ECLI:NL:RBROT:2025:9527

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
11678609 VZ VERZ 25-3162
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van transitievergoeding en achterstallig loon in arbeidszaak

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift van een werkneemster tegen haar werkgever. De werkneemster, die van 1 november 2023 tot 1 februari 2025 in dienst was bij de werkgever, verzocht om betaling van achterstallig loon over de maanden november 2024 tot en met januari 2025, alsook om een transitievergoeding. De werkgever is niet verschenen op de zittingen en heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de werkneemster.

De kantonrechter heeft het verzoek van de werkneemster toegewezen, waarbij de transitievergoeding is vastgesteld op € 751,47 bruto. Daarnaast is de werkgever veroordeeld tot betaling van € 6.096,66 bruto aan achterstallig loon, met een wettelijke verhoging van 50% zoals bedoeld in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek. De kantonrechter heeft ook bepaald dat de werkgever een bruto-netto specificatie moet verstrekken van de bedragen, met een dwangsom van € 50,00 per dag voor elke dag dat de werkgever nalaat dit te doen, tot een maximum van € 2.500,00.

Verder is de werkgever veroordeeld tot betaling van € 1.049,36 aan incassokosten en de wettelijke rente over de toegewezen bedragen. De proceskosten aan de kant van de werkneemster zijn begroot op € 768,00, met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de uitspraak. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de veroordelingen direct afgedwongen kunnen worden, ook als de zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11678609 VZ VERZ 25-3162
datum uitspraak: 5 augustus 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster](hierna: ‘werkneemster’),
woonplaats: Rotterdam,
verzoekster,
gemachtigde: mr. C.H. Bijvank,
tegen
[verweerster](hierna: ‘werkgever’),
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweerster,
die niet is verschenen.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter ontving op 30 april 2025 van werkneemster een verzoekschrift, met bijlagen.
1.2.
De zaak is op zitting gepland op 24 juli 2025. Werkgever is toen niet verschenen. Werkneemster heeft werkgever met een deurwaardersexploot opgeroepen om op 4 augustus 2025 alsnog te verschijnen. Ook toen is werkgever niet verschenen.

2.De beoordeling

2.1.
Werkneemster is van 1 november 2023 tot 1 februari 2025 in dienst geweest bij werkgever. Werkneemster stelt dat zij nog recht heeft op loon over de maanden november 2024 tot en met januari 2025 en op de transitievergoeding. Zij verzoekt werkgever ertoe te veroordelen dit aan haar te betalen, met wettelijke verhoging, wettelijke rente, incassokosten en met veroordeling van werkgever tot het verstrekken van loonstroken en veroordeling in de proceskosten.
2.2.
Het verzoek komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en door werkgever wordt er geen verweer tegen gevoerd. De kantonrechter wijst de verzoeken dan ook toe, zij het (1) dat waar werkneemster om netto loon vraagt, het gaat om bruto loon, zoals ter zitting is besproken; (2) dat de wettelijke transitievergoeding € 751,47 bruto bedraagt en de kantonrechter daarom dit hogere bedrag zal toewijzen [1] ; en (3) dat de kantonrechter aanleiding ziet de gevraagde dwangsom voor de loonspecificaties te matigen tot € 50,00 per dag, met een maximum van € 2.500,00.
2.3.
Werkgever krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van werkneemster uit € 90,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris voor haar gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 768,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking door een deurwaarder uitgereikt moet worden. De rente over de proceskosten is ook toewijsbaar.
2.4.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter afgedwongen kan worden dat aan de veroordelingen in deze beschikking voldaan wordt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster een transitievergoeding van € 751,47 bruto te betalen;
3.2.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster € 6.096,66 bruto aan achterstallig loon over de maanden november 2024 tot en met januari 2025 te betalen, met 50% wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek van € 3.048,33 bruto;
3.3.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster een bruto-netto specificatie te verstrekken van de onder 3.1. en 3.2. bedoelde bedragen, met een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag dat werkgever nalaat dit te doen, te rekenen vanaf veertien dagen nadat de deurwaarder deze beschikking aan werkgever betekent, met een maximum van € 2.500,00;
3.4.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster € 1.049,36 aan incassokosten te betalen;
3.5.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek te betalen over de onder 3.1., 3.2. en 3.4. bedoelde bedragen, steeds vanaf het moment waarop een bepaald bedrag opeisbaar wordt, tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald;
3.6.
veroordeelt werkgever in de proceskosten, aan de kant van werkneemster begroot op € 768,00, met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf veertien dagen na het wijzen van deze beschikking tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald;
3.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst wat meer of anders is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
686

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365