ECLI:NL:RBROT:2026:1092

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4782
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstandsuitkering wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard om haar bijstandsuitkering toe te kennen met ingang van 17 januari 2025, terwijl zij een eerdere ingangsdatum van 1 december 2024 wenste. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of het college de uitkering met terugwerkende kracht had moeten toekennen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres zich op 17 januari 2025 bij het college heeft gemeld om de bijstandsuitkering aan te vragen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Eiseres heeft aangevoerd dat de waarde van haar auto ten onrechte te hoog was vastgesteld bij een eerdere aanvraag en dat het recht op uitkering sinds de eerste aanvraag niet ter discussie staat. Dit verweer faalt omdat het college heeft aangetoond dat de eerdere aanvraag is afgewezen vanwege partneralimentatie en een te hoog saldo op spaar- en bankrekeningen, en eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen die afwijzing.

De rechtbank volgt de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, maar niet eerder dan de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die een eerdere datum rechtvaardigen, is het beroep ongegrond verklaard. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ingangsdatum van de bijstandsuitkering op 17 januari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.F.J. van den Hoek),
en

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, het college

(gemachtigde: M.J. de Jonge).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met de ingangsdatum van de aan haar toegekende bijstandsuitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bijstandsuitkering vanaf 1 december 2024 had moeten toekennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering terecht per 17 januari 2025 heeft toegekend
.Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 17 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college eiseres per 17 januari 2025 een bijstandsuitkering toegekend.
2.1.
Met het besluit van 19 mei 2025 (het bestreden besluit) is het college bij deze toekenning per 17 januari 2025 gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R.E. Gout de Kreek als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 17 januari 2025 bij het college een aanvraag om een uitkering op grond van de Pw ingediend. Zij heeft daarbij 1 december 2024 als gewenste ingangsdatum genoemd.
3.1.
Volgens het college moet de ingangsdatum 17 januari 2025 zijn omdat eiseres zich op die datum bij het college heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen. Er zijn volgens het college geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat een andere datum wordt gehanteerd.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres betoogt - kort weergegeven - dat haar ten onrechte wordt tegengeworpen dat ze geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen de eerdere afwijzing van 14 december 2024 vanwege een beweerdelijk te hoog vermogen, nu zij inmiddels aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van haar auto te hoog was vastgesteld. Eiseres betoogt dat het recht op uitkering sinds de eerste aanvraag niet ter discussie staat. Er was voor het college alle reden de uitkering per 1 december 2024 in te laten gaan, aldus eiseres.
Het oordeel van de rechtbank
5. In artikel 44, eerste lid, van de Pw is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen. [2]
6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijstandsuitkering per 1 december 2024 wordt toegekend. Eiseres heeft bij de aanvraag van 17 januari 2025 aangegeven dat zij vanwege de feestdagen niet eerder de aanvraag heeft kunnen indienen. Dit is geen reden om met terugwerkende kracht eiseres een bijstandsuitkering toe te kennen. Niet is gebleken dat eiseres vanwege bijzondere omstandigheden niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen.
7. In zoverre eiseres aanvoert dat bij de beoordeling van haar eerdere bijstandsaanvraag de waarde van haar auto te hoog was vastgesteld, kan haar dat niet baten. Het college heeft immers onweersproken aangevoerd dat de aanvraag van 15 oktober 2024 is afgewezen omdat eiseres toen nog partneralimentatie ontving en dat reeds uit de spaar-en bankrekeningen van eiseres een hoger saldo bleek dan het voor haar toepasselijke vrij te laten vermogen. Tegen de afwijzing van die eerdere aanvraag heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend. Het besluit staat in rechte vast.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:416.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:159.