Eiser, een zelfstandig ondernemer sinds 1994, diende in juli 2024 aanvragen in voor een Bbz- en IOAZ-uitkering. Het college wees deze af omdat eiser niet voldeed aan het urencriterium van minimaal 1225 uur in 2023 en niet aan de arbeidsverledeneis voor de IOAZ-uitkering. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser niet aan de arbeidsverledeneis voldoet. Perioden van ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid tellen mee voor het arbeidsverleden, wat in dit geval betekent dat eiser wel aan de eis voldoet. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit voor zover het de IOAZ-aanvraag betreft.
Echter, de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat eiser niet voldoet aan het urencriterium in 2023, wat een harde eis is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat het niet leidt tot een onevenredig nadelig gevolg. Eiser krijgt het betaalde griffierecht en proceskosten vergoed. De primaire besluiten blijven van kracht, waardoor eiser geen recht heeft op de uitkeringen.