro Mendonça als waarnemer van de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2.3.
De rechtbank heeft op 16 juli 2025 het onderzoek heropend en eiser de gelegenheid gegeven de authenticiteit van de notariële akte nader te onderbouwen. Eiser heeft gereageerd op 7 augustus 2025. De minister heeft gereageerd op 17 september 2025.
2.4.
Aan partijen is gevraagd of zij een nadere zitting wensten. Eiser heeft aangegeven dat hij een tweede zitting wenste. De rechtbank heeft het onderzoek daarom voortgezet op de zitting van 8 december 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. T.P. Monteiro Mendonça als waarnemer van de gemachtigde van eiser, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de overname van een schuld van € 98.000,- aan [naam 3]. De minister heeft de schuld niet overgenomen omdat het een informele schuld betreft. Op basis van artikel 4.1, derde lid, sub b van de Wht kan een informele schuld door de minister worden overgenomen, voor zover deze is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Eiser heeft om de schuld te onderbouwen een in de Russische taal opgemaakt ontvangstbewijs overgelegd, die door een Russische notaris is bestempeld. Dit document kan volgens de minister niet worden gelijkgesteld met een notariële akte.

Toetsingskader

4. De minister neemt op aanvraag een geldschuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [1] Voor zogenoemde informele schulden geldt als aanvullend vereiste dat deze moeten zijn vastgelegd in een notariële akte of moeten volgen uit een rechterlijke uitspraak. [2] Een al betaalde schuld kan mogelijk alsnog in aanmerking komen voor vergoeding als de ouder of toeslagpartner eerst een herstelbedrag heeft ontvangen en daarna een geldschuld (gedeeltelijk) heeft betaald, welke anders door de minister zou zijn betaald op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wht. [3]

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister terecht de schuld van eiser niet heeft overgenomen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Hoorplicht
5.1.
Voordat de rechtbank aan de inhoudelijke beoordeling toekomt, behandelt de rechtbank de beroepsgrond van eiser dat de minister de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden. De minister heeft erkend dat de hoorplicht geschonden is en heeft verzocht deze beroepsgrond te passeren met artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is van oordeel dat eiser op de twee zittingen bij de rechtbank alles naar voren heeft kunnen brengen wat hij over deze zaak wilde zeggen. Het heeft geen toegevoegde waarde om eiser alsnog door de minister in bezwaar te laten horen. De beroepsgrond slaagt, maar de rechtbank zal het gebrek in de besluitvorming van de minister passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb omdat eiser geen nadeel heeft geleden.
Heeft de minister terecht de schuld aan [naam 3] niet overgenomen?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte de schuld aan [naam 3] niet heeft overgenomen. Hij stelt daartoe dat het door hem overgelegde document wel voldoet aan alle vereisten die de Nederlandse wet stelt aan een notariële akte. De wetgever heeft niet expliciet bepaald dat buitenlandse notariële aktes zijn uitgesloten van de regeling. Daarbij gaat het uitsluiten van buitenlandse notariële aktes in tegen de geest van de wet. Ook verwijst eiser naar een uitspraak van rechtbank Midden-Nederland [4] , waarin is bepaald dat de minister onvoldoende heeft aangetoond dat de Wet op het notarisambt van toepassing is op deze procedure. Daar komt bij dat het door hem overgelegde document voldoet aan alle vereisten die de Nederlandse wet stelt aan een notariële akte.
6.1.
Volgens de minister moet de notariële akte waarin een informele schuld is vastgelegd, voldoen aan de eisen van de Wet op het notarisambt. De minister stelt zich op het standpunt dat daar met dit document niet aan wordt voldaan. Er is geen expliciete verklaring opgenomen dat door de notaris toezicht is gehouden op het passeren van de akte of dat de partijen de akte in het bijzijn van de notaris hebben ondertekend. Het document wordt gepresenteerd als een ontvangstbewijs en niet als een formele akte van geldlening.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat in de Wht niet is opgenomen dat een buitenlandse akte aan de Wet op het notarisambt moet voldoen. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag voor deze eis van de minister. In zoverre is het beroep gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank kan een buitenlandse notariële akte gelegaliseerd worden bij de ambassade van het desbetreffende land op grond van artikel 2 van Pro het Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten, of door het verkrijgen van een apostille (of een e-apostille), als bedoeld in artikel 4 van Pro dat verdrag. De minister had naar het oordeel van de rechtbank eiser hiertoe in de gelegenheid kunnen en moeten stellen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek na de zitting heropend om dit gebrek in de besluitvorming van de minister te herstellen. De rechtbank heeft eiser, nu Rusland partij is bij het voornoemde verdrag, in de gelegenheid gesteld om het door hem overgelegde document te legaliseren. Het is aan hem om aannemelijk te maken dat het document een notariële akte is die overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt. De rechtbank heeft eiser verder de mogelijkheid geboden om, indien de legalisatie van de buitenlandse akte niet mogelijk blijkt te zijn, de echtheid van het document nader te onderbouwen (bijvoorbeeld door het overleggen van een deskundigenverklaring over de echtheidskenmerken).
6.3.
Met de brief van 7 augustus 2025 heeft eiser te kennen gegeven dat legalisatie van de buitenlandse notariële akte of het verkrijgen van een apostille niet mogelijk is omdat hij alleen beschikt over een digitale kopie. Vanwege de oorlog in Rusland kan hij niet afreizen naar dat land. Verder heeft eiser te kennen gegeven dat een deskundigenonderzoek minimaal € 1.089,- zou kosten. Deze kosten kan eiser niet dragen.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een authentieke buitenlandse akte. Daarmee is niet aan de eis van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht voldaan voor het overnemen van een informele schuld. De eis van de notariële akte als bewijs van het bestaan van een informele schuld en van betalingsafspraken is bewust in de wet opgenomen, om zoveel mogelijk zeker te stellen dat alleen daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. [5] Enkel op basis van het door eiser overgelegde document kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld. De Wht is een wet in formele zin. Dit betekent dat de rechtbank deze bepaling niet aan het evenredigheidsbeginsel kan toetsen omdat artikel 120 van Pro de Grondwet hieraan in de weg staat. De rechtbank kan daarom niet tot een andere conclusie komen dan dat de private schuld in beginsel niet in aanmerking komt voor overname door de minister. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Gezien het voorgaande kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel door eiser evenmin slagen nu eiser niet heeft kunnen onderbouwen dat sprake is van een authentieke buitenlandse akte.
Had de minister aanleiding moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen?
7. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom de hardheidsclausule toepassing zou moeten vinden. Op grond van artikel 9.1 van de Wht kan van de voorwaarden voor schuldoverneming worden afgeweken, als toepassing van die voorwaarden vanwege bijzondere schrijnende omstandigheden leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Zo kan op grond van rechtspraak het mogelijk zijn dat zich bijzondere situaties voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast. [6] Dit kan bijvoorbeeld als aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Door eiser zijn geen andere authentieke documenten overgelegd waardoor dit niet aan de orde is. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat bij hem sprake is van actuele schrijnende omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Bij schrijnende omstandigheden kan gedacht worden aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. [7] Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden, en ook vaak hebben geleid, en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet echter gaan om actuele omstandigheden. Eiser heeft op de zitting verteld dat hij parttime zorg draagt voor een gehandicapt kind. Eiser woont bij familie en verdient zijn geld met allerlei verschillende werkzaamheden. Eiser heeft zijn persoonlijke omstandigheden niet nader onderbouwd. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de lastige situatie waarin eiser zich bevindt, is het de rechtbank niet gebleken dat sprake is van actuele, schrijnende omstandigheden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Afwijzing verzoek om [naam 3] als getuige op te roepen in deze zaak
8. Eiser heeft op de nadere zitting van 8 december 2025 de rechtbank verzocht de schuldeiser [naam 3] op te roepen als getuige. Hij zou kunnen verklaren over het bestaan van de schuld. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding en zal dit nader motiveren.
8.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om [naam 3] op te roepen om (onder ede) te getuigen over het bestaan van de schuld. Zoals hiervoor is overwogen, is eiser er niet in geslaagd om aan te tonen dat de (gestelde) notariële akte een authentieke buitenlandse akte is. Op basis van artikel 4.1, derde lid, aanhef en sub b, van de Wht is dit wel vereist. Wanneer de schuldeiser zou verklaren over het bestaan van de schuld maakt nog niet dat aan dit vereiste is voldaan. Zoals hiervoor genoemd, kan toepassing worden gegeven aan de hardheidsclausule als aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Een verklaring van [naam 3] zou, naar het oordeel van de rechtbank, gezien het belang dat hij heeft bij de uitkomst van deze procedure, op zichzelf ook geen dergelijk (authentiek) document opleveren en de twijfel over het bestaan van de schuld wegnemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het oproepen van de schuldeiser als getuige redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daar komt bij dat eiser zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is en dat het verzoek erg laat is gedaan. Op de nadere zitting heeft (de gemachtigde van) eiser verklaard dat pas die ochtend is besproken om de rechtbank te verzoeken de schuldeiser op te roepen als getuige. Het verzoek had reeds op de zitting van 23 juni 2025 gedaan kunnen worden, bij het verzoek van 22 oktober 2025 van eiser om een nadere zitting, echter in ieder geval uiterlijk bij het telefonisch contact kort voor de zitting over de doorgang van de zitting. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit te meer daar blijkbaar de enige reden voor de nadere zitting het doen van dit verzoek was.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gelet op overweging 6.2 gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb. Nu de rechtbank eiser in beroep in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog het document te legaliseren en eiser dit niet heeft kunnen doen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand. Dat betekent dat de minister terecht de private schuld van eiser niet heeft overgenomen.
10. Vanwege schending van de geconstateerde gebreken (schending hoorplicht en het niet in de gelegenheid stellen om de akte te laten legaliseren) dient de minister wel het griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden. Ook moet de minister de proceskosten van eiser betalen. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de proceskosten vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 8 oktober 2024 in stand blijven;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wht.
2.Artikel 4.1, derde lid, aanhef en sub b, van de Wht.
3.Artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.
4.Zie de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 16 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:954.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, r.o. 19.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, r.o. 24.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.