ECLI:NL:RBROT:2026:1026

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/10/697283 / HA ZA 25-292
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:79 BWArt. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:107 BWArt. 3:108 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffing erfdienstbaarheid uitweg en verjaringsverklaring leidingen

Partijen zijn eigenaren van aangrenzende percelen in Oostvoorne. Er bestaat sinds de jaren vijftig een erfdienstbaarheid van uitweg ten gunste van de gedaagden over het perceel van eiser. Eiser vordert opheffing van deze erfdienstbaarheid omdat gedaagden volgens hem geen belang meer hebben, nu zij meerdere uitwegen zouden hebben. Gedaagden verzetten zich hiertegen en vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan voor het hebben van leidingen op het perceel van eiser.

De rechtbank oordeelt dat gedaagden een redelijk belang hebben bij het behoud van de erfdienstbaarheid, omdat zij en hun gasten dagelijks gebruik maken van de toegangsweg en de alternatieven niet gelijkwaardig zijn. De stelling dat gedaagden misbruik maken van hun bevoegdheid wordt verworpen. De vordering tot opheffing wordt daarom afgewezen.

Ten aanzien van de vordering in reconventie stelt de rechtbank dat gedaagden onvoldoende feiten hebben gesteld om te bewijzen dat zij of hun rechtsvoorgangers de erfdienstbaarheid voor leidingen gedurende 20 jaar openlijk en niet dubbelzinnig hebben bezeten. Hierdoor is niet voldaan aan de stelplicht en wordt ook deze vordering afgewezen.

Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten, waarbij eiser de kosten in conventie en gedaagden die in reconventie dragen. Het vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en op 28 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot opheffing van de erfdienstbaarheid en tot verklaring van verjaring af en veroordeelt partijen in hun proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
zaaknummer: C/10/697283 / HA ZA 25-292
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in Oostvoorne,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M. van Gastel te Hellevoetsluis,
tegen

1.[gedaagde 1],2. [gedaagde 2],

beiden wonend in Oostvoorne,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. N.D. Wassink te Zoetermeer.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn eigenaren van naast elkaar gelegen percelen. In het verleden is een erfdienstbaarheid van uitweg gevestigd op basis waarvan [gedaagden] over (een pad op) het perceel van [eiser] van en naar de openbare weg mogen komen en gaan. [eiser] vordert in deze procedure opheffing van die erfdienstbaarheid, omdat [gedaagden] daar volgens hem geen belang meer bij hebben nu zij nog twee andere uitwegen zouden hebben. [gedaagden] zijn het daar niet mee eens en voeren verweer. Zij stellen daarnaast een tegenvordering in: [gedaagden] vorderen een verklaring voor recht dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan tot het hebben van leidingen in de grond waarop het recht van uitweg is gevestigd. [eiser] is het daar op zijn beurt niet mee eens en voert daartegen verweer. De rechtbank wijst de vorderingen van beide partijen af en licht dat hierna toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 maart 2025, met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10;
- de oproepingsbrief van de rechtbank van 6 juni 2025;
- de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda van 21 augustus 2025;
- de aanvullende producties 11 en 12 van [gedaagden];
- de mondelinge behandeling van 31 oktober 2025 en de daar door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is sinds 2007 eigenaar van het perceel met nummer 2898 met daarop een woning aan de [straatnaam 1] 2 in Oostvoorne.
3.2.
[gedaagden] zijn sinds 2015 eigenaar van de percelen met nummers [perceel 1] en [perceel 2] met daarop, op perceel [perceel 1], een woning aan de [adres].
3.3.
De percelen van partijen grenzen aan elkaar.
3.4.
Er geldt sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw een erfdienstbaarheid van uitweg op basis waarvan [gedaagden] via (een strook op) het perceel van [eiser] mogen komen van en gaan naar de [straatnaam 1], de openbare weg (hierna: de erfdienstbaarheid). In de leveringsakte met betrekking tot het perceel van [eiser] uit 2007 is daarover het volgende opgenomen:
“Ten aanzien van bekende bijzondere verplichtingen en/of erfdienstbaarheden betreffende het gekochte wordt verwezen naar een akte van verkoop en koop, op zesentwintig januari
negentienhonderd tweeënzestig verleden voor [naam 1], destijds notaris te Brielle,
overgeschreven ten Hypotheekkantore te Rotterdam, op negenentwintig januari negentienhonderd tweeënzestig in deel 3441 nummer 113, waarin onder meer woordelijk is vermeld:
“dat bij akte op twee en twintig September negentienhonderd een en vijftig voor mij, notaris, verleden, bij afschrift overgeschreven ten Hypotheekkantore te Brielle op diezelfde dag, in deel 580 nummer 33, in verband met een akte op een en dertig October negentienhonderd drie en vijftig voor mij, notaris verleden, bij afschrift overgeschreven ten gemelde Hypotheekkantore op dienzelfde dag, in deel 595 nummer 134, ten nutte van het aan genoemde Mevrouw Nieuwenhuyse -Wandemaker toebehorende perceel kadastraal bekend [perceel 3] en ten laste van het bij deze verkochte perceel nummer 2898 werd gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg om te komen van en te gaan naar de [straatnaam 1], welke kadastraal bekend is [perceel 5];
dat die erfdienstbaarheid voortaan voorzoveel de percelen nummer [perceel 3] en [perceel 4] betreft, echter zal kunnen worden uitgeoefend tot een twintig centimeter mindere breedte dan tot dusverre het geval was, welke twintig centimeter gelegen zijn langs de ongeveer Noord-Oostelijke buitenmuur van het bij deze verkochte huis.”
Daarbij moet worden opgemerkt dat het in dit citaat genoemde perceel [perceel 3] nu niet meer bestaat, maar grotendeels gelijk is aan het huidige [perceel 1] van [gedaagden]
3.5.
[eiser] heeft onderstaande luchtfoto met arceringen en bijschrijvingen overgelegd, waaruit de situatie ter plaatse blijkt:
3.6.
Op de hierboven opgenomen luchtfoto en op de hieronder ingevoegde kadastrale kaart zijn, in verband met anonimisering ten behoeve van openbare publicatie van het vonnis, de kadastrale nummers en namen weggelakt en is [perceel 6] aangeduid met letter “A”, perceel [perceel 1] met letter “B”, [perceel 2] met letter “C”, de [straatnaam 1] met “weg 1” , de [straatnaam 2] met “weg 2” en de [straatnaam 3] met “weg 3”.
3.7.
In 2013 hebben de vorige eigenaren van de woning aan de [adres], [naam 2] en [naam 3] (hierna samen: [vorige bewoners]), destijds eigenaren van de percelen [perceel 1] en [perceel 7], aan Proboca Onroerend Goed B.V. (hierna: Proboca) perceel [perceel 7] verkocht en van haar [perceel 2] gekocht. [perceel 2] grenst aan de openbare weg de [straatnaam 2]. Hieronder wordt een uitsnede uit de door [eiser] overgelegde kadastrale kaart opgenomen, waaruit de ligging van de percelen blijkt – perceel [perceel 7] bestaat nu niet meer:
3.8.
In 2019 is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd op basis waarvan [gedaagden] vanaf de achterkant van hun perceel [perceel 1] via een pad op de daarachterliggende gemeentegrond – zie de hoek linksonder op bovenstaande foto en kaart – op de [straatnaam 1] mogen komen en andersom. Een dergelijke erfdienstbaarheid was in 1994 al gevestigd voor de duur van 25 jaar. De huidige erfdienstbaarheid is gevestigd voor onbepaalde tijd, maar is door de gemeente opzegbaar ten behoeve van eventuele ontwikkeling van haar grond.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eiser] vordert in conventie – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de erfdienstbaarheid op te heffen bij gebrek aan belang;
2. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis, en de nakosten.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[gedaagden] vorderen in reconventie – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht te verklaren dat er door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan tot het hebben van leidingen in de grond lopende vanaf de woning gelegen aan de [straatnaam 1]
2 A tot aan de openbare weg, de [straatnaam 1], ten laste van [perceel 6] en ten behoeve van de woning aan de [adres] ter plaatse van het reeds bestaande pad waar de erfdienstbaarheid is gevestigd;
2. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.
4.5.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
5.1.
[eiser] vordert in conventie opheffing van de erfdienstbaarheid. Daaraan legt hij – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagden] hebben geen belang meer bij de uitoefening daarvan, omdat:
  • Proboca het door de overdracht van [perceel 2] aan [vorige bewoners] mogelijk heeft gemaakt dat zij een nieuwe uitweg kregen (via de [straatnaam 2]), die er ook is gekomen;
  • de afstand of reistijd vanaf het perceel van [gedaagden] naar de [straatnaam 2] (nagenoeg) gelijk is aan die naar de [straatnaam 1];
  • [gedaagden] in 2019 een extra erfdienstbaarheid via de grond van de gemeente naar de [straatnaam 1] geregeld hebben, waarmee zij te kennen hebben gegeven dat zij geen belang (meer) hechten aan de erfdienstbaarheid. [gedaagden] hebben nu drie uitwegen – twee via de [straatnaam 1] en een via de [straatnaam 2] – zodat die via het perceel van [eiser] kan komen te vervallen;
  • opheffing van de erfdienstbaarheid niet tot gevolg heeft dat [gedaagden] een deel van hun eigen terrein zullen moeten gebruiken als oprit en een deel van hun tuin hoeven te missen; daarvoor was nu juist de verkoop van [perceel 2] gerealiseerd;
  • [gedaagden] ook gebruikmaken van de uitwegen naar de [straatnaam 2] en die via de gemeentegrond en daarmee te kennen geven geen belang meer te hechten aan de uitweg via het perceel van [eiser];
  • [eiser] belemmerd wordt in de mogelijkheid om op de plaats van de strook grond waarop het recht van erfdienstbaarheid is gevestigd een garage of een uitbreiding van zijn woning te bouwen.
[gedaagden] maken misbruik van hun bevoegdheid door niet aan de opheffing van de erfdienstbaarheid te willen meewerken. [eiser] verwijst in dat kader naar de door hem gestelde afspraak tussen Proboca en [vorige bewoners] dat een nieuwe uitweg zou worden aangelegd naar de (toen nog aan te leggen) [straatnaam 2] onder de voorwaarde dat geen gebruik meer zou worden gemaakt van de uitweg over het perceel van [eiser]. Deze afspraak zou hebben geleid tot het creëren van [perceel 2] en had tot doel de erfdienstbaarheid te laten vervallen.
5.2.
[gedaagden] voeren daartegen – samengevat – het volgende aan. [gedaagden] hebben weldegelijk een groot belang bij handhaving van de erfdienstbaarheid. Het betreft de toegangsweg tot hun woning. Daarvan wordt dagelijks gebruikgemaakt, door henzelf, hun gasten en de postbode. [gedaagden] hebben belang bij een toegangsweg aan de [straatnaam 1], omdat zij wonen aan de
[adres]en het dorp aan de kant van de [straatnaam 1] ligt. De door [eiser] genoemde alternatieven zijn geen reële alternatieven. De uitweg naar de [straatnaam 1] via de gemeentegrond loopt tot de achterkant van de grote achtertuin van [gedaagden], dus niet tot hun woning. Dit pad is bovendien niet hun eigendom; er geldt een (overigens niet nieuwe) erfdienstbaarheid die door de gemeente kan worden opgezegd. Die geeft op lange termijn dus geen zekerheid op toegang naar de [straatnaam 1]. [eiser] suggereert ten onrechte dat sprake is van een uitweg via de [straatnaam 2]. [perceel 2] is niet ingericht – en niet bestemd geweest – als uitrit naar de [straatnaam 2] en wordt daarvoor ook niet gebruikt. Het betreft grasland en is onderdeel van de tuin van [gedaagden] Daarvoor bestaat ook geen uitwegvergunning. Het perceel is door de ondergrondse wateropslag in het verleden bovendien niet geschikt om zo overheen te rijden. Deze groenstrook loopt ook niet naar de [straatnaam 1]. Vanaf de [straatnaam 2] moet je via de [straatnaam 3], wat een best grote en (voor de kinderen) gevaarlijkere weg is, omrijden naar de [straatnaam 1] om bij het dorp te komen. Daarnaast is de afstand tot de openbare weg via de door [eiser] aangedragen alternatieven aanzienlijk langer. [gedaagden] betwisten de door [eiser] gestelde afspraak tussen Proboca en [vorige bewoners] Mocht die al gemaakt zijn, regardeert dit [gedaagden] niet. Zij zijn geen partij bij deze overeenkomst en die heeft geen zakelijke werking. Van misbruik van recht is geen sprake. De belangen van [gedaagden] bij handhaving van de situatie zijn aanzienlijk. Als [gedaagden] van [perceel 2] hun uitrit moeten maken, moeten zij allerlei zaken regelen, wat veel tijd, geld en energie kost. Dat kan niet van hen worden gevergd. Daar staat tegenover dat [eiser] zijn bouwplannen niet kan realiseren, omdat in de strook grond waarop het recht van uitweg rust diverse leidingen van de woning van [gedaagden] liggen.
5.3.
Partijen hebben ter zitting nog op elkaars stellingen gereageerd. Daarop zal, voor zover van belang, hierna nog worden ingegaan.
5.4.
De rechtbank wijst deze vordering af.
5.5.
Volgens artikel 5:79 BW Pro kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf (hier: [eiser]) een erfdienstbaarheid opheffen als de eigenaar van het heersende erf (hier: [gedaagden]) geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. Bij de beoordeling hiervan moet alleen worden gekeken naar het belang van [gedaagden] bij de uitoefening van hun recht; de belangen van [eiser] bij de opheffing spelen geen rol, behalve in geval van misbruik van bevoegdheid. Een redelijk belang ontbreekt alleen als voortzetting van de erfdienstbaarheid voor de gerechtigde (hier: [gedaagden]) niet van betekenis moet worden geacht. Daarvan is niet snel sprake. [1]
5.6.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] een redelijk belang hebben bij de handhaving van de erfdienstbaarheid. Dat is daarin gelegen dat – zoals zij onweersproken hebben aangevoerd – [gedaagden], hun gasten en de postbode dagelijks gebruikmaken van de toegangsweg over het perceel van [eiser] en die gunstig gelegen is ten opzichte van het dorp.
De door [eiser] genoemde alternatieven zijn niet gelijkwaardig aan de erfdienstbaarheid. Ten aanzien van de door [eiser] gestelde uitweg naar de [straatnaam 2] geldt dat die strook grond blijkens de door [gedaagden] overgelegde foto grasland betreft, vaststaat dat daarvoor geen uitwegvergunning is verleend en die verder van het dorp vandaan ligt. De uitweg naar de [straatnaam 1] via de gemeentegrond komt niet uit bij de woning van [gedaagden], maar achterin hun aanzienlijke achtertuin. De stelling van [eiser] dat [gedaagden] door hun tuin langs hun woning kunnen rijden is niet reëel. Daarbij komt dat het gebruik van dat pad is gebaseerd op een erfdienstbaarheid die door de gemeente kan worden opgezegd. Daarmee is evenmin voldaan aan het criterium dat ‘niet aannemelijk is dat het redelijk belang bij de erfdienstbaarheid zal terugkeren’. De enkele stelling van [eiser] dat de kans nihil is dat de gemeente de erfdienstbaarheid opzegt, wat door [gedaagden] betwist wordt, en zijn verwijzing naar het recht van eerste koop van [gedaagden], is in dat kader onvoldoende. Uit het voorgaande blijkt dat de voortzetting van de erfdienstbaarheid voor [gedaagden] wél van betekenis is.
5.7.
Het beroep van [eiser] op misbruik van recht slaagt niet. Daarvan is geen sprake. Indien en voor zover de door [eiser] gestelde afspraak tussen Proboca en [vorige bewoners] al is gemaakt – wat [gedaagden] gemotiveerd betwisten – is dit geen afspraak tussen partijen en heeft die geen zakelijke werking. Het niet uitvoering willen geven aan die gestelde afspraak kan dus geen misbruik van recht door [gedaagden] opleveren.
Proceskosten
5.8.
[eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief € 614,00)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.737,00
in reconventie
5.9.
[gedaagden] vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan tot het hebben van leidingen in de grond waarop het recht van uitweg is gevestigd. Daartoe stellen zij dat in de grond waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd gas-, water-, tv-/internet-, elektriciteitsleidingen en riolering van de woning van [gedaagden] liggen die naar de [straatnaam 1] lopen. Die leidingen zijn in de jaren 70 van de vorige eeuw aangelegd, zodat die daar al langer dan 20 jaar liggen.
5.10.
De rechtbank wijst deze vordering af.
5.11.
Zowel onder het oude recht – het Oud Burgerlijk Wetboek (OBW) dat tot 1992 gold – als onder het huidige recht kan een erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring. [2] Naar oud recht was dit alleen door verkrijgende verjaring mogelijk, naar huidig recht zowel door verkrijgende als bevrijdende verjaring. Naar de rechtbank begrijpt doen [gedaagden] een beroep op de zogenoemde bevrijdende verjaring uit artikel 3:105 BW Pro. Voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is vereist dat iemand die erfdienstbaarheid gedurende 20 jaar bezit, oftewel: houdt voor zichzelf. Of iemand bezitter is van een erfdienstbaarheid wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke regels inzake bezit en op grond van uiterlijke feiten. [3] Er geldt dus een objectieve maatstaf. Het bezit moet ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ zijn. [4] Bezit is ‘niet dubbelzinnig’ wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert een erfdienstbaarheid te hebben. Openbaarheid houdt in dat het bezit niet verborgen mag zijn. De rechthebbende moet ervan op de hoogte kunnen raken zodat hij in staat is de nodige maatregelen ter verhindering van de verjaring te nemen. De verjaringstermijn van 20 jaar begint te lopen de dag na die waarop de niet-rechthebbende bezitter van de erfdienstbaarheid is geworden, oftewel: de erfdienstbaarheid in bezit heeft genomen. [5]
5.12.
[gedaagden] hadden dus voldoende feiten moeten stellen waaruit blijkt dat en wanneer hun rechtsvoorgangers bezitter zijn geworden van de erfdienstbaarheid om leidingen op [perceel 6] te hebben. In het kader daarvan is het voor de vereiste openbaarheid van het bezit van belang te kunnen vaststellen dat en wanneer de rechtsvoorgangers van [eiser] ermee bekend zijn geworden of hadden kunnen zijn dat er leidingen van de [adres] op hun perceel lagen. De enkele stelling van [gedaagden] dat de leidingen er al sinds de jaren 70 van de vorige eeuw liggen, is gelet op het voorgaande onvoldoende. Datzelfde geldt voor hun niet onderbouwde stelling dat van buitenaf zichtbaar is dat daar leidingen in de grond liggen. [gedaagden] hebben daarmee niet voldaan aan hun stelplicht.
5.13.
[gedaagden] zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daartoe worden zij hoofdelijk veroordeeld. [6] De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt × tarief € 614,00)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.737,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
6.4.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
6.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagden] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op
28 januari 2026.
3726 / 1694

Voetnoten

2.Zie de artikelen 742 OBW en 5:72 BW.
3.Zie de artikelen 3:105 lid 1 jo. 3:306 BW, 3:107 lid 1 en 3:108 BW.
4.ECLI:NL:HR:2017:309, r.o. 3.3.2.
5.Zie de artikelen 3:314 lid 2, 3:112 en 3:113 BW.
6.ECLI:NL:HR:2022:1942, r.o. 4.1.2.